De schrik van ieder feestje

De schrik van ieder feestje. Zo voel ik mij soms, wanneer avonden- of zelfs dagenlang gezelschap om mij heen dat ene onderwerp weet te vermijden dat mij al jarenlang sterk bezig houdt: de volstrekt niet denkbeeldige mogelijkheid dat Europa over niet al te lange tijd weer verwikkeld zal zijn in een grote oorlog. Geboren zijnde in 1951 behoor ik tot de weinige West-Europeanen die oorlog niet aan den lijve ondervonden hebben. (Ja, in mijn geval als verslaggever, maar dat telt niet, want de grondvesten van mijn bestaan werden door mijn waarnemerschap niet ondermijnd).

Die tijd lijkt voorbij. Ten onrechte hebben generaties Nederlanders en Europeanen oorlog gezien als iets uit het verleden en gedacht dat vrede de meest normale en vanzelfsprekende situatie was, constateert Martijn Kitzen (1978), hoogleraar krijgswetenschappen in Leiden en Breda in zijn boekje ‘De terugkeer van oorlog’. Kitzen begint met een uitstekend en beknopt overzicht van de verschuivingen in het denken over oorlog sinds dit verschijnsel na de ontmanteling van de Sovjet-Unie in 1991 in de Westerse samenlevingen min of meer in het panopticum van de geschiedenis der mensheid werd bijgezet.

Ik kan me de stadia van dit misverstand nog goed voor de geest halen. De waan dat militaire operaties in de toekomst slechts nog ‘vredesoperaties’ zouden zijn, waarbij intimiderende militaire aanwezigheid conflictpartijen zou ontmoedigen en dodelijke slachtoffers aan Nederlandse zijde ondenkbaar waren – met onder andere Srebrenica als gevolg, maar ook de meer realistische en achteraf gezien zinloze inzet in Afghanistan, waar zo’n 25 Nederlandse jongens het leven hebben gelaten.

Bij vredesoperaties heb je in zekere zin je vijanden voor het uitkiezen: je ziet een bedreiging van de internationale rechtsorde (of iets dergelijks) en besluit tot ingrijpen. Bij ‘echte’ oorlogen is er geen keus. De Russische federatie van Vladimir Poetin heeft ons – Nederland, het collectieve Westen, het democratische, gedegenereerde Europa enzovoorts – aangewezen als vijand – ‘tegenstander’ is tot nu toe de in het Kremlin gebezigde term – en wij hebben ons maar te verdedigen.

Dat dit de nieuwe situatie is, dringt maar langzaam tot de geesten door. Zelfs na de Russische inname van de Krim en het (overigens per ongeluk) neerschieten van de MH17 met meer dan 200 Nederlandse slachtoffers was de overheersende neiging in politiek en samenleving toch nog dat de confrontatie in Europa toch vooral een ‘hybride’ oorlog zou zijn, waarin militaire hardware geen grote rol zou spelen, en dat we een heel eind zouden komen met economische sancties tegen Rusland. De grootschalige, conventionele oorlog (met tal van technologische innovaties) die in 2022 begon, heeft ook deze droom verbrijzeld.

In bijna heel Europa wordt nu het defensiebudget opgeschroefd, maar het blijft de vraag in hoeverre de bevolking van de democratische landen Europa meegaat in de toegenomen realiteitszin van de regeerders. In Frankrijk, waar wat minder besmuikt wordt gesproken over militaire aangelegenheden dan bijvoorbeeld in Nederland, was het jongste defilé op de Champs-Élysées op 14 juli nadrukkelijk bedoeld als een vertoon van militaire capaciteiten in de nieuwe strategische situatie in Europa.

Toen echter in november vorig jaar de chef van de Franse Generale Staf, Fabien Mandon, in een bijeenkomst met burgemeesters zich liet ontvallen dat Fransen in een voorkomend geval terwille van de landsverdediging ‘bereid moesten zijn hun kinderen te verliezen’ leidde dat zelfs in Frankrijk tot geschokte reacties – terwijl verliezen in het militaire bedrijf min of meer vanzelfsprekend zijn. Mandon vindt overigens dat Frankrijk en Europa rekening moeten houden met een mogelijk grootschalig militair conflict binnen drie tot vijf jaar. Dat is een catastrofaal vooruitzicht, vooral nu de Verenigde Staten hun handen van de Europese verdediging aftrekken en Europa militair nog maar nauwelijks is voorbereid op zo’n grote oorlog.

‘Sneuvelbereidheid’ heet in goed Nederlands het probleem waarop Mandon doelde. Hoe groot die in Nederland is, valt natuurlijk moeilijk na te gaan, omdat oorlog tot nu toe toch vooral een hypothese is. Overigens heb ik zelf meegemaakt hoe professioneel Nederlandse beroepsmilitairen in Afghanistan daarmee omgingen. Maar in een wijdere kring? Wie is bereid zijn leven op te offeren voor, om wat te noemen, de verdediging van de Baltische landen of Moldavië?

En dan zwijgen we nog over de gevolgen van oorlogsdreiging voor het welvaarts- en welzijnsniveau: geld dat naar defensie gaat, komt niet ten goede aan sociale voorzieningen, om het netjes uit te drukken. Ik verheug mij niet op de spanningen en debatten die dit alles teweeg zal brengen, evenmin als op het moment dat sommige politici en journalisten die met Poetin heulen als defaitisten of landverraders gebrandmerkt moeten worden.

Alles bij elkaar is het heel begrijpelijk dat er op feestjes niet of nauwelijks gesproken wordt over de mogelijk komende oorlog. Er moet tenslotte ook nog een beetje leuk geleefd worden, of aandacht besteed aan andere rampen in aantocht als klimaatverandering en AI. Voor wie de ogen niet wil sluiten en het hoofd koel wil houden, zij het boekje van Kitzen van harte aanbevolen.

Martijn Kitzen: De terugkeer van oorlog. Pleidooi voor de verdediging van vrede. Cossee 2026

Afbeelding: Marcel Gromaire (1892-1971), La guerre (1925), Musée d’art moderne de la ville de Paris.

Een gedachte over “De schrik van ieder feestje

Voeg uw reactie toe

  1. Zou Rusland uit zijn op een herovering van wat het in de geschiedenis tot zijn territorium rekende: de Baltische staten en Polen ofwel terug naar het Wener Congres?

    Like

Plaats een reactie

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑