Was 2019 een sleuteljaar? Of liever 1979, 1969, of 1848?

Wat heeft het jaar 2019 ons gebracht? Was het een keerpunt? Alleen de vragen al brengen onaangename herinneringen op gang, niet aan het voorbije jaar, maar aan een bepaald soort bedompte oudejaarsavond-vieringen van vroeger: met het sombere gezang ‘Uren, maanden, dagen, jaren / vlieden als een schaduw heen’, van een eindeloze avond (is het nou nóg geen 12 uur?), van oud-tantes met tranen in de ogen omdat ‘oom X’ het niet meer kan meemaken, van dominees die op de verzuilde radio tot ‘bezinning’ en ‘een moment stilstaan bij’ oproepen.

Wat mij betreft gaat de jaarwisseling geheel ten onder in zoveel mogelijk champagne, dansen en ander lichtvoetig vermaak – zoals de spectaculaire illegale vuurwerkshow die de laatste arbeidersfamilie in mijn veryupte stadswijk jaarlijks aanricht. Al weken is mijn buurt één enorme bom omdat de uit België aangevoerde contrabande, in verband met een mogelijke politie-inval, verspreid over auto’s in de hele wijk verstopt is. Maar dan heb je ook wat: de nieuwe ‘roaring twenties’ kunnen straks beginnen!

Bedenken of een bepaald jaar bijzondere betekenis heeft, is over het algemeen weinig zinvol. Er zijn natuurlijk jaren waarin dingen zijn gebeurd die grote gevolgen hebben gehad – 1789, 1914, 1938, 1945, 1968, 1989 enz. – maar dat is iets anders dan een jaar als historische wende aanwijzen. Toch blijft dat onder denkers kennelijk een geliefde bezigheid, en het aardigste is natuurlijk als je een jaar kunt aanwijzen als kardinaal moment dat voorheen aan ieders aandacht was ontsnapt. Voor mij liggen twee publicaties waarin 1979 wordt aangewezen als hét jaar waarin onze huidige wereld is begonnen.

Het aardige Franse, tweemaandelijkse tijdschrift ‘Le débat’ laat een rijtje deskundigen beschouwingen schrijven over ontwikkelingen in 1979 waarvan het belang, zegt de redactie, in de tijd zelf werd miskend, zo niet als bijzaak afgedaan, maar die niettemin bepalend zijn gebleken voor de contouren van onze huidige tijd.

Met de verkiezing van Ronald Reagan kregen de Verenigde Staten nieuw zelfvertrouwen op het wereldtoneel. De verkiezing van Groot-Brittannië van Margaret Thatcher luidde een ontwikkeling in naar een hardere vorm van kapitalisme met minder sociaal vangnet. De verkiezing van de Poolse paus Johannes-Paulus II was het begin van het einde voor de Europese deling in twee ideologische kampen. De revolutie in Iran, destijds vooral gezien als een ‘gewone’ revolutie in een land waar de oppositie meestal links was, ontpopte zich tot een islamitische revolutie, betekende de geboorte van een anti-westerse islam, en meer in het algemeen de wederkeer van religie als factor in het wereldgebeuren. De Sovjet-Unie misrekende zich door Afghanistan te bezetten, in de gedachte dat het land een nieuwe parel van het Oostblok zou zijn – in werkelijk werd daarmee de ondergang van de Sovjet-Unie als supermacht ingezet. Deng Xiaoping brak met de maoïstische doxa en legde de grondslag voor de economische supermacht China van nu.

Volgens hetzelfde stramien, maar met meer historische stelligheid, gaat de historicus Frank Bösch te werk in zijn boek ‘Zeitenwende 1979’. ‘Als die Welt von heute begann’ is de ondertitel, voor wie de bedoeling nog niet duidelijk was. ‘Die Welt im Umbruch’ van Bösch kent behalve de al in ‘Le Débat’ genoemde, nog een aantal andere sleutelmomenten, die vooral op (links) Duitsland betrekking hebben: de solidariteit met de revolutie in Nicaragua, de opvang van Vietnamese bootvluchtelingen in Duitsland, de oprichting van de Duitse ‘Grünen’, en de vertoning van de Amerikaanse tv-serie ‘Holocaust’ op de Duitse televisie, die menig Duitser de ogen opende voor nationale wandaden in het verleden.

Bösch, die hoogleraar Europese geschiedenis aan de Universiteit van Potsdam is, poneert de naar mijn smaak ietwat dubieuze stelling dat – eigenlijk voor het eerst sinds 1945 – gebeurtenissen in een ver buitenland directe repercussies hadden op de politieke meningsvorming en stemming in de bevolking van Duitsland en andere West-Europese landen, terwijl regeringen eigenlijk niet in de gaten hadden dat de wereld ingrijpend veranderde.

Dat lezende moest ik denken aan heftige meningsverschillen op de buitenland-redactie van NRC Handelsblad waar ik toen werkte (en die gevestigd was in een hoek van een buitengewoon benauwd zaaltje aan de Rotterdamse Witte de With-straat dat nu geen Arbo-goedkeuring meer zou wegdragen). Er waren twee kampen ter redactie. De traditionelen wilden de bestaande ‘focus’ van de berichtgeving op de Oost-West-verhoudingen volhouden, en het andere kamp – onder leiding van de chef, Steven de Winter – meende dat de nadruk op Noord-Zuid moest vallen: in de Derde Wereld, daar gebeurde het. Het liep hoog op, maar het eind van het liedje was dat de krant het allebei heeft gedaan.

1979 is niet het enige jaar dat in aanmerking komt als keerpunt te worden aangemerkt. Brice Couturier, auteur van een dagelijkse kroniek op de radiozender France Culture, schreef het boek ‘1969, année fatidique’ (het noodlottige jaar). Net als Bösch acht hij het kennelijk nodig de importantie van keuzejaar er met een ondertitel in te heien: ‘Tout est parti de là’ (daar is het allemaal mee begonnen).

Couturiers keuze voor 1969 is in die zin een kleine provocatie omdat in Frankrijk natuurlijk vooral 1968 geldt als het jaar waarin de jeugd zich deed gelden, cultureel en (links-)politiek, en cultureel een nieuw, informeler tijdperk aanbrak. Voor Couturier is daar niets van aan: rechts verstevigde zijn greep op de macht, en de nieuwe culturele trends vonden binnen de kortste keren hun vertaling in de kapitalistische markteconomie en de levenswijze van brede lagen van de bevolking. Geen anti-autoritaire revolutie, maar een nieuwe normatieve consensus.

Couturier verwondert zich erover hoe snel de zittende machten en elites zich de waarden van vrij individualisme en zelfs die op het gebied van liefde en seks eigen hebben gemaakt. Iets dergelijks deed zich trouwens ook voor in Nederland – zoals James Kennedy heeft laten zien in zijn ‘Nieuw Babylon in aanbouw’ uit 1995. De jeugd van de jaren zestig stelde zich voor te vechten tegen een bierkaai van conservatisme en burgerlijke bekrompenheid. Maar niets daarvan – althans in Frankrijk en Nederland: de ‘bourgeoisie’, of zo je wilt het ‘klootjesvolk’ bewoog gewoon mee.

Het is wel een leuk spelletje, sleuteljaren aanwijzen, maar het is ook – zeker op mondiale schaal – een beetje loze exercitie omdat het oorzakelijk verband tussen ongelijksoortige verwikkelingen zo moeilijk te leggen is. Ofschoon dat onuitgesproken blijft in ‘Le Débat’ en bij Bösch, lijkt deze benadering toch net iets te veel op XIX-de-eeuwse beweringen over de onzichtbare hand van de Geest des tijds, à la Hegel, om overtuigend te zijn.

Dan is de benadering van de Britse historicus Christopher Clark mij liever. In een in de ‘London Review of Books’ afgedrukte lezing vroeg hij zich af: ‘Why should we think about the Revolutions of 1848 now?’ Zoals bekend waren er in heel Europa in 1848 revoluties of pogingen daartoe. Ik leerde vroeger dat in Nederland alles rustig was gebleven, maar sinds de jaren zeventig weten we dat er zelfs in Nederland onrust was, met relletjes op de Dam in Amsterdam en opruiende taal van uit Duitsland afkomstige volksmenners.

Die synchroniciteit van de revolutiepogingen in 1848, die vrijwel geen Europees land onverlet lieten, is moeilijk te verklaren en doet in dat opzicht wel een beetje denken aan de ‘Arabische lente’ van een paar jaar geleden. ‘1848’ had met die ‘Lente’ gemeen dat de revoluties en revoltes grandioos mislukten en min of meer bloedig werden onderdrukt – het meest spectaculair in Duitsland, waar de studentikoze aanzet tot een Duitse eenheidsstaat van democratische snit vanuit een parlement in Frankfort faliekant de mist inging.

De stelling van Christopher Clark is dat – terugkijkend – 1848 wel degelijk een sleuteljaar geweest is, alleen niet op de manier die de revolutionairen in de zin hadden. De meeste Europese natiestaten veranderden onder druk van de contestatie van politieke cultuur: op de tijd van politieke polarisatie (Zeitalter der Verfassung) volgde een ‘Zeitalter der Verwaltung’, waarin redelijk en slim bestuur belangrijker werd dan politieke passies. Er ontstond een politiek centrum dat de linkse en rechtse contestanten grotendeels de wind uit de zeilen nam. Misschien betekent de stijgende politieke opwinding van onze tijd dat men in veel landen is uitgekeken op politici die niet meer voor grote ideeën, maar nog slechts voor redelijk bestuur staan.

Onze jaren zijn dan een soort ‘anti-1848’. Kijk eens: toch nog een mooie oudejaarsavond-gedachte.

+ Le Débat, 2019/5 nr. 207, novembre-décembre 2019. Gallimard 2019
+ Frank Bösch: Zeitenwende 1979. Als die Welt von heute begann. C.H. Beck 2019
+ Brice Couturier: 1969, année fatidique. Tout est parti de là. L’Observatoire 2019.

Het genoemde artikel van Christopher Clark staat hier:
https://www.lrb.co.uk/v41/n05/christopher-clark/why-should-we-think-about-the-revolutions-of-1848-now
De kronieken van Brice Couturier zijn hier te vinden:
https://www.franceculture.fr/emissions/le-tour-du-monde-des-idees/saison-26-08-2019-29-06-2020

De afbeelding bovenaan is het schilderij ‘Historia’ uit 1843 van de in heel Europa beroemde Griekse schilder Nikolaos Gyzis (1842-1901). De geschiedenis wordt kennelijk met de linkerhand geschreven.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: