De vervlogen geuren van het Sovjet-imperium

Dit werk van Kazimir Malevitsj kende u misschien nog niet: zijn flesje voor de Russische eau de cologne ‘Severni’ (Noordelijk) uit 1911 – zo’n vier jaar dus voor het ‘Zwarte vierkant’ dat zo’n belangrijke plaats inneemt in de kunstgeschiedenis. De kunstenaar was net uit Koersk verhuisd naar Moskou en ontwierp het flesje voor de firma Brocard & Co., een Frans-Russisch bedrijf dat in Moskou alleen al zo’n duizend werknemers telde. Het flesje is 19,5 centimeter hoog, en bestaat uit glas met een craquelé-motief. Op de stop staat een ijsbeer. Het ontwerp lijkt geïnspireerd door de golf van expedities naar de Noordpool in deze jaren. De Russische kunst-historica Aleksandra Sjatskich heeft in 2013 ontdekt dat het flesje – dat tot 1996 in Rusland werd geproduceerd in enigszins gewijzigde vorm en waarvan er vermoedelijk miljoenen verkocht zijn – een opdrachtwerk van Malevitsj was. Hier een reclameposter en een etiket voor ‘Severni’ uit 1911. (Tekst gaat door onder de afbeeldingen).

Het verhaal van Malevitsj’ flacon komt voor in ‘Der Duft der Imperien’, het nieuwe boek van de Duitse historicus Karl Schlögel, waarin deze zo’n beetje alles vertelt wat hij te weten is gekomen over de Russische parfum- en reukwater-industrie sinds de late Negentiende Eeuw. En dat is niet weinig, wat het boek een lichtelijk ordeloos karakter geeft – sommige bijzonderheden komen wel 4, 5 keer voor. Maar dat is niet zo erg: de verhalen zijn prachtig, zoals meestal bij meester-verteller Schlögel.

Hij is de auteur van op grondig archiefmateriaal gebaseerde boeken als ‘Terror und Traum’, een uitzonderlijk evocatieve geschiedenis van Moskou in het gruweljaar 1937, en ‘Das Russische Berlin’, een geschiedenis van de Russische wereld in de Duitse hoofdstad tussen 1917 en 1941, toen Berlijn onder zowel voor- als tegenstanders van het Sovjet-bewind wel een tweede Russische hoofdstad leek. Al eerder heeft hij zich laten kennen als een historicus met een scherpe blik voor de materiële cultuur van de voormalige Sovjet-Unie. Hij schreef ‘Das Sowjetische Jahrhundert’ dat een ‘archeologie van een ten onder gegane wereld’ beoogt te zijn en waarin een enorm aantal gebouwen, instellingen, voorwerpen en wat niet al in hun ontstaan en gebruik worden beschreven.

‘Der Duft der Imperien’ is als het ware een naschrift bij dit encyclopedische werk. Schlögel heeft zich geïnspireerd gevoeld door de Franse historicus Alain Corbin en de Duitse romanschrijver Patrick Süskind, die beiden hebben geprobeerd een geschiedenis over, of rond, geur te schrijven. Tegelijkertijd getuigt ‘Der Duft der Imperien’ van nog een andere belangrijke trek in Schlögels werk: het streven de Russische geschiedenis te plaatsen binnen een bredere context, en te laten zien dat de Sovjet-civilisatie geen volstrekt uniek, in zichzelf gekeerd verschijnsel was, maar deelhad aan trends die ook elders in Europa bestonden.

Een geschiedenis van de geur in de Sovjet-Unie is een onderneming waarvoor iedereen die er wel eens geweest onmiddellijk begrip kan opbrengen. Het rook anders in de Sovjet-Unie, of eigenlijk in het hele Oostblok, anders dan bij ons in West-Europa. De benzine had er een ander octaan-gehalte, is mij wel eens ter verklaring voorgehouden. Maar dat was zeker niet de enige geur-sensatie die de buitenlander in een stad als Moskou trof. In de metro of in de huizen – overal trof je dat merkwaardige aroma van zweet, uien en koolsoep – het gerecht waarop de meeste Sovjet-burgers de winter moesten doorkomen. Ook de schoonmaakmiddelen roken duidelijk anders dan bij ons. En dan natuurlijk de luchtjes waarmee Russische dames zich omhulden als ze uitgingen (en geen toegang hadden tot dure buitenlandse parfumerie). Aan de garderobe-balie van het theater, bij die strenge oude vrouwen die in toorn ontstaken als er geen haakje aan je jas zat, wist je het meteen al: olfactorisch ben ik hier ver van huis.

Of Schlögel er echt in slaagt een geur-geschiedenis van Rusland te schrijven, is een beetje de vraag: het is op zich niet verwonderlijk dat een boek het vooral moet hebben van gegevens over de materiële kanten van de vervaardiging van reukwateren. Dat neemt niet weg dat hij – met een indrukwekkend aantal citaten uit archieven, romans en dagboeken, aannemelijk maakt dat de historische omslag van 1917 ook een omslag van de geur is geweest: van de welriekendheid van de burgerlijke, of aristocratische samenleving naar de geur van frontsoldaten met verlof, de fabrieken en – vaak – de armoede en honger. En er is natuurlijk de door Varlam Sjalamov en anderen beschreven typische geur van het kamp – de geur van brood als teken van hoop, die van lijken als teken van dood.

Het leukst in ‘Der Duft der Imperien’ zijn de parallelle geschiedenissen die Schlögel vertelt, zoals die over de gemeenschappelijke oorsprong van Chanel Nº5 en het Sovjet-parfum ‘Krasnaja Moskva’ (Rood Moskou). (Tekst gaat door onder de afbeelding)

Voor een goed begrip van dit verhaal moeten we terug naar de tweede helft van de Negentiende Eeuw, toen Rusland – na de afschaffing van de lijfeigenschap in de jaren zestig – een ongekende economische opleving kende. De steden groeiden, de industrie bloeide, nieuwe kapitaalbezitters kwamen op, en ook een koopkrachtige middenklasse. (Ware dit land na 1917 niet afgegleden tot een initiatief-dodende, autoritaire staat met economische doctrines die je achteraf gezien reactionair moet noemen, had ons continent er nog steeds beter uitgezien, denk ik – maar dit terzijde).

In deze context kwamen in Rusland moderne parfum-fabrieken op. Niet altijd, maar in veel gevallen waren het filialen van buitenlandse-, en dan vooral Franse firma’s, aangetrokken door de reusachtige Russische markt tussen Vilnius, Tasjkent en Vladivostok, om over de afzetmogelijkheden naar China en Perzië nog maar te zwijgen. De opzet van deze ondernemingen was in feite dezelfde als die van hedendaagse parfumerie-bedrijven: een fabriek met een laboratorium ergens, en door het hele land in de grote steden ‘outlets’, weelderig ingerichte winkels. De firma A. Rollet &Co. in Moskou bijvoorbeeld telde bij het 50-jarig bestaan van haar Russische tak in 1914 daar 1500 employées en de concurrent Brocard &Co. was niet veel kleiner. Rollet & Co. mocht zich ook hofleverancier noemen, niet alleen aan het Russische tsaristische hof, maar ook aan dat van de monarchen van Perzië en Roemenië.

Een fabriek in reukwateren kan niet zonder parfumiers, de architecten van geuren die met allerlei geheimzinnige stoffen in de weer zijn om die ene, onweerstaanbare geur te produceren die de consument tot slaaf maakt en waarvan de formule in de brandkast bewaard wordt. Die parfumiers waren voor 1914 veelal afkomstig uit Frankrijk – Parijs was immers de wereldhoofdstad van alle verfijnde burgerlijke cultuur rond 1900. Ernest Beaux (1881-1961), werkzaam bij Rollet & Co., was er zoëen. Hij was als zoon van een Fransman in Moskou geboren en keerde – na in het vaderland een opleiding te hebben genoten en zijn dienstplicht te hebben vervuld – in 1902 terug naar Ruslands grootste industriestad.

Toen na de Oktoberrevolutie van 1917 en de overwinning van de Roden in de burgeroorlog de fabriek waar hij werkte werd onteigend en omgedoopt tot ‘Zeepziederij nr. 4’ achtte hij het omstreeks 1920, net als de meeste anderen in de Franse gemeenschap in Rusland, raadzaam terug te gaan naar Parijs. Daar verkeerde hij – halve Rus tenslotte – vaak in gezelschap in gezelschap van Russische ballingen. Want veel ‘voormaligen’, zoals Lenin en de zijnen hen noemden, hadden in de Franse hoofdstad hun toevlucht gezocht en leefden niet zelden in kommervolle omstandigheden – zie de werken van Ivan Boenin, Joseph Kessel en Nina Berberova.

Grootvorst Dmitri Pavlovitsj Romanov, een kleinzoon van tsaar Aleksandr II, bracht zijn vriend Beaux in contact met een jongedame met wie hij een verhouding had, Gabrielle Chanel (1883-1971), die zich meestal ‘Coco’ noemde. Zij was een ambitieuze en ondernemende vrouw van eenvoudige komaf, wier modehuis groot succes had met eenvoudig draagbare kleding voor de ‘nieuwe vrouw’, ontdaan van alle rimram en baleinen van het fin de siècle. Zij was op zoek naar een bij haar kledinglijn passend parfum en Beaux mocht het bedenken. Zijn Russische recepten nog in het achterhoofd ontwierp Beaux een tiental varianten. Coco koos het vijfde flesje – Chanel Nº5 was geboren, ‘de geest van de tijd in een flesje’ – en is tot op heden vermoedelijk ’s werelds bekendste geurlijn.

Anders verliep het leven van een andere in Rusland werkzame Franse parfumier, Auguste Michel. Hij groeide op in de geurige omgeving van Grasse in Zuid-Frankrijk en werd daar een volleerd parfumier. Op zeker moment liet hij zich verleiden tot een betrekking in Rusland, eerst bij de firma A. Rollet & Co. maar al spoedig daarna bij de concurrentie, Brocard & Co. die in Rusland dertien fabrieken en 63 winkels bedreef. Hij was daar buitengewoon succesvol, eerst met een geur die ‘Bouquet Napoleon’ heette en later met ‘Le bouquet préféré de l’impératrice Kathérine’, vermoedelijk het populairste Russische parfum in de jaren voor de Eerste wereldoorlog.

Ook Michel – wiens geboorte- en sterfjaar niet precies bekend zijn – leek in 1920 de tijd gekomen het revolutionaire Rusland, waar de parfumerie als ‘burgerlijke decadentie’ niet meer in aanzien stond, te verlaten en naar Frankrijk terug te keren. Maar hij had pech: nadat hij zijn paspoort had afgegeven bij de politie, voor een uitreisvisum, raakte het document zoek, zodat er aan een vertrek niet te denken viel. In 1925 dook het paspoort weer op, kort nadat Frankrijk en de Sovjet-Unie diplomatieke betrekkingen hadden aangeknoopt. Maar toen had Michel al definitief besloten in Rusland te blijven.

Dat hing vermoedelijk samen met het feit dat hij inmiddels met een Russische was getrouwd, en ook met de verbeterde vooruitzichten voor een parfumier in Rusland: in het begin van de jaren twintig was de NEP, de Nieuwe Economische Politiek, afgekondigd die de naasting van de fabrieken weliswaar niet ongedaan maakte maar wel oude bedrijfsstructuren deels deed herleven. De firma Brocard ging – na enige tijd ‘Zeepziederij No. 5’ te hebben geheten – door als ‘Novaja Zarja’ (Nieuwe dageraad). Vanaf 1928 – aan het eind van de NEP – werd de reukwateren-industrie, net als de rest van de economie, in het Vijfjarenplan opgenomen.

Auguste Michel was, als geniale geur-architect, dus opeens een belangrijk man geworden in het arbeiders- en boeren-paradijs. Alleen was de benaming ‘Le bouquet préféré de l’impératrice Kathérine’ natuurlijk niet langer houdbaar voor het vlaggeschip van de onderneming. Dat werd ‘Krasnaja Moskva’ (Rood Moskou), tot aan het einde van de Sovjet-geschiedenis de populairste inheemse geurlijn. Het merk bestaat overigens nog steeds – nu voor de liefhebbers van nostalgische Sovjet-kitsch.

In 1937 kreeg hij, van leider Stalin zelf vermoedelijk, de eervolle opdracht die zijn ondergang markeerde. Hij moest een parfum ontwikkelen dat de naam ‘Dvorets Sovjetov’ (Paleis der Sovjet) zou dragen, naar de 420 meter hoge toren die Stalin wilde laten bouwen op de plaats van de in 1932 opgeblazen kathedraal van Christus de Verlosser, in het centrum van Moskou. Het parfum moest hetzelfde optimisme en koene ondernemingslust uitstralen die ook de bouwplannen voor ’s werelds hoogste gebouw kenmerkten.

Maar het parfum kwam er niet, evenmin als de ambitieuze toren trouwens – er staat op die plek tegenwoordig een herbouwde kathedraal. Vanaf 1937 ontbreekt van Auguste Michel ieder spoor. Het valt te vrezen dat hij ten offer is gevallen aan de grootscheepse terreur in dat jaar. Als drager van een dubbele nationaliteit en bovendien technisch specialist uit een pre-revolutionair tijdperk, kwam hij ongetwijfeld in aanmerking als een van de miljoenen slachtoffers van Stalins paranoïde vervolgingsideeën.

Schlögel suggereert in zijn boek dat Chanel Nº5 en Krasnaja Moskva, als hun tijd typerende geuren, eenzelfde oorsprong hebben, de Franse parfumerie. Maar hij heeft nog een betere parallel in petto: de vergelijkende levensgeschiedenis van Coco Chanel en Polina Sjemtsjoesjina-Molotova. (Tekst gaat verder onder afbeeldingen).

Beiden waren van eenvoudige komaf, wisten door vlijt en contactuele vaardigheden door te dringen tot de hoogste kringen, en kwamen in politieke moeilijkheden. De ster van Coco Chanel (1883-1971) rees in de jaren twintig, zowel economisch als sociaal – zij woonde een groot deel van haar leven in een suite van de Ritz aan de Place Vendôme. De Duitse Bezetting van 1940 werkte geenszins storend voor intense omgang met de machtigen van de dag. Haar goede contacten met Nazi-autoriteiten stelden Coco zelfs in staat om de concurrerende firma Frères Wertheimer, aan wie zij in 1926 de rechten van Chanel Nº5 had verkocht, deels over te nemen. Dankzij het Nazi-beleid om bedrijven van Joden in ‘arische’ handen te doen gaan, kreeg ze de rechten van haar meest succesvolle product weer in handen. Het leverde haar veel geld op, maar ook de beschuldiging van collaboratie, zodat ze na de Bevrijding van 1944 naar Zwitserland uitweek. Pas midden jaren vijftig, toen de zuiveringsijver ook in Frankrijk was geluwd, keerde ze terug naar haar suite in de Ritz.

Het verhaal van Polina Sjemtsjoesjina-Molotva (1897-1970) is bepaald spectaculair. Zij was afkomstig uit een Joodse ‘shetl’ in de Oekraïne. Ten tijde van de burgeroorlog in de jaren 1917-1920, met zijn pogroms tegen de Joodse bevolking, namen haar meeste broertjes en zusjes de wijk naar Palestina of de Verenigde Staten. Polina sloot zich echter aan bij het Rode Leger en werd communistisch partijlid. Al vlug ontpopte zij zich tot een getalenteerd partijpropagandist en organisator. Ze maakte snel carrière binnen de nieuwe machtsorganen. Op een scholingsconferentie in 1921 maakte ze kennis met Vjatsjeslav Molotov (1890-1986), toen al Stalins rechterhand – wat hij tot de dood van de leider in 1953 zou blijven. Ze trouwden nog datzelfde jaar.

Het paar woonde in het Kremlin, op een steenworp afstand van de vertrekken van de grote leider, met wiens vrouw, Nadjezjda Alliloejeva, Polina vriendschap sloot. Ze schijnt ook aanwezig te zijn geweest bij het beruchte Kremlin-diner in 1932 waar Stalin zijn echtgenote in het openbaar zo grievend beledigde, dat deze de zaal uit stormde, met vriendin Polina achter zich aan. Haar solidariteit en de rondjes die ze samen door het Kremlin liepen om Nadjezjda tot bedaren te brengen, mochten niet verhinderen dat Stalins vrouw nog diezelfde avond een eind aan haar leven maakte.

Van 1930 tot 1932 was ze directeur van de parfumerie-fabriek Novaja Zarja, om daarna door te schuiven en hoofd werd van het directoraat dat over alle ‘hygiënische’ artikelen ging, ‘Tesje’ geheten. Spoedig daarna kreeg ze een ministerspost: ze werd ‘Volkscommissaris’, belast met alle toiletartikelen en dergelijke, alsmede de vis- en botten-verwerkingsindustrie. In 1939 ging het mis: ze werd gedemoveerd tot hoofd van louter de visverwerking. Het betrof hier duidelijk een politieke sanctie, misschien verband houdend met de contacten die zij bleef onderhouden met haar broers en zussen in Palestina en de VS – Stalin zag overal verraders en spionnen.

Haar gebrek aan ‘waakzaamheid’ stond op de agenda van een vergadering van het Politburo in 1941 en op een vergadering van het Centraal Comité oefende ze zelfkritiek naar stalinistisch recept: ze had de gevaren niet voldoende ingezien en zou haar leven beteren. Dat verhinderde niet dat ze een jaar later uit het Centraal Comité gezet werd. De Bulgaarse communist Georgi Dimitrov heeft in zijn mémoires beschreven hoe Polina’s echtgenoot, Stalins rechterhand Molotov dus, zich eens van stemming onthield toen het Centraal Comité een resolutie aannam waarin het verraderlijk optreden van zijn vrouw scherp werd veroordeeld. Daar kwam onmiddellijk openlijke kritiek op: een communist mag het privé-belang niet laten prevaleren boven het partijbelang.

Het zou nog krasser worden. Tijdens de oorlog maakte Polina zich verdienstelijk in het ‘Joods Antifascistisch Comité’. Dat was een organisatie van Joodse intellectuelen, kunstenaars en andere prominenten die door het Kremlin werd ingezet om goodwill te kweken voor de oorlogsinspanning van de Sovjet-Unie tegen Hitler-Duitsland, met name onder Joden in de VS. Polina’s internationale contacten kwamen goed van pas.

Toen Stalin in 1948 zijn zogeheten ‘anti-kosmopolitisme’-campagne startte, die in feite een antisemitische zuiveringsgolf was, behoorden de leden van het ‘Joods Antifascistisch Comité’ tot de eerste verdachten, juist omdat zij in het kader van hun werkzaamheden contact met buitenlanders hadden gehad. Het begon met de dood van de voormalige voorzitter van het Comité, de acteur Solomon Michoels, ten gevolge van een verkeersongeval dat algemeen als een moordaanslag werd beschouwd.

Polina werd de partij uitgezet en in januari 1949 gearresteerd. Schögel heeft het verslag van de verhoren ingezien: de geheime dienst NKVD wilde haar laten bekennen dat zij een ‘Joods nationalist’ was en met Michoels op de Krim een ‘Joods Californië’ had willen stichten. Spoedig daarna werd ze veroordeeld, niet tot de kogel of het kamp maar tot vijf jaar verbanning, uit te zitten in een dorp nabij Magnitogorsk, aan gene zijde van de Oeral. En dit allemaal, voor goed begrip, terwijl haar man elke dag met Stalin aan één tafel zat als tweede man van de Sovjet-leiding.

In deze merkwaardige wereld bleven Polina’s vertrouwen in de partij en liefde voor Stalin ook in de jaren van ballingschap ongebroken. Toen de ‘vader der volkeren’ in 1953 de geest gaf – net op tijd want naar verluidt had hij een terreurcampagne, met name tegen Joden, in de zin die het jaar 1937 in de schaduw zou stellen – viel Polina in katzwijm toen zij hoorde dat Stalin dood was. Ze werd in 1956 officieel gerehabiliteerd maar had, als overtuigd staliniste, voor Stalins opvolger Nikita Chroesjtsjov alleen verachting over. Ze overleed in 1970.

Op een bepaalde manier laten dit soort verhalen je als lezer sprakeloos achter. Hoe kan het zijn dat een land, met zoveel getalenteerde mensen en mogelijkheden, keer op keer terecht komt in de stalinistische nachtmerrie of de ‘low intensity’ dictatuur van Brezjnjev of Poetin? Uit dat alles stijgt een geur van middelmatigheid op die zich door geen parfum – geïmporteerd of inheems vervaardigd – lijkt te laten verdrijven.

Karl Schlögel: Der Duft der Imperien. Chanel Nº5 und Rotes Moskau. Hanser Verlag, München 2020.

Afbeeldingen: Flacon voor ‘Severni’ van Kazimir Malevitsj (1911); Affiche en etiket voor ‘Severni’; Flacon voor ‘Krasnaja Moskva”; Coco Chanel in de jaren twintig; Polina Sjemtsjoesjina-Molotova als Volkscommissaris.

Een gedachte over “De vervlogen geuren van het Sovjet-imperium

Voeg uw reactie toe

Laat een reactie achter op huibree Reactie annuleren

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: