
Er is geen recept. Vroeger, toen voor mijn generatie oorlog nog een volstrekt theoretisch concept leek, was het makkelijk positie kiezen: natuurlijk moest oorlog worden afgewezen, als concept. Wat overigens meningsverschillen over de noodzaak van bewapening – ‘si vis pacem, para bellum’ – niet uitsloot; zie bijvoorbeeld de protesten in de jaren 1980 tegen de kruisraket, waaraan ik niet heb meegedaan. Ik geloofde wel in het gevaar voor de democratie uit het Oosten, daarom was ik ook in dienst geweest.
Maar erg veel maakte het niet uit, per saldo, voor mijn generatie. Het was volkomen duidelijk waar iedereen, of bijna iedereen stond: tegen oorlog, behalve misschien oorlogen in landen die voor hun vrijheid vochten, en die altijd ver weg waren. Iets van dat tot niets verplichtende, eigenwijze en ook wel naïeve engagement zag je dit jaar nog terug in de ‘rode lijn’-betogingen: vrolijke eensgezindheid over de onaanvaardbaarheid van het gebeuren in Gaza, waaraan wij zelf part noch deel hebben..
En nu zijn er ook al betogingen voor vrede op de Dam, met een voorshands nog wat vaag programma, maar voornamelijk gericht tegen de verhoging van de defensie-uitgaven nu de VS niet meer voor onze militaire bescherming tekenen, en het militarisme van Rusland steeds maar toeneemt. Er staan op de Dam nog nét geen demonstranten met spandoeken als ‘geef Oekraïne maar aan Poetin’, maar het komt daar natuurlijk wel op neer. Het patroon is bekend: laten we vooral niet interveniëren in de Spaanse Burgeroorlog, en geef de Sudeten maar aan Hitler, want het alternatief is oorlog en daar hebben we helemaal geen zin in. Lafheid en defaitisme worden vermomd als hoogstaand moralisme en principes.
Maar het tegenovergestelde is ook moeilijk te verkopen. Ik zou niemand weten, die openlijk bepleit dat de Navo, of Europa met wapenen of manschappen ingrijpt aan het Oekraïense front, hoezeer president Poetin ook roept dat wij staan te popelen dat te doen. De mogelijkheid dat Oekraïne in de lopende oorlog het onderspit delft, is gewoon een mogelijkheid waarmee in West-Europa niemand rekening lijkt te willen houden – ook al ziet het er voor Oekraïne dezer dagen niet goed uit. Zodat de basis-vraag die vrijwel niemand in mijn generatie verwacht had – wel of geen oorlog – vooruit wordt verschoven. Verdaagd sine die.
In dit licht is het geen slecht idee, eens te kijken hoe grote geesten eerder in de geschiedenis met dit vraagstuk zijn omgegaan. Dat heeft de Nederlandse auteur Bart Slijper, eerder onder andere bekend als biograaf en van een onconventioneel portret van de Tachtigers, gedaan in ‘Zwijgen is nu een misdaad’. De opzet van het boek is bepaald origineel. ‘Toonaangevende Europese schrijvers tijdens de Eerste Wereldoorlog’ luidt de ondertitel, maar het is meer dan een opsomming van standpunten. Slijper beschrijft een informeel netwerk van vooraanstaande Europese intellectuelen en vertelt hoe zij in de loop van de Eerste Wereldoorlog steeds meer afkeer kregen van de oorlog – sommigen pas na enige jaren of met enig voorbehoud. (Tekst gaat door de afbeelding)

In het hart van het web bevindt zich de eens zeer beroemde, maar nu goeddeels vergeten Franse schrijver Romain Rolland (1866-1944). Hij was de auteur van de tussen 1904 en 1912 verschenen, tiendelige romancyclus ‘Jean Christophe’, waarin de culturele verbondenheid tussen Frankrijk en Duitsland een belangrijk thema is. Bij het uitbreken van de Eerste wereldoorlog bevindt Romain Rolland zich in het neutrale Zwitserland en blijft daar ook in de oorlogsjaren.
Het biedt hem de gelegenheid om – binnen de door de Zwitserse overheid opgelegde normen voor onpartijdigheid – zijn afkeer van de oorlog te belijden. Ook is hij actief betrokken bij het werk van Internationale Rode Kruis, waar dagelijks hartverscheurende berichten binnen komen over gesneuvelde, of vermiste soldaten uit de oorlogslanden en hun nabestaanden smeken om berichten over hun lot. Standplaats Zwitserland – de omgeving van Genève in het onderhavige geval – biedt ook het voordeel dat tussen het neutrale Zwitserland en de oorlogslanden briefverkeer mogelijk is. Tussen de oorlogslanden onderling was het veelal bijna onmogelijk brieven te versturen.
Maar bovenal is Rolland de auteur van een van de mooiste anti-oorlogsteksten ooit geschreven: ‘Au dessus de la mêlée’, verschenen in het Journal de Genève van 22/23 september 1914. Nog maar een maand na het begin van de oorlog is het de schrijver duidelijk dat er iets onherstelbaars is gebeurd, dat het jeugdig heldendom dat zich in de strijd werpt zijn bloed verspilt, dat schrijvers en andere creatieve geesten alles op alles moeten zetten om de Europese naties weer in vrede met elkaar te laten leven, en ook dat zulke gedachten vermoedelijk nog geruime tijd wensdromen zullen blijven. De tekst levert Rolland vele woedende reacties in zijn vaderland op.
Een tweede wat vergeten Franse schrijver die door Slijper in het zonnetje wordt gezet is Roger Martin du Gard (1881-1959), die overigens de oorlogsjaren als dienstplichtige onder de wapenen doorbrengt, met een functie in de intendance. Hij onderhoudt contact met Rolland, maar zijn opvattingen over de oorlog komen pas na de oorlog duidelijk aan het licht in de tussen 1922 en 1940 verschenen, achtdelige romancyclus ‘Les Thibault’.
Zijn afkeer van de oorlog werd in eerste instantie ingegeven door de eigen belevenissen als militair, maar het was terwijl de oorlog nog gaande was, moeilijk zulke gevoelens in geschrifte te uiten. ‘Les Thibault’, waarvoor Martin du Gard in 1937 de Nobelprijs ontving – Rolland kreeg die trouwens tijdens de oorlog in 1915 – is het verhaal van twee groot-burgerlijke families aan het begin van de twintigste eeuw. De romancyclus heeft vermoedelijk sterk bijgedragen aan een beeld van de Eerste Wereldoorlog dat inmiddels min of meer gemeengoed lijkt geworden: hoe de vrolijke ‘Bel Époque’ ongemerkt weggleed in een vreselijke internationale slachtpartij, die het optimisme en de technische vooruitgang in de decennia ervoor in een geheel ander daglicht zette.
Een andere auteur die sterk heeft bijgedragen aan het beeld dat de Eerste Wereldoorlog een culturele cesuur is geweest, de Oostenrijker Stefan Zweig (1881-1942), wiens ‘Die Welt von Gestern’ nog altijd druk gelezen wordt. Ook dat boek beschrijft de Eerste Wereldoorlog als de ondergang van een beschaafde wereld, van verfijning en tolerantie. Het boek is echter pas lang na de oorlog geschreven en gepubliceerd in 1942, na Zweigs zelfmoord in Brazilië.
Uit zijn later ontdekte dagboeken blijkt dat Zweig in 1914 wel degelijk het nationalistische hart voelde kloppen. Op 19 september 1914 verschijnt bovendien een stuk van Zweigs hand in het Berliner Tageblatt dat ‘An die Freunde in Fremdland’ heet. Daarin schort Zweig alle vriendschappen op, die hij in de jaren daarvoor in heel Europa heeft opgedaan. Op dit moment telt alleen de Natie, schrijft hij.
Een andere schrijver die zich vierkant achter de Duitse oorlogsinspanning opstelt is Thomas Mann (1875-1955), een gevierd schrijver sinds de publicatie van de ‘Buddenbrooks’ in 1901. In november 1914 publiceert hij in het tijdschrift Neue Rundschau ‘Gedanken im Kriege’, een viering van de oorlog tussen wat Mann als Duitse ‘Kultur’ en Franse ‘Civilisatie’ beschrijft, waarbij die Kultur veel hoger staat, omdat zij organisch en tijdloos is. De Duitse overwinning kan dus niet uitblijven, meent Mann.
De geschriften van Mann en Zweig laten niet na in Europese intellectuele milieus opschudding te wekken. Maar naarmate de oorlog voortduurt, en de zinloosheid van de miljoenen geofferde levens duidelijk wordt, slijten de tegenstellingen een beetje, ook nadat iedereen elkaar in het neutrale Zwitserland weer heeft getroffen. Het duurt overigens tot 1922 totdat Thomas Mann zich tot de democratie zal bekeren.
Slijper behandelt in zijn uiterst onderhoudende boek nog meer schrijvers: Marcel Proust (wel een beetje buitenbeentje in dit verhaal), Joseph Roth, Ernst Toller en Konstantin Paustovski. De enige Nederlander die op dit internationale niveau kan meekomen is de schrijver-psychiater Frederik van Eeden (1860-1932), die correspondeert met Rolland. In 1915 wordt hij redacteur van het weekblad De (Groene) Amsterdammer en weet dan voor een artikelenreeks een brief over de oorlog los te peuteren van collega-psychiater Sigmund Freud (1856-1939). De vader van de psychoanalyse ziet de oorlog als een bewijs voor zijn opvatting ‘dat de primitieve, wilde en kwaadaardige impulsen van de mensheid bij geen enkeling zijn verdwenen, doch nog voortbestaan ofschoon verdrongen, in het onbewuste, zoals wij in onze kunsttaal zeggen, en op een aanleiding wachten om zich weer te manifesteren. Ze heeft ons verder geleerd dat ons intellect een zwak en afhankelijk ding is, een speelbal en werktuig van onze driften en hartstochten, dat we ons allemaal scherpzinnig of zwakzinnig moeten gedragen, al naar gelang onze instellingen en innerlijke weerstanden gebieden’.
‘Zwijgen is nu een misdaad’ is een boek zonder een duidelijke uitkomst. De toongevende figuren van de Europese literatuur waarover het gaat, hebben op het verloop, of de beëindiging van de Eerste Wereldoorlog geen, of geen noemenswaardige invloed uitgeoefend. De ‘misdaad’ waarvan sprake is, die van het zwijgen, is er eentje tegen het eigen-, of het universele geweten. Maar weigeren om met kracht op te komen tegen een staat als Rusland die een buurstaat en volk wil elimineren, kun je best ook zo’n misdaad noemen. Een gruwelijk dilemma herhaalt zich, waarvan mijn generatie gehoopt had dat het verleden tijd was.
Bart Slijper: Zwijgen is nu een misdaad. Toonaangevende Europese schrijvers tijdens de Eerste Wereldoorlog. Prometheus 2026.
Enkele links naar hierbovengenoemde teksten: 1. ‘Au dessus de la mêlée’ van Romain Rolland: https://www.letempsarchives.ch/page/JDG_1914_09_22/5 ; 2. ‘An die Freunde im Fremdland’ van Stefan Zweig: https://www.asymptotejournal.com/nonfiction/stefan-zweig-to-friends-in-foreign-land/german/ ; 3. ”Gedanken im Kriege’ van Thomas Mann: https://www.thomas-mann-gesellschaft.de/files/Tagung_2025/Thomas%20Mann%20-%20Gedanken%20im%20Kriege.pdf ;4. Artikel van Frederik van Eeden en brief van Sigmund Freud in De Groene Amsterdammer van 15 januari 1915: https://www.groene.nl/artikel/offener-brief-an-unsere-deutschen-freunde
Afbeeldingen: Houtsneden van de Vlaamse kunstenaar Frans Masereel (1889-1972) op de voorpagina het het pacifistische tijdschrift ‘Les Tablettes’, dat tussen 1916 en 1919 in Genève verscheen. (Frans Masereel Stiftung).


Plaats een reactie