
In de geschiedenis van het antisemitisme was de Nazi-periode zonder twijfel het hoogtepunt. Antisemitisme – het woord dateert uit de tweede helft van de negentiende eeuw maar jodenhaat bestond al vele eeuwen eerder – werd in Hitlers Derde Rijk verbonden met een systematische uitroeiingscampagne, die niemand tegenwoordig meer openlijk wil verdedigen. De tijd is voorbij dat in de openbaarheid iemand zich openlijk ‘antisemiet’ kon noemen – zoals in de negentiende eeuw in bijvoorbeeld Frankrijk en Duitsland nog het geval was. In veel landen zijn antisemitische uitingen gelukkig ook strafbaar.
Maar wie had gehoopt dat na 1945 antisemitisme als verschijnsel ook tot het verleden behoorde – overigens is ‘semieten’ een wetenschappelijk klinkende term waarmee meestal gewoon Joden bedoeld worden – komt bedrogen uit. In allerlei hoeken en gaten duiken elementen uit het antisemitisch vertoog weer op – al of niet vermomd als anti-Israëlische-, anti-Zionistische- of anti-kapitalistische kritiek. Oude fabels en fantasieën over Joodse almacht, Joodse karaktereigenschappen en wat al niet blijken in het eerste kwart van de één-en-twintigste eeuw springlevend.
De Franse mediëvist Pierre Savy en de Franse politicoloog Lisa Vapné hebben in ‘Brève histoire des croyances et préjugés antisemites’ willen nagaan waaruit het repertoire van het antisemitisme eigenlijk bestaat, van welke vooroordelen en fantasieën de antisemieten en jodenhaters uit heden en verleden zich bedienen en wat – voor zover dat valt na te gaan – de wordingsgeschiedenis van zulke waandenkbeelden is. Het gaat hier – om misverstanden weg te nemen – dus niet om een geschiedenis van de antisemitische praktijk, maar om een kritische ideeëngeschiedenis.
Het eerste wat opvalt is de lange geschiedenis van zulke ideeën. De Romeinse geschiedschrijver Tacitus (55-120) geeft al een buitengewoon hatelijk beeld van de Joden, wier tweede tempel in Jeruzalem door Romeinse troepen in 70 is verwoest. Joden zouden, volgens Tacitus, een hooghartig volk van slaven zijn, dat weigert de goden van andere volkeren te erkennen (zoals bij Grieken en Romeinen gebruikelijk was) en weliswaar opvallend wellustig is ingesteld maar niet het bed wil delen met aanhangers van andere religies – vandaar de besnijdenis opdat Joden elkaar bij seks kunnen herkennen. Tacitus is geenszins de enige Romeinse auteur met zulke ideeën – ze komen bijvoorbeeld ook voor in de ‘Satiren’ van Juvenalis (60-?).
De bezwaren van deze auteurs richten zich niet op Joden als volk, maar als dragers van een in hun ogen belachelijke monotheïstische ideologie. Dat zulke bezwaren een zekere actualiteit hadden behouden, ondanks het feit dat de Joden sinds de Romeins-Joodse oorlogen in de eerste eeuw geen eigen land meer hadden, hangt volgens Savy en Vapné misschien samen met het feit dat het Christelijk geloof – oorspronkelijk een Joodse sekte en derhalve ook monotheïstisch – in de eerste eeuwen van de jaartelling heel groot wordt en op den duur in Europa de dominante religie. Het Jodendom is als een lastige dissonant bij de zegetocht van het Christendom.
Overigens verschijnt in de vierde eeuw (na Chr.) ook de gedachte aan liquidatie van Joden in beeld. Het bijbelboek Ester, dat mogelijk in die tijd zijn nu bekende vorm heeft gekregen, verhaalt van de Joodse Ester die (in de vijfde eeuw voor Chr.) haar echtgenoot, koning Ahasverus, er van afhoudt alle Joden te laten vermoorden, omdat deze onbetrouwbare onderdanen zouden zijn. (Overigens is dat verhaal de basis van het Joodse Poerim-feest).
Naarmate de Christelijke kerk – in casu de Katholieke – een duidelijker vorm en structuur krijgt, lijkt het voortbestaan van een relatief kleine minderheid die de Christelijke Heiland nadrukkelijk afwijst steeds meer irritatie op te wekken. Net als de Christelijke kerk maakt ook het Joodse geloof door de eeuwen heen een institutionele ontwikkeling door. Terwijl aan de Christelijke kant een structuur met bisdommen en een paus vorm krijgt, en talloze concilies de geloofsleer nader preciseren en verfijnen, maakt de Joodse religie na het jaar 70 een ontwikkeling door waarbij rabbijnen de geloofsleer nader uitwerken, en vaak grote groepen volgelingen weten te mobiliseren.
Wanneer het Vierde Lateraans Concilie in 1215 de weg van tovenarij inslaat met de afkondiging van het dogma dat bij de eucharistie wijn en brood daadwerkelijk veranderen in bloed en lichaam van Christus, is dat ook aanleiding tot de afkondiging van anti-joodse maatregelen, zoals de verplichting dat Joden duidelijke tekens moeten dragen. Het is ook niet toevallig dat juist deze tijd ook Joden van hun eigen tovenarij worden beschuldigd. Geheime rituelen en kindermoord – om maar enkele anti-joodse fantasieën te noemen – vormen een negatieve spiegel van het opkomend Christelijke wondergeloof.
Veel huiver in de katholieke clerus wekt ook de veronderstelde inhoud van de Talmoed – zonder dat daarover buiten Joodse kring veel bekend is. In 1242 vindt in Parijs een eerste openbare verbranding van de Talmoed plaats, op initiatief van de tot het Christelijk geloof bekeerde Nicolas Donin.
Zulke beschuldigingen van geheime wandaden hebben een lang leven. Dat geldt ook voor de beschuldiging van ‘deïcide’, de gedachte dat de Joden collectief schuld dragen aan de dood van Christus – een dogma van het Katholicisme waaraan pas het Tweede Vaticaans Concilie in 1965 een einde heeft gemaakt. Het verwijt van deïcide is vaak gerechtvaardigd met de bijbelpassage Matteüs 25:27, waarin de menigte na Christus’ veroordeling door Pontius Pilatus uitroept: ‘Zijn bloed kome over ons en onze kinderen’. Er is wel enige intellectuele gymnastiek voor nodig, om in een reactie op een daad van de Romeinse justitie een collectieve schuldbekentenis van een volk te zien. Het is trouwens niet alleen de Katholieke kerk, die in zulke fantasieën grossiert. Ook Maarten Luther (1483-1546) betoont zich een overtuigd Jodenhater.
Savy en Vapné zien het verwijt van deïcide min of meer als het begin van het moderne antisemitisme, omdat de anti-joodse ideeën langzamerhand de theologische bezwaren gaan overstijgen en zich gaan richten op een geloofsgemeenschap die als een ‘volk’ beschouwd gaat worden, als een ‘ras’ in de terminologie van de negentiende eeuw, en waaraan collectieve psychologische-, karakter- en zelfs fysieke kenmerken worden toegekend.
Een van de meest verbreide waandenkbeelden is dat Joden enorm van geld zouden houden – een verwijt dat overigens ook voorkomt in de documenten van het Vierde Lateraans Concilie. Waar in de middeleeuwen christenen theologische bezwaren hebben tegen uitlenen van geld tegen rente, wordt dat vaak een economische activiteit van Joden (en andere buitenlanders, zoals Lombarden, vandaar het woord ‘lommerd’ voor een bank van lening). Maar zoals vaak bij antisemitisme, gaat een nuttige activiteit gepaard met vooroordelen: het beeld van de Joodse ‘woekeraar’ ontstaat, die het op de centen van eerlijke Christenen heeft voorzien.
Dit beeld is buitengewoon hardnekkig. In het begin van de negentiende eeuw sticht Anselm Rothschild (1744-1812) in Frankfurt een bank die zich aanvankelijk vooral met de financiering van militaire campagnes tegen het Frankrijk van Napoleon bezig houdt. In 1817 wordt hij wegens deze nuttige arbeid zelfs door de Oostenrijkse keizer in de adelstand verheven. Maar terwijl de bank Rothschild zich in de negentiende eeuw in een bancaire multinational ontwikkelt, ontwikkelen zich ook de fabeltjes over de geheime politieke macht en mogelijke manipulaties van deze bank en Joden in het algemeen. Tot op de huidige dag: Franse antisemieten (of anti-democraten) spreken vaak meesmuilend over het gegeven dat de Franse president Emmanuel Macron zijn professionele carrière bij de Rothschild-bank is begonnen.
De Franse revolutie heft in 1791 alle discriminerende bepalingen tegen Joden op. Dat mag niet verhinderen dat, de hele negentiende eeuw door, Frankrijk mede de bakermat is van vele, vaak pseudo-wetenschappelijk gefundeerde, antisemitische campagnes, met als hoogtepunt de publicatie in 1884 van ‘La France juive’ van Édouard Drumont (1844-1917). Veel oudere fabels over Joden worden met nieuwe ‘argumenten’ herhaald, zoals de gedachte dat Joden ziekte verspreiden – al in omloop sinds 1321, toen het gerucht de ronde deed dat Joodse leprozen waterbronnen vergiftigden in Périgeux. Zulke denkbeelden leven nog in 1952, wanneer Stalin maatregelen neemt tegen de in meerderheid joodse Kremlin-artsen die van plan zouden zijn de Sovjet-top te vermoorden. Gif wordt geacht een bij uitstek Joods wapen te zijn, passend bij de veronderstelde geniepigheid waarmee Joden te werk gaan.
Er wordt ook zoiets als een Joods lichaam uitgevonden, met de bekende kromme neus, spitse vingernagels, en een typerende grimas. In de middeleeuwen zijn er ook al zulke afbeeldingen bekend, maar dan gaat het meestal om de afbeelding van alle niet-christenen, zoals Sarrasijnen, niet alleen om Joden. De nieuwe iconografie van Joden lijkt mede bedoeld om tegemoet te komen aan de gevoelde behoefte, Joden duidelijker te kunnen herkennen in het maatschappelijk leven. Deze angst lijkt terug te gaan op de ervaringen in het vijftiende-eeuwse Spanje, toen de Spaanse Inquisitie meende dat veel onder dwang bekeerde Joden thuis trouw bleven aan het Jodendom, waarna in 1492 alle Joden, bekeerd of niet, uit Spanje werden verdreven.
Ook seks is een antisemitisch thema. Joodse mannen wordt een extreme viriliteit toegeschreven, terwijl Joodse vrouwen opmerkelijk mooi zouden zijn. Vaak worden door antisemieten Joden tegenstrijdige dingen verweten: zij zouden centraal staan in een kapitalistische wereldorde die eerlijke mensen vertrapt, en tegelijkertijd wordt hen verweten de bestaande orde te willen vernietigen, bijvoorbeeld door hun steun aan het communisme.
Het is in het licht van recente ontwikkelingen belangrijk om te benadrukken dat al ruim voor de stichting van de staat Israël, Joden er door antisemieten van werden beschuldigd een dubbele loyaliteit te hebben – dus niet uitsluitend loyaal te zijn aan het land waar zij wonen, of zelfs helemaal niet. Dat is bijvoorbeeld een van de gedachten in ‘De protocollen van de wijzen van Sion’, een in 1903 voor het eerst opgedoken geschrift dat vermoedelijk het meest vertaalde en gelezen antisemitische manifest ooit is, ondanks het warrig karakter van de tekst. Het geschrift, waarvan de oorsprong nooit duidelijk is komen vast te staan, gaat uit van een streven naar joodse wereldheerschappij. Ook de affaire Alfred Dreyfus, een complot tegen een joodse officier, ging uit van de gedachte dat een Jood niet trouw kon zijn aan Frankrijk, terwijl alles op het tegendeel wees.
De staat Israël geeft wel steeds voedingsbodem aan bepaalde vormen van antisemitisme. Sovjet-propaganda stelt, vooral na de Zesdaagse oorlog in 1967, Zionisme vaak gelijk met racisme – een redenering die vooral in landen van de Derde wereld een gunstig onthaal vindt. In het verlengde van zulke redeneringen wordt, vooral in de VS, vaak benadrukt dat de Transatlantische slavenhandel vanaf de achttiende eeuw vooral in Joodse handen zou zijn geweest. Er zijn ook vormen van ‘philsemitisme’ (dat wil zeggen liefde voor joden) waarvan je je kunt afvragen of die niet juist antisemitisch uitpakken. Zo zijn er in de VS evangelische Christenen actief die zich als ‘Christelijke Zionisten’ omschrijven. Hun programma is paradoxaal: pas wanneer alle joden zijn ‘teruggekeerd’ naar het Heilige land kan Christus wederkomen op aarde en verdwijnt dus ook het Jodendom.
Joden lijken geen goed te kunnen doen in de ogen van antisemieten. Zijn ze slim in de omgang met geld, dan zijn ze gierig. Zijn ze getalenteerde violisten, dan zijn het larmoyante zwijmelaars. Zijn het harde werkers, dan worden ze verteerd door ambitie. Vormen ze de kerm van maatschappelijke of kunstzinnige avantgarde, dan doen ze aan subversie van schoonheid en staat. Tonen ze zich solidair, dan vertonen ze clan-gedrag. Enzovoorts, enzovoorts. Het antisemitisch repertoire schijnt onuitputtelijk – te veel voor een blog of voor een heel boek.
Pierre Savy, Lisa Vapné: Brève histoire des croyances et préjugés antsemites. Éditions du Seuil 2026.
Afbeelding: ‘Le roi Rothschild’, antisemitische cartoon van Charles Lucien Léandre 91862-1934). Voorplaat van het satirisch weekblad ‘Le Rire’ van 16 april 1898.

“De staat Israël geeft wel steeds voedingsbodem aan bepaalde vormen van antisemitisme”, schrijft u, terwijl u eerder in uw verhaal o.a. het antizionisme losjes bij “elementen uit het antisemitisch vertoog” veegt. Dat had u in het huidige tijdsgewricht wel wat mogen onderbouwen.
Waarom zo veel Joden vanwege het bewind Netanyahu antizionist worden, bijvoorbeeld. Een proces dat trouwens langzaam begonnen is sinds het revisionistische (= terroristische) Jabotinsky-variant van het zionisme in Israël dominant is geworden, met (voormalige) terroristenleiders als Begin en Shamir als (Likud) premiers. Het is uitgemond in de huidige extreem-rechtse regering met deelname van de Kahanistische (= fascistische) ministers Ben-Gvir en Smotrich. Israël is vooral daardoor (en mijns inziens) tot de belangrijkste aanjager van het “toenemende” antisemitisme verworden.
Ik zeg niet dat het antisemitisme niet toeneemt, maar door de herdefiniëring van antisemitisme door de International Holocaust Remembrance Alliance is die “toename” niet meer helder te onderbouwen. Daardoor valt nu ook een groot deel van de politieke kritiek op de staat Israël onder de definitie van ‘antisemitisme’, wat democratie-ondermijnende gevolgen heeft, en Joden wereldwijd onnodig aan gevaar blootstelt.
Uw betoog laat deze ontwikkelingen ten onrechte buiten beschouwing, terwijl ze essentieel zijn om het hedendaags antisemitisme te begrijpen en te bestrijden.
LikeLike