Alsof er niets gebeurd is sinds de jaren dertig

{Lees dit blog ook op de site van De Groene Amsterdammer: https://www.groene.nl/artikel/alsof-er-niets-gebeurd-is-sinds-de-jaren-dertig}

Kijk je nu naar het jaar 1938 in Europa, dan zie je vooral de voorboden van de Tweede Wereldoorlog: de Anschluss van Oostenrijk bij Duitsland, de conferentie in München waarbij Frankrijk en Engeland Tsjechoslowakije opofferden aan Hitlers expansiedrift in de ijdele hoop dat daarmee een dreigende Europese oorlog aan hun deur voorbij zou gaan, de Kristall-nacht in Duitsland en de voortgaande vlucht van joden uit Duitsland en Oostenrijk. Lang geleden en definitief geschiedenis, kun je denken. Toch duiken er, nu de verhoudingen in onze eigen wereld zo drastisch aan het verschuiven zijn, regelmatig referenties aan dit problematische verleden op. Welke actualiteit hebben de jaren dertig?

De Franse filosoof Michaël Foessel, verbonden aan de École polytechnique, heeft zich een jaar lang ‘ondergedompeld’ in 1938 door stelselmatig de Franse pers uit dat jaar te lezen. Zoiets is tegenwoordig vrij eenvoudig te doen via de websites Gallica en Rétronews van de Franse Nationale Bibliotheek. Die sites stellen historische periodieken en andere publicaties op grote schaal digitaal ter beschikking en maken ze op trefwoord doorzoekbaar, net als in Nederland het onvolprezen Delpher van de Koninklijke Bibliotheek doet met de Nederlandse pers. Zijn bevindingen heeft Foessel neergelegd in een boekje, Récidive.

Sites als Gallica en Delpher zijn prachtige hulpmiddelen. Ik schreef vorig jaar een boek over een XIXde-eeuwse vereniging die in haar gebouw, het huidige Paradiso, regelmatig bijeenkomsten van allerlei aard hield. Via Delpher bleek het in veel gevallen mogelijk krantenverslagen te vinden over hoe het er daarbij aan toeging, en wat er werd gezegd op een avond in 1884 of andere jaren – iets wat vroeger praktisch onmogelijk zou zijn geweest, want hoeveel oude krantenleggers kun je doornemen op zoek naar een speld in de hooiberg?

Zulke sites gebruiken is ook spannend, omdat je het gevoel kunt hebben in de tijd te worden verplaatst – wat Huizinga, sprekend over historische bronnen, “de historische sensatie” heeft genoemd. Het ad hoc-karakter van het gemiddelde krantenartikel geeft het idee dat je deel hebt aan history in the making, omdat de bron niet weet hoe de geschiedenis verder is gegaan, terwijl je dat als hedendaagse lezer wel weet. Dat is leuk en spannend – ik ken mensen die voor hun plezier urenlang doorbrengen op Delpher, op zoek naar het authentieke levensgevoel in een andere tijd.

Maar het is de vraag hoe je zulk leesplezier kunt gebruiken voor een betoog over de huidige tijd, anno 2019. Gevoel is één ding, historische werkelijkheid een ander. Foessel geeft aan dat hij bij zijn onderdompeling in 1938 niet op zoek is geweest naar feiten. Hij heeft er, naar eigen zeggen, ook vanaf gezien wat hij las te correleren aan historisch onderzoek naar de jaren dertig. Hij schrijft op zijn idee te zijn gekomen door lezing van het pro-nazi weekblad Je suis partout in de jaren van de Duitse bezetting. Zijn verbijstering daarover kan ik me goed voorstellen, zelf in een grijs verleden de Franse extreem-rechtse en fascistische pers van de jaren dertig gelezen hebbende – toen gewoon nog met leggers. Je suis partout was niet alleen een weekblad met zekere litteraire kwaliteiten, maar tot het bittere einde in 1944 ook de spreekbuis van rabiate collaborateurs met Nazi-Duitsland, en het huisorgaan van Frankrijks meest extreme antisemieten.

Na deze schok heeft de filosoof zich dus op de Franse pers van 1938 geworpen en niet alleen de extreem-rechtse. Met plezier, laat Foessel weten, heeft hij Esprit en Marianne gelezen – respectievelijk een progressief christelijk tijdschrift (dat nog bestaat) en een gematigd links weekblad. Maar zijn voorkeur gaat meer uit naar rechtse auteurs, lijkt het, wanneer die tenminste niet met het fascisme heulden. Foessels held in de dagbladpers van 1938 is Henri de Kérillis, de enige rechtse parlementsafgevaardigde die tegen de akkoorden van München stemde en een eigen dagblad had, l’Époque. Ook bewondert hij Georges Bernanos, wiens Les grands cimétières sous la lune eveneens in 1938 is verschenen – een aanklacht van rechts tegen de wandaden van de Spaanse fascisten onder Franco.

Irritant is het vertoon van nonchalance waarmee Foessel in Récidive rekenschap aflegt van zijn leesavonturen. Zijn methode is nadrukkelijk hapsnap, en hij pretendeert grondigheid noch representativiteit. Hij neemt een thema bij de hand – het akkoord van München, de grote staking van 30 november – en klikt dan wat rond in wat daar links en rechts zoal over geschreven is. Dat lijkt pretentieloos, en het hele boek door lijkt Foessel afkerig van conclusies. Maar er rijst wel degelijk een beeld op van 1938: deceptie en angst.

In 1938 worden door de centrumrechtse regering van Édouard Daladier de sociale verworvenheden van 1936, het jaar van de linkse Volksfront-regering waaraan Daladier zelf had deelgenomen, deels teruggedraaid. De 40-urige werkweek wordt door de nieuwe arbeidswet ondergraven, beloften over een nieuwe pensioenwet niet nagekomen. Een landelijke werkstaking op 30 november, afgekondigd door de communistische vakcentrale CGT, wordt door middel van arrestaties, en zelfs met inzet van traangas, van regeringswege de kop ingedrukt. De rechtvaardiging bij dit alles is niet in de laatste plaats dat Frankrijk zich, gezien de dreiging die uitgaat van Nazi-Duitsland en andere fascistische landen, geen economische verzwakking kan permitteren.

Angst speelt een grote rol in de politiek van 1938 – angst met name voor een nieuwe oorlog met Duitsland die een soort replay van 14-18 zou kunnen zijn. Die begrijpelijke angst, in een land dat nog maar net hersteld is van een slachting die vrijwel geen enkele familie onverlet heeft gelaten, komt bij Foessel merkwaardig weinig aan de orde. Misschien komt dat doordat het gevoel ‘dat nooit meer’ zo overheersend en algemeen en vanzelfsprekend was in 1938, dat het in de krantenartikelen die hij leest zelden expliciet wordt verwoord. Hier wreekt zich de onwil van de auteur, zijn leesindrukken te corrigeren met andere materialen.

Het toegeven van Daladier in München, de lauwe reacties op de Anschluss van Oostenrijk, de neutrale houding van de Franse regering tegenover de strijd in Spanje – bij Foessel is dat alles eerder gratuit défaitisme. Net als de conferentie van Evian waar Frankrijk en andere landen besloten om de instroom van joodse vluchtelingen in hun landen zoveel mogelijk te beperken – een tot schaamte stemmende episode waarover niet genoeg geschreven kan worden.

De nonchalance van Foessel wordt, wat mij betreft, bij lezing al vlug verdacht. Dat het perspectief van oorlog in Récidive zo weinig aan de orde komt, hangt – schrijft hij al in het begin – samen met het feit dat zulk oorlogsgevaar in onze dagen niet aan de orde is – een optimistische inschatting waarvan ik zou willen dat ik hem kon delen. De angst voor een nieuwe oorlog in 1938 negeren, betekent echter dat het vrijwel onmogelijk wordt de politiek van Daladier en anderen in dat jaar op waarde te schatten – of je je nu met de destijds gemaakte keuzes kunt verenigen of niet.

Foessel schrijft in het begin dat het hem er niet om te doen is, te suggereren dat we heden ten dage een terugkeer naar de verhoudingen van de jaren dertig beleven, of deze of gene in onze huidige wereld als fascist te brandmerken. Dat lijkt me verstandig. Maar evenmin wenst hij 1938 te zien in het licht van de latere geschiedenis, die van de collaboratie en verzet in de Tweede Wereldoorlog en de Duitse bezetting. Wat wil hij dan wel, welke betekenis wil hij toekennen aan zijn leesplezier met de teksten uit 1938?

Pas in het allerlaatste hoofdstukje komt het woord ‘analogie’ uit de bus: sommige dingen in 1938 zijn voor ons leerzaam, vanwege de analogie met de huidige verhoudingen. De aap komt uit de mouw: Daladier was geen extreem-rechtse figuur, maar meende toch dat de economische crisis van het liberale kapitalisme bestreden moest worden met liberaal-kapitalistische middelen als arbeidstijdverlenging, hogere belastingen, minder ambtenaren en andere bezuinigingen, in plaats van met een meer keynesiaanse politiek.

Daladier was dus een soort neoliberaal avant la lettre. Foessel neemt de premier van 1938 ook kwalijk dat deze streefde naar meer gouvernementele volmachten in het parlement en met repressie reageerde op stakingen en bedrijfsbezettingen e.d. De auteur ziet daarin het waanidee dat je fasciserende, autoritaire en illiberale tendenzen in de politiek kunt bestrijden door met die tendenzen zoveel mogelijk mee te gaan – onder het mom van verdediging van de democratie.

Ofschoon de naam van de huidige Franse president in het boek niet voorkomt, wordt Récidive op deze manier dus toch een aanval op Emmanuel Macron langs de omweg van 1938. In de huidige crisis van de neoliberale economie, de uitdaging van de Franse democratie door de gilets jaunes en de opkomst van illiberale stromingen in de ons omringende landen dreigt opnieuw dezelfde dwaalweg te worden ingeslagen, betoogt Foessel: de bestrijding van het kwaad met de middelen van het kwaad zelf.

Dat is best een interessante stelling, maar het lijkt me sterk de vraag of de analogie met 1938 standhoudt, als je zoveel andere elementen uit de vergelijking buiten beschouwing laat – met name die reëel bestaande en naar achteraf is gebleken gerechtvaardigde vrees voor een nieuwe oorlog. En wanneer je eenvoudig alles negeert wat er tussen 1938 en 2019 is gebeurd.

Daarbij hoef je volstrekt niet alleen aan de Tweede Wereldoorlog en Vichy-Frankrijk te denken. De versterking van de executieve macht die Daladier voorstond, is in de Vijfde Republiek van De Gaulle vanaf 1962 immers werkelijkheid geworden. En op goede gronden: de ondoorzichtige, hopeloos verdeelde en machteloze ‘partijendemocratie’ van de jaren dertig, en van de naoorlogse Vierde Republiek, leidde Frankrijk naar de afgrond – zoals eind jaren vijftig tot uitdrukking kwam in de eindeloze koloniale oorlog in Algerije.

Foessel heeft duidelijk een broertje dood aan de versterking van de executieve macht, zoals Daladier die beoogde en De Gaulle hem realiseerde. Pleit de auteur nu voor een terugkeer van een systeem waarin het parlement het voor het zeggen heeft in Frankrijk, een terugkeer dus naar de partijen-republiek? Het lijkt er op, maar Foessel geeft hierover geen uitsluitsel. Misschien was het interessanter geweest wanneer hij niet de pers van 1938, maar die van 1958 als uitgangspunt had genomen voor zijn analogie. Frans links liep toen te hoop tegen De Gaulle’s plannen, en betichtte – naar achteraf bleek zeer ten onrechte – de generaal van dictatoriale neigingen.

Per slot van rekening is de oogst van Foessels onderdompeling in 1938 dus uitgesproken mager. Récidive is als boek over Frankrijk in dat jaar niet serieus te nemen. Wat overblijft is de constatering van een onbestemd gevoel van onbehagen, bij de lezing van de pers uit 1938, en heden ten dage weer. Dat is te weinig, ook als je niet pretendeert historisch onderzoek te presenteren. Een echte historicus kan trouwens precies hetzelfde effect van onbehagen en herkenning sorteren met – laten we zeggen – een analogie met het jaar 1848, of 1792. Maar dan moet die historicus wel serieuzer bronnen aan elkaar verbinden en beter kunnen schrijven dan Foessel.

Dus struin naar hartelust rond op Delpher, Gallica en Rétronews, maar wacht u voor het opschrijven van vérstrekkende conclusies.

Michael Foessel: Récidive. PUF 2019.

Afbeelding boven: De conferentie in München, v.l.n.r. Chamberlain, Daladier, Hitler, Mussolini. Onder: Arbeiders van de Renault-fabrieken in Billancourt, gearresteerd tijdens de staking op 30 november 1938; Piket van stakers bij een Monoprix, op dezelfde dag, vermoedelijk in Toulouse (foto Germaine Chaumel, Martinez-Chaumel).

Link naar Delpher: https://www.delpher.nl
Link naar Gallica: https://gallica.bnf.fr
Link naar Rétronews: https://www.retronews.fr

Het boek van mijzelf waarnaar ik verwijs is:
Raymond van den Boogaard: De religieuze rebellen van de Vrije Gemeente. De vergeten oorsprong van Paradiso. Bas Lubberhuizen 2018.
Zie:
https://www.athenaeum.nl/boek/?authortitle=raymond-van-den-boogaard/de-religieuze-rebellen-van-de-vrije-gemeente–9789059375130
Ook als e-book:
https://www.athenaeum.nl/boek/?authortitle=raymond-van-den-boogaard/de-religieuze-rebellen-van-de-vrije-gemeente–9789059375154

Een gedachte over “Alsof er niets gebeurd is sinds de jaren dertig

Voeg uw reactie toe

  1. Het zou ook zo kunnen zijn dat het huidige *ontbreken* van de 1938-angst voor een nieuwe wereldoolog, maakt dat fascistoïde ideeën nu gemakkelijker een brede aanhang vinden dan toen. Vgl nsb – stemmenpercentage 1935-37 met dat van pvv+fvd nu.

    Like

Laat een reactie achter op huibree Reactie annuleren

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: