
Over Jean-Paul Sartre (1905-1980) hoor je tegenwoordig nog maar zelden iets aardigs zeggen. Waar zijn vriendin Simone de Beauvoir (1908-1986) nog volop gewaardeerd wordt als feministe – met name vanwege haar nog steeds gelezen, baanbrekende studie ‘Le deuxième sexe’ (1949) – is de ster van Sartre goeddeels gedoofd. Zijn filosofische hoofdwerken, als ‘L’ être et le néant’ (1943) of ‘Critique de la raison dialectique’ (1960/1985) lijken veilig weggezet in de kast ‘geschiedenis van de filosofie’, literaire geschriften als ‘La nausée’ (1938), ‘Le mur’ (1939) of de romancyclus ‘Les chemins de la liberté’ (vanaf 1945) worden niet erg druk meer gelezen, toneelstukken als ‘Les mouches’ (1943) of ‘Huis clos’ (1945) zelden opgevoerd.
Toch is het niet in de eerste plaats de kwaliteit van zijn geschriften die ervoor zorgen dat Sartre, eigenlijk al sinds zijn overlijden in 1980, als een man uit het verleden geldt, en niet zelden zelfs een zekere afkeer oproept. Waar zijn partner Beauvoir postuum sympathie wekt, overheerst bij de nagedachtenis van Sartre de onvriendelijke kritiek. Het is niet in de eerste plaats zijn schriftelijke nalatenschap die ergernis oproept, maar zijn persoonlijkheid. En de existentialistische moraal, die hij met kracht uitdroeg: de mens wordt afgerekend op de keuzes die hij maakt, en die natuurlijk de goede keuzes moeten zijn. In casu betekende dat het engagement voor de toekomst volgens Marxistische inzichten.
Dat veel van Sartre’s eigen keuzes achteraf zo’n dubieuze indruk maken, doet afbreuk aan zijn postume roem. De denker die na de oorlog op hoge toon van schrijvers en andere intellectuelen links engagement eiste, zou zelf voor de oorlog stekeblind zijn geweest voor de gevaren van het Nazisme, en zich afzijdig hebben gehouden van alles wat naar verzet tegen de Duitse bezetting van Frankrijk en het fascistoïde Vichy-bewind rook en gewoon doorgegaan zijn met zijn litteraire en filosofische carrière. Hij schreef stukken voor het ‘foute’ blad ‘Comoedia’ en nam in in 1941 Parijs een onderwijsbaan aan, die eerder door een weggezuiverde Joodse docent was vervuld.
De gêne rond Sartre blijft niet beperkt tot de oorlogsjaren. Decennia lang was hij een ‘fellow-traveller’ van het communisme en bezocht maar liefst elf keer de Sovjet-Unie zonder daar ooit iets over te schrijven. Na de revolte van 1968 bekende hij zich tot het Maoïsme en helemaal aan het eind van zijn leven, toen hij al jaren blind was, tot een vorm van joods messianisme. De in tien delen ‘Situations’ verzamelde opstellen en andere meer tijdgebonden geschriften van Sartre – niet zelden afkomstig uit het door hem gedomineerde (en in 2019 opgeheven) tijdschrift ‘Les temps modernes’ – lezen nu meestal als zwaar gedateerde pleidooien voor bedenkelijke totalitarismen en extremismen. Dat hij zich tegen de Sovjet-invasie in Hongarije in 1956, of die in 1968 in Tsjechoslowakije uitsprak, vermag daar weinig aan te veranderen.
In de laatste jaren is daar nog irritatie over Sartre’s seksuele gedrag bijgekomen. Dat Beauvoir amoureuze relaties aanknoopte met leuke meisjes, alvorens deze als bedgenoot naar Sartre verder te geleiden, is iets waarmee je in het #MeToo-tijdperk moeilijk nog mee aan kunt komen. Om nog maar te zwijgen over Sartre’s solidariteitsbetuigingen met de pedoseksuele schrijver Gabriel Matzneff, toen deze in de jaren negentig al in opspraak kwam wegens zijn relaties met kinderen.
De tijd dat het koppel Sartre-Beauvoir door velen, ook in Nederland, werd gezien als de ideale relatie – niet alleen seks en gezelligheid, maar ook goede gesprekken over belangrijke onderwerpen – was toen allang voorbij. Sartre’s onthullende interviews in de jaren zeventig in ‘Le Nouvel Observateur’, over hoe hij bijvoorbeeld nooit de deur uitging zonder 5000 francs op zak, want je wist maar nooit of je een vrouw tegenkwam met wie je wat wilde, werkten in ieder geval op de vrouwen in mijn omgeving sterk ontnuchterend.
De Franse historicus Michel Winock (1937), onder andere auteur van een groot aantal studies over Franse intellectuelen in de negentiende- en twintigste eeuw, vond dat het tijd werd voor wat tegengas. Het is goedbeschouwd ook een beetje gek: Sartre heeft in het naoorlogse Frankrijk jarenlang het intellectuele debat beheerst en was een kracht waar voor- noch tegenstanders omheen konden. En dan zou hij ruim veertig jaar na zijn dood volledig hebben afgedaan? Dat is een lot dat zelfs de vooroorlogse kei van de Franse filosofie Henri Bergson (1859-1941) nog niet heeft getroffen – ook al was diens preoccupatie met tijd en duur misschien wat minder brisant dan Sartre’s hang naar socialistische revolutie.
In ‘Sartre pour mémoire’ doet Winock een poging het beeld een beetje te corrigeren. Hij doet dat door te beschrijven hoe hij Sartre in zijn jonge jaren – als een linkse katholiek met socialistische sympathieën – leerde kennen, gewoon uit de krant, zoals miljoenen anderen. Dit boek is een levensbeschrijving, door iemand die – voor zover dat uit het boek blijkt – de befaamde filosoof zelf nooit heeft ontmoet. Winock volgde, en volgt als biograaf, Sartre in dit lange, van veel voetnoten voorziene essay, op afstand. Als een jonge intellectueel kon je na 1945 eigenlijk niet om Sartre heen, schrijft Winock: hij had een abonnement op het (nog altijd bestaande) maandblad ‘Esprit’, dat aansloot bij zijn eigen politieke attitude, maar net zo goed eentje op ‘Les Temps modernes’, want dat moest je eenvoudig gelezen hebben om mee te kunnen praten.
Winock is dus geenszins iemand die Sartre onverdeeld bewondert. In de laatste twee decennia van het leven van de filosoof was er ook sprake van een weinig verheffende afgang. In de jaren zestig al nam het structuralisme van Claude Lévi-Strauss (1908-2009), Michel Foucault (1926-1984) en anderen als meest modieuze richting in de filosofie het stokje over van Sartre’s existentialisme, zonder overigens de indruk te wekken een soort leidraad voor het menselijk bestaan te kunnen bieden. Tijdens de studentenopstand van 1968 werd Sartre opeens weer vereerd als de aartsrebel, maar in de jaren daarna verloor hij zich goeddeels in een bedenkelijk en in de Franse context steriel Maoïsme – net als een groot deel van de in 68 actieve studenten, moet er eerlijk bij worden gezegd.
De betekenis van Sartre is vooral in de eerste naoorlogse jaren te vinden, toen Frankrijk op zoek was naar een nieuw intellectueel élan en die vond in de sombere gedachten, café’s en liedjes van de Parijse wijk Saint-Germain-des -Prés. Die faam leeft in zekere zin nog altijd voort: in het Café de Flore en in Les Deux Magots, twee café’s die Sartre en Beauvoir vaak bezochten, kun je nog altijd studenten zien zitten – vaak Japanse jonge vrouwen, in mijn beleving – woest schrijvend in een cahier, hopend dat iets van het beroemde paar zal afstralen op hun eigen roman in wording.
Het zijn misschien niet de door Sartre in ‘Les Temps Modernes’ en elders geventileerde standpunten als zodanig die zijn betekenis uitmaakten. Wat de Franse politiek betreft: die ging geheel zijn eigen gang. De communisten waarheen Sartre overhelde, verloren zich in hondentrouw aan Moskou en de sociaal-democraten, onder leiding van François Mitterrand (1916-1996), hielden tot aan het aantreden van generaal De Gaulle stijf vast aan Algerije als Franse kolonie. Met zijn verdediging van de Algerijnse onafhankelijkheid heeft Sartre zeker eer ingelegd, maar zijn faam berust minstens evenzeer op de in geschrifte breed uitgemeten breuk, overgaand in vete, met voormalige vrienden en medestanders als Albert Camus (1913-1960) en Raymond Aron (1905-1983).
Winock trekt een vergelijking tussen Sartre en Victor Hugo (1802-1885), beiden in hun tijd toonaangevende intellectuelen. (Al was die term in Hugo’s tijd nog niet uitgevonden). Een verschil tussen beiden is natuurlijk wel dat Hugo aan de goede kant van de geschiedenis is geëindigd. Na aanvankelijk aan de monarchistische kant te hebben meegedaan aan de onderdrukking van de revolutie van 1848, kwam Hugo later in verzet tegen de machtsgreep van Napoleon III en ging in ballingschap, om vervolgens na 1871 in Frankrijk terug te keren als de heraut van de Derde Republiek. Dat is toch iets anders dan, staande op een leeg olievat, buiten de poort van de Renault-fabriek in Boulogne-Billancourt de arbeiders vergeefs tot een proletarische revolutie oproepen, zoals Sartre in 1970 gedaan heeft. Aan de door de filosoof bezworen solidariteit tussen intellectuelen en arbeiders bleek onder de laatsten bitter weinig behoefte te bestaan. Miljoenen stonden echter langs de rouwstoet van Hugo in 1885.
Historisch gelijk hebben is echter ook niet alles. Dat blijkt wanneer je Sartre vergelijkt met Raymond Aron, de jeugdvriend met wie Sartre brak en over wiens politieke houding hij, op z’n zachtst gezegd, nogal nare dingen heeft geschreven. Aron was een verstandige liberaal, democratisch gezind, wars van dictaturen en tolerant – allemaal dingen die Sartre niet was. Maar niemand heeft het, sprekend over het intellectueel klimaat na 1945 over ‘les années Aron’. ‘Les années Sartre’ daarentegen – dat zou best kunnen.
Michel Winock: Sartre pour mémoire. Flammarion 2026
Afbeeldingen: 1. Sartre en Beauvoir thuis in 1963. Foto van Gisèle Freund (1908-2000) (Centre Pompidou); 2. Sartre en Beauvoir in 1939, staande voor het standbeeld van Balzac aan de Boulevard Raspail van Auguste Rodin. (fotograaf onbekend) ; 3. Sartre staande op een leeg vat voor de uitgang van de Renault-fabrieken in Boulogne-Billancourt op 21 oktober 1970. (Foto AFP).



Geef een reactie