Een Volksfront tegen het fascisme

Nu ook in Frankrijk een verkiezingsoverwinning van een fascistoïde, extreem-rechtse partij dreigt, gaan de gedachten onwillekeurig terug naar een eerdere gelegenheid waarbij republikeinse, linkse krachten tegen zo’n overwinning front hebben gemaakt. Het Front Populaire van 1936, een verkiezingsverbond van Socialisten, Radicalen en Communisten, was zo’n methode van verdediging van de democratie. Dat Front leidde tot de eerste regering (Léon) Blum van Socialisten en Radicalen – de laatsten waren overigens een niet-marxistische partij van wat je nu de middenklasse zou noemen, en die in zekere zin het ideologisch hart van de sedert 1871 bestaande Derde republiek was.

De geschiedenis van dat Front Populaire is al vaak verteld: hoe de regering Blum, waaraan de Communisten geen bewindslieden leverden, onder druk van een grote stakingsgolf een aantal sociale hervormingen doorvoerde, waarvan de meeste later in de jaren dertig door de economische crisis werden onttakeld, maar die desondanks in Frankrijk van blijvende betekenis zijn gebleken: de doorbetaalde vakantie, de collectieve arbeidsovereenkomst, de veertigurige werkweek.

De Franse historica Ludivine Bantigny heeft nu onder de titel ‘La Bourse ou la vie’ (de Beurs of het leven, een verwijzing naar de antithese tussen kapitaal en volk) een geschiedenis van het Franse Volksfront voor onze tijd geschreven. Anders dan haar voorgangers heeft Bantigny uitvoerig gebruik gemaakt van departementale en gemeentelijke archieven, wat interessante inkijkjes oplevert in het grote enthousiasme waarmee de arbeidersbevolking in 1936 de Volksfront-regering begroette als herauten van een nieuwe tijd, terwijl Blum en de zijnen juist hun best deden de indruk te wekken geen revolutionaire bedoelingen te hebben – anders zou samenwerking met de Radicalen ook niet mogelijk zijn geweest.

Daarnaast doet Bantigny als historica van haar tijd ook een poging om twee tot nu toe veelal misdeelde aspecten van het Volksfront te beschrijven: de rol van vrouwen en de relatie tussen de regering Blum en de Franse kolonieën, met name die in Indochina en Noord-Afrika. De resultaten op deze terreinen zijn niet zeer verheffend. Weliswaar kon de regering Blum bogen op drie vrouwelijke staatssecretarissen, de eerste vrouwelijke bewindspersonen uit de geschiedenis van de Derde Republiek, maar deze verdwijnen met de val van de eerste regering Blum al snel uit beeld. Niemand lijkt hun aantreden in 1936 ook als een emancipatoir moment te hebben gezien. Ook ter linkerzijde, blijkt, wordt de mindere beloning van vrouwenarbeid niet als een ernstig probleem gezien en leeft de gedachte dat vrouwenarbeid eigenlijk bijdraagt aan de werkeloosheid onder mannen waaronder Frankrijk in deze periode lijdt.

De balans bij het koloniale beleid van het Volksfront pakt zo mogelijk nog bleker uit. Zowel in Indochina als in Algerije hadden op autonomie gerichte bewegingen van de inheemsen aanvankelijk hoge verwachtingen van de Volksfront-regering. Maar Blum en de zijnen zetten het repressieve beleid van de voorgaande decennia voort, daarbij geweld niet schuwend. Zo werd in 1937 bijvoorbeeld de beweging ‘Ster van Noord-Afrika’ verboden – een beweging die zich nota bene vóór het Volksfront had uitgesproken. Van Moskou of de Franse communisten hadden zulke bewegingen niet veel te verwachten – Stalin en consorten vonden de verdediging van het vaderland van het communisme boven alles gaan, en daarin paste geen ondermijning van Volksfront-Frankrijk.

Ofschoon Bantigny, met haar aandacht voor de ‘basis’ daaraan relatief weinig aandacht besteedt, was het Volksfront in eerste instantie toch het resultaat van een plotselinge verandering van de doctrine van de door Moskou geleide Derde Internationale. Tot in 1935 volgden ook de Franse communisten de lijn die ‘klasse tegen klasse’ genoemd werd: communisten waren daarbij de enige vertegenwoordigers van de arbeidersklasse, en socialisten en sociaal-democraten waren klassenverraders, erger dan fascisten. Het was deze lijn die er aan bijdroeg dat Hitler in 1933 vrij makkelijk in Duitsland de macht kon overnemen. Stalin besloot toen het over een andere boeg te gooien en de communistische partijen van de Derde Internationale hadden maar te gehoorzamen.

De aanleiding tot de vorming van het Volksfront als verkiezingsverbond was een betoging van extreem-rechtse en fascistische organisaties op 6 februari 1934, waarbij doden vielen toen de politie het vuur opende op groepen demonstranten die de Assemblée Nationale wilden bestormen. Ten onrechte werd bij de antifascisten deze gebeurtenis opgepompt tot een poging tot fascistische machtsgreep. Het eerste initiatief tot politieke samenwerking van Socialisten, Radicalen en Communisten werd door intellectuelen genomen. Zo ontstond het Comité de Vigilance des Intellectuels Antifascistes (CVIA) waarop ik in 1976 overigens in Leiden bij Henk Wesseling ben afgestudeerd. Het CVIA was ook het voorbeeld voor het Nederlandse Comité van Waakzaamheid van Menno ter Braak, Jan Romein en anderen. Zowel de Franse als de Nederlandse organisatie was geen lang leven beschoren – een van de redenen daarvoor was dat de communisten probeerden het comité in Moskou’s vaarwater te loodsen.

Bantigny geeft een mooi beeld van de hoge verwachtingen in de arbeidersklasse na de verkiezingsoverwinning van 1936. Een soort geëxalteerde revolutionaire geest die we ook kennen uit de Franse revolutie, 1830, 1848, 1871, 1968, 1980 en zelfs de partijbijeenkomsten van Jean-Luc Mélenchon steekt ook in 1936 en leidt tot stakingen en bedrijfsbezettingen die het land maandenlang lam leggen. Wat mijzelf altijd heeft geïntrigeerd is dat Blum en de andere leiders van het Volksfront dat kennelijk helemaal niet zagen aankomen. Alle praats over een nieuw tijdperk en de solidariteit onder het volk was bedoeld om de fascisten (wie dat ook mochten zijn in de Franse verhoudingen) de wind uit de zeilen te nemen. Het was geen revolutionaire strategie – ook niet voor de Socialisten en Communisten die als Marxisten in principe een omwenteling in het programma hadden staan.

Het is ontegenzeggelijk de verdienste van de socialistische leider Léon Blum (1872-1950) dat de revolutionaire energie van de massa’s in de jaren na 1936 is omgezet in sociale akkoorden die in zekere een voorbode waren van het naoorlogse, meer sociale kapitalisme. Blum is naar mijn inzicht een politicus die veel bewondering verdient: hij slaagde er zelfs in de Franse defensie te versterken. Veel moreel gezag verloor de Volksfront-regering overigens door de neutrale opstelling van Frankrijk in de in 1936 uitgebroken Spaanse Burgeroorlog. Al in 1937 viel de regering Blum, toen de Senaat weigerde in te stemmen met speciale bevoegdheden om de kapitaalvlucht naar het buitenland tegen te gaan. Na nog twee kortstondige regeringen onder Volksfront-vlag was het experiment beëindigd.

Anders dan in Nederland, waar politici meestal ‘verbinding’ hoog in het vaandel hebben staan, is de Franse politieke cultuur meer gericht op het aanwijzen en bestrijden van vijanden. Zelfs binnen deze context is de atmosfeer van haat die het Volksfront omgaf, bepaald opmerkelijk te noemen. Vooral de figuur van Blum moest het ontgelden, waarbij het feit dat Blum van joodse origine was, een belangrijk thema was. De belangrijkste ideoloog van extreem-rechts in deze jaren, Charles Maurras (1868-1952), schreef in zijn blad L’action française: ‘Blum is een man om neer te schieten, maar dan in de rug’. Kort daarop werd Blum op straat door een menigte ernstig mishandeld.

Een van de ministers van de Volksfrontregering, Roger Salengro (1890-1936), werd door de extreemrechtse pers met verzonnen beschuldigingen over zijn desertie in de Eerste Wereldoorlog in de zelfmoord gedreven. Toen extreem-rechts in Frankrijk in 1940 zelf aan de macht kwam, in de door maarschalk Philippe Pétain (1856-1951) geleide État français die weinig meer was dan een door de Duitse bezetter getolereerde vazalstaat, was de haat tegen Blum bij rechts nog altijd zo groot dat het regime hem een politiek proces aandeed, dat diende in de stad Riom. De voormalige Volksfront-premier verdedigde zichzelf echter dermate voortvarend, dat het proces voortijdig werd beëindigd.

Of er voor het huidige Frankrijk veel lessen zijn te trekken uit de geschiedenis van het Volksfront, zoals de ondertitel van Bantigny’s boek suggereert, lijkt me de vraag. Maar saai wordt Franse politiek zelden.

Ludivine Bantigny: La bourse ou la vie. Le Front Populaire, histoire pour aujourd’hui. La Découverte 2026

Afbeelding: Rose Zehner spreekt in maart 1938 de vrouwelijke arbeiders van de Citroën-fabriek in Parijs toe, met een typerend gebaar dat aangeeft dat zij tot staking, of althans tot actie oproept. Zij zal kort hierna worden ontslagen voor dit optreden. De foto is van de pas na de Tweede Wereldoorlog erg bekend geworden Willy Ronis (1910-2009). Op de foto is Rose Zehner 37 jaar oud. Zij overleed in 1988. In 1983, twee jaar na de verkiezing van de socialist François Mitterrand, toen Frankrijk weer een tijd van links enthousiasme meemaakte, werd Willy Ronis gehuldigd op de Rencontres internationales de la photographie in Arles. Daarbij was ook Zehner aanwezig, die van de zaal een staande ovatie kreeg.

Plaats een reactie

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑