Imperium en despotisme gaan hand in hand

Nu Trumps Washington met Moskou heult en Russische politici Europa regelmatig met een aanval met kernwapens bedreigen, is het misschien moeilijk voor te stellen: er is een tijd geweest dat Russische troepen in Nederland als bevrijders werden ingehaald. Daarvoor moeten we terug naar 1813, toen Kozakken in dienst van de tsaar een einde maakten aan de Franse overheersing, waarbij Nederland sinds 1810 deel uitmaakte van het Franse keizerrijk van Napoleon Bonaparte. Aanvankelijk stonden de Kozakken vooral bekend om de plunderingen en verkrachtingen waaraan zij zich in het noorden en oosten van het land hadden schuldig gemaakt. Maar toen ze eind november eenmaal hun bivak hadden opgeslagen in het Muiderbos, net buiten Amsterdam, hadden ze een goede pers.

Willem de Clercq vertelt in zijn dagboek dat vooral hun omvangrijke consumptie van jenever en vrouwen de aandacht trok. Hun schilderachtig voorkomen, met kleine paardjes en fantasie-uniformen, vormde voor de stadsbevolking een grote attractie. En ook een bescherming, want aanvankelijk waren er nabij Naarden, Muiden en Utrecht nog Franse troepen gelegerd die op wraak zinden. Volgens De Clercq waren de Kozakken ook nog enige dagen gelegerd in het gloednieuwe Quartier Saint-Charles, de nog altijd bestaande enorme kazerne aan wat nu de Sarphati-straat heet, die op kosten van de Amsterdamse burgerij was neergezet om het Franse garnizoen te huisvesten. Daarna trokken de Kozakken verder, terwijl meer geregelde Pruisische eenheden de stad naderden en de vooruitziende burgers van het zogeheten ‘Driemanschap’ er in waren geslaagd een authentiek Nederlands bewind te vestigen.

Deze positieve receptie van Russische militairen in Nederland past in een breder historisch beeld: in 1813 maakte Rusland volop deel uit van wat wel het ‘Europees concert’ genoemd wordt – het samenspel van grootmachten die in Europa de dienst uitmaakten. Daarvoor noch daarna is dat eigenlijk vaak het geval geweest. Weliswaar was de Russische hofcultuur, vooral sinds Peter de Grote in de achttiende eeuw Sint-Petersburg had laten bouwen, op die aan andere Europese hoven geënt.

Maar Rusland bleef, in eigen ogen en zeker in die van buitenlandse bezoekers, een bijzonder geval. Vooral de harde wijze waarop de staat met zijn onderdanen omging, was steeds een bron van verwondering, en soms afschuw. Dat gold ook voor het bewind van een vorstin als Katarina II (die regeerde van 1762 tot 1796). Vanwege haar belangstelling voor de Verlichting en haar vriendschap met Diderot werd zij in de negentiende eeuw wel als ‘verlicht despoot’ beschreven, maar in haar omgang met de onderdanen was ze niet minder meedogenloos dan collega-tsaren.

Omdat een ander kenmerk van het Russische imperium, ooit begonnen als de aan de Mongolen onderworpen vazalstaat Moskovië, het vrijwel permanente streven naar territoriale expansie was, wordt tussen het Russische imperialisme (of zo men wil kolonialisme) en het autoritaire, onderdrukkende karakter van de staat wel een oorzakelijk verband vermoed: een zo omvangrijk rijk, is de redenering, vergt een ferm optredende overheid, temeer daar Rusland ook steeds een veelvolkeren-staat is geweest, met alle centrifugale krachten van dien.

De Franse historica Sabine Dullin geeft in haar ‘Réflexions sur le despotisme impérial de la Russie’ een handzaam overzicht van deze problematiek. De Russische expansie begon al in de vijftiende eeuw, toen het Oost-Romeinse rijk definitief bezweek en de machthebbers in Moskou zichzelf gingen zien als voortzetters van de christelijke orthodoxie. In de eeuwen daarna ging de uitbreiding van het ‘grenzenloze Rusland’ onder andere ten koste van het Pools-Litouwse gemenebest – vermoedelijk de meest uit het Europees collectief geheugen gewiste supermacht – en Zweden. Maar de expansie voltrok zich niet alleen in Europa. De christelijke koninkrijken in de Kaukasus hadden ook de aandacht, alsmede Siberië en islamitische khanaten als Kazan en Astrachan.

Al heel vroeg werd Rusland een staat waarin vele talen, volkeren en culturen leefden: Russen, Tataren, Duitsers, Mongolen, Finnen en vele anderen. Het was bovendien een land dat zich aan alle kanten met kapers op de kust geconfronteerd zag. In 1649 werd onder tsaar Aleksis de lijfeigenschap ingevoerd, en ook de militaire dienstplicht. Terwijl er aan het hof en binnen de elite sprake was van een zekere europeanisering – er werd bijvoorbeeld druk getrouwd tussen de vorstenhuizen van Oost en West – heersten er ook toen al allerlei gedachten over een eigen historische opdracht van het land – iets wat overigens ook eigen was aan door absolutistische vorsten geregeerde landen als Frankrijk of later Pruisen.

De volwaardige rol van Rusland als Europese grootmacht heeft eigenlijk niet zo heel lang geduurd. In 1815 maakt het land nog deel uit van de zogeheten ‘Heilige alliantie’ van grootmachten die in Europa de traditionele staatkundige verhoudingen wilden laten voortbestaan, en het continent zuiveren van de waarden van de Franse revolutie. Maar de negentiende eeuw was, over langere duur beschouwd, toch de tijd van de opkomst van liberalisme en nationalisme, en met geen van deze stromingen konden de heersers in Moskou iets aanvangen.

De onderdrukking van de Dekabristen-opstand in 1825 maakte een einde aan liberale strevingen en de bloedige onderdrukking in 1830 en 1863 van opstanden in het deel van Polen dat in de achttiende eeuw bij de Poolse delingen aan Rusland was toegevallen, maakte duidelijk dat in het Russische rijk ook geen plaats was voor nationalistische romantiek. Dat wil zeggen onder niet-orthodoxe volkeren dan – op de Balkan wierp Rusland zich op als bevrijder van de orthodoxe volkeren van het Ottomaanse juk.

De andere Europese machten gingen zich overigens in toenemende mate ergeren aan de Russische expansiedrift, met als gevolg onder andere de Krim-oorlog (1853-1856), waarbij Fransen en Britten en anderen zich verweerden tegen een Russische poging de Krim af te pakken van het Ottomaans imperium. Maar soms verrichtte Rusland wel degelijk nuttige hand- en spandiensten voor het Europese conservatisme, bijvoorbeeld in 1849 door het sturen van troepen om de Hongaarse autonomie-beweging tegen het Habsburgse rijk te onderdrukken.

Als gevolg van de Russische nederlaag in de Krim-oorlog – ook een poging om Constantinopel te veroveren was inmiddels al spaak gelopen – kwamen er schuchtere pogingen tot modernisering op gang. In 1861 schafte de later vermoorde tsaar Aleksandr II de lijfeigenschap af en ook kreeg Rusland spoorwegen en moderne fabrieken. Maar het algemene beeld was toch eerder dat van een Rusland dat zich in zijn opvattingen over ‘exceptionalisme’ opsloot. Er ontstond een ideologisch systeem met allerlei merkwaardige opvattingen over Russische morele voortreffelijkheid, mystieke verbondenheid in het orthodoxe geloof en met andere orthodoxe volkeren, Russische opofferingsgezindheid en vastberadenheid. Alles thema’s die nu in het Poetin-tijdperk met zijn aanvalsoorlog tegen Oekraïne propagandistisch weer breed worden uitgemeten.

Inmiddels ging ook in de negentiende eeuw de territoriale expansie van Rusland door. Nu was het natuurlijk ook de eeuw van het moderne imperialisme en kolonialisme – Frankrijk en Engeland en een beperkt aantal kleinere machten waren hard op weg de wereld onder elkaar te verdelen, op zoek naar grondstoffen en afzetmarkten. Merkwaardig genoeg wordt het Russische optreden maar zelden in verband gebracht met deze globale trend, terwijl dat volgens Dullin heel goed zou kunnen.

De manier waarop Siberië door kolonisten in bezit werd genomen laat zich goed vergelijken met de verovering van het ‘Wilde Westen’ in de Verenigde Staten – in beide gevallen golden deze gebieden trouwens als in essentie ‘leeg’, waarbij de autochtone bevolking onzichtbaar bleef. De diverse gebiedsuitbreidingen in Europa werden evenmin gezien als een uiting van imperialisme – al was het maar omdat er in deze tijd nog wel meer supranationale imperia waren, zoals het Habsburgse- en het Ottomaanse Rijk.

De gebiedsuitbreidingen in de Kaukasus en Toerkestan (wat wij nu Centraal-Azië noemen) hadden nog het meest gemeen met de manier waarop andere Europese machten Afrika en Azië opdeelden. Hier was wel sprake van een ‘beschavingsmissie’ in gebieden die als ‘achterlijk’ golden. Ook de daarbij door Rusland aangewende methoden hebben trouwens veel gemeen met de werkwijze van andere koloniale overheersers: langdurige, vaak zeer wrede militaire campagnes, die niet zelden uitliepen op genocide tegen zich verzettende volkeren.

Nadat in 1905 en 1917 opnieuw pogingen om van Rusland een liberale staat te maken waren onderdrukt, kwamen in 1917 de communisten onder Vladimir Lenin aan de macht, die het als negentiende-eeuwse linkse ideologen aan hun stand verplicht waren een eind te maken aan het Russische imperialisme en het beeld van Rusland als ‘gevangenis der volkeren’. Het Rijk van weleer werd administratief hervormd tot een federatief verband, met in principe het recht van afscheiding uit de Unie en een groot aantal formeel autonome staatkundige eenheden binnen die Unie-republieken, opdat zoveel mogelijk bevolkingsgroepen tot bloei konden komen in een eigen thuisland, met eigen bestuurselite, eigen taal en eigen cultuur. Het is overigens deze leninistische ‘nationaliteitenpolitiek’, waaraan de huidige Russische president Poetin zijn verachting voor de grondlegger van de Sovjet-Unie ontleent.

Die leninistische nationaliteitenpolitiek legde het overigens, al spoedig na Lenins verscheiden in 1923 af tegen de versterking van het centralistische bestuur onder dictator Jozef Stalin. Onder diens bewind onderging de Sovjet-Unie nog menige uitbreiding: dankzij het pact met Hitler-Duitsland in 1939 kwamen aan het eind van de Eerste wereldoorlog verloren gegane gebieden als Estland, Letland en Litouwen terug in het Rijk, alsmede later delen van Finland, Oost-Galicië, Boekovina, Oost-Pruisen en Japan. Aan het eind van de oorlog kreeg Moskou bovendien nog de macht over een groot aantal landen die samen het zogenoemde ‘Oostblok’ vormden.

Het is merkwaardig dat ondanks deze duidelijk imperialistische gang van zaken, de Sovjet-Unie zich niettemin in de jaren van de Koude oorlog – met name na de dood van Stalin in 1953 – internationaal kon opwerpen als de voorvechter van naties en regimes die zich aan koloniale overmacht ontworstelden. Nog altijd gold de territoriale machtshonger van Moskou kennelijk niet als imperialisme. Oude methoden in de Russische expansie – zoals zeggen dat een militaire interventie plaatsvond op verzoek van de veroverde landen zelf, of het organiseren van verkiezingen zonder democratie – bleven hun vruchten afwerpen. Iets dergelijks gebeurde zelfs na het begin van de Russische invasie in Oekraïne in 2022: al heel gauw bleek dat in het globale Zuiden weinig sympathie bestond voor de Oekraïense zaak en er eerder sympathie was voor de manier waarop Poetin de veronderstelde Westerse hegemonie trotseerde.

Wie de laatste decennia Russische overheidspropaganda tot zich neemt, zou de indruk kunnen krijgen dat het Westen is geweest dat in 1991 de Sovjet-Unie heeft doen uiteenvallen in vijftien zelfstandige republieken, waaronder de Russische Federatie – als uiting van een eeuwenoud Westers streven om Rusland zwak te houden. Niets is minder waar: het is de Sovjet-elite zelf geweest die de USSR heeft opgeblazen, ook al om Michail Gorbatsjov dwars te zitten, die de Unie in zijn totaliteit een nieuw tijdperk wilde binnenvoeren.

Vladimir Poetin, die volgens de Grondwet minstens tot 2036 kan aanblijven, heeft zichzelf inmiddels niet alleen maar tot opperbevelhebber uitgeroepen, maar ook tot opper-historicus van Rusland. Urenlang wijdt hij soms uit over zaken als de historische opdracht van Rusland, of de opvatting dat Oekraïners ook Russen zijn. Het hele negentiende-eeuwse arsenaal aan min of meer mystieke opvattingen over Russisch exceptionalisme passeert de revue, waaronder de theorie dat het Russische imperium eigenlijk een voortzetting is van de Kievse Roes, een verdwenen vorstendom waarvan de heerser zich in 988 tot christen had laten dopen.

Is het waarschijnlijk dat Rusland, waarvan de president de teloorgang van de Sovjet-Unie tot de ramp van de twintigste eeuw heeft uitgeroepen, inderdaad van plan is, desnoods manu militari, het gehele grondgebied van de voormalige USSR weer in zijn greep te krijgen? Dat is wat Oekraïeners, Polen, Balten en Finnen, die allen in de geschiedenis buitengewoon slechte ervaringen hebben opgedaan met Rusland, de rest van Europa voorhouden: geef Poetin de Donbass, dan gaat hij morgen voor de Suwalki-corridor.

Dat lijkt natuurlijk volstrekt niet onmogelijk. Maar aan de andere kant moet ik soms denken aan een gesprek dat ik eind jaren zeventig in Glasgow had met de legendarische sovjetoloog en econoom Alec Nove (1915-1994), zelf kind van gevluchte Russische mensjewieken. Ik had toen, omdat ik zo nodig journalist wilde worden, de portefeuille Oost-Europa in de schoot geworpen gekregen, waarvan ik niet zo veel wist. ‘Ach jongen’, zei Nove op mijn vraag hoe het eigenlijk stond met de pretentie van Moskou de voorhoede te zijn van een nieuwe, op de beginselen van het communisme gegrondveste wereld: ‘De paus streeft er ook naar dat iedereen katholiek wordt. Van belang is echter wat er in zijn macht ligt, niet wat zijn ambities zijn’. Wijze woorden – al zou ik het er bij Poetin niet op willen laten aankomen.

Sabine Dullin: Réflexions sur le despotisme impérial de la Russie. Payot, 2025

Afbeelding: Bivak van de Kozakken bij de Muiderpoort. (H.J. van Meurs, tekening, 1813. Stadsarchief Amsterdam)

Plaats een reactie

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑