Voordat photographeren heel gewoon werd

Wie zou ooit hebben bedacht dat je op amateur-foto’s in de huiselijke sfeer moet lachen? Misschien is die lach een testimonium voor de geportretteerde zelf, dat hij het in het leven naar zijn zin heeft. Want dat was een van eerste argumenten waarmee aan het einde van de XIXde eeuw foto-camera’s en albums om foto’s in te plakken aan de man werden gebracht: de mogelijkheid een notebook van je eigen leven aan te leggen, het equivalent van een dagboek, maar dan met afbeeldingen van je omgeving, je naasten, je reisavonturen en wat dies meer zij. ‘A pictorial history of life as it is lived’, zoals een folder van Kodak uit 1894 voorstelde. En wie wil er nu als een miezerig persoon het verhaal van zijn eigen leven ingaan?

‘Iedereen fotografeert’ heet een tentoonstelling in het Rijksmuseum in Amsterdam, over de opkomst van de amateurfotografie in Nederland aan het einde van de XIXde eeuw, en het is ook de titel van het begeleidende boek van de hand van Mattie Boom, de conservator fotografie van het museum. Wat beschreven wordt is de zegetocht van een nieuw medium. Al in de jaren zestig van de XIXde eeuw zijn er in Nederland liefhebbers die met camera en platen aan de slag gaan. Door technische ontwikkelingen wordt fotograferen met de jaren steeds eenvoudiger. De ‘droge plaat’ bijvoorbeeld maakt dat de fotograaf niet meer een klein chemisch laboratorium met zich mee hoeft te dragen, maar rustig kan wachten met ontwikkelen totdat het hem uitkomt.

Maar de grote klap voor amateurfotografie komt in 1888, wanneer de eerste Kodak-camera op de markt komt, met daarin een flexibele filmrol waarop je wel honderd opnamen kwijt kunt. Een druk op de knop volstaat, het ontwikkelen geschiedt desgewenst door de fotozaak. Dan wordt ook de ‘snapshot’ geboren – de losjes geschoten opname van het dagelijks leven. Op de tentoonstelling is een vroeg Nederlands voorbeeld van een album met zulke Kodak–opnamen te zien, die dan nog rond zijn, met een diameter van negen centimeter. ‘Scraps’ heet het, en is rond 1892 gevuld door de Amsterdamse patriciërsfamilie Piek. De affiche van de tentoonstelling laat een van die opnamen zien, met jongens die vanaf de kade een boot in springen. Met de jaren wordt fotograferen steeds minder een dure hobby. De slogan ‘Iedereen fotografeert’ komt van een reclameaffiche van een Amsterdamse fotozaak. Zo rond 1900 lijkt dat in burgerlijke milieus ook aardig de praktijk te worden. Men fotografeert dat het een lieve lust is, binnen en buiten het huis. De opkomst van de camera loopt min of meer parallel met de opkomst van de fiets, als instrument van vrije-tijdsbesteding. Er wordt dan ook veel gefietst op de foto’s.

Volkomen verbluft bleef ik staan bij de serie foto’s die Christiaan Snouck Hurgronje in 1886 gemaakt heeft van de Ka’aba in de grote moskee van Mekka. Zoals bekend was Snouck, in dienst van de Nederlandse regering, er in weerwil van een toegangsverbod voor ongelovigen in geslaagd de heilige plaatsen in Mekka te bezoeken – een sterk staaltje waarbij hij zich uitgaf voor moslim. De foto’s zijn gemaakt met een verborgen camera, de zogeheten Stirnsche Geheimkamera. Mogelijk zijn ze trouwens gemaakt door Snoucks inheemse assistent. Stiekem fotograferen, het leven betrappen, was al spoedig een belangrijke doelstelling van veel fotografen. Zo deed Bram Loman (1868-1954) – overigens de ontwerper van een Nederlandse spiegel-reflexcamera en later bedrijver van een eigen fotozaak – zijn best onder de handelaren van de Amsterdamse effectenbeurs. Ze hadden hem meestal door.

Er valt veel prachtigs te zien op de tentoonstelling: foto’s, apparatuur, albums, tijdschriften voor XIXde-eeuwse foto-enthousiasten. Toch kwam ik eruit met de gedachte, dat ik niet helemaal begreep waar het bij de expositie nu precies om te doen was – onder andere omdat er ook foto’s geëxposeerd zijn uit de jaren twintig en dertig van de XXste eeuw, van Eva Pennink bijvoorbeeld. Dat op amateur-foto’s iedereen altijd maar glimlacht, blijkt helemaal niet waar – die conclusie kon ik in ieder geval mee naar huis nemen. Op veel in de huiselijke sfeer genomen portretten kijken de mensen net zo ernstig en plechtig als op de portretten die mijn eigen voorvaderen bij de professionele fotograaf hebben laten maken. Maar wat is nu eigenlijk het verhaal van deze tentoonstelling? De democratisering van het medium fotografie? De opkomst van een informele esthetiek van de fotografie?

Het begeleidende boek van Mattie Boom, Everyone a photographer – tevens haar dissertatie – is prachtig uitgegeven en staat vol met geweldige foto’s, zoals het portret van de Nederlandse marxist Frank van der Goes en zijn vriendin Marie Koens, door Willem Witsen uit 1892. Boom heeft een ontzagwekkende hoeveelheid informatie opgeduikeld over degenen die de foto’s in het boek hebben gemaakt, over foto-clubs, foto-winkels, technische ontwikkelingen en handel. De grote lijn lijkt onder de last van feiten en feitjes een beetje geleden te hebben. Het boek zit ook vol met herhalingen. Je krijgt de indruk dat de auteur kopje onder dreigt te gaan in haar onmiskenbare liefde voor het materiaal.

Grote vragen als ‘kan amateur-fotografie kunst zijn’ of ‘beïnvloedt de mogelijkheid ‘snapshots’ te maken het levensgevoel’ roert Boom af en toe aan. Het hoofdstuk A new visual language gaat onder andere over de bredere invloed van de nieuwe mogelijkheden op fotogebied, en het ontstaan van een nieuwe iconografie van het gewone leven. De auteur behandelt daarin het fotowerk van schilders als Willem Witsen en Hendrik Breitner, die beiden foto’s gebruikten als basis voor schilderijen. Vooral de snapshots van Breitner zijn vaak heel spectaculair: ze geven de toeschouwer het gevoel dat hij met de techniek en de esthetiek van nu rondloopt in het Amsterdam van vóór 1900. Boom trekt een vergelijking met het in diezelfde tijd opduikende begrip ‘flaneur’, en verwijst naar de roman Een liefde van Lodewijk van Deyssel uit 1887, waarin de met het leven worstelende hoofdpersoon, schrijft ze, rondloopt en rondkijkt terwijl hij niet weet wat hij zoekt. Zulke duiding had ik wel meer willen lezen.

Inmiddels zijn de vele feiten razend interessant. Bijvoorbeeld. Omdat er in Nederland tot 1912 geen patent-wetgeving bestond – nogal verbazingwekkend voor een handelsland – opende Kodak pas in 1913 zijn eerste filiaal in Nederland. Ik had nog nooit gehoord van Joseph Jessurun de Mesquita, iemand uit de omgeving van de Tachtigers die in 1890 een eind aan zijn leven maakte. In 1890 telde Nederland al duizend dilettant-fotografen. De ANWB – toen nog voor wielrijders – gaf door middel van blauwe schilden niet alleen aan waar een bondshotel was, maar ook waar een door de organisatie erkende donkere kamer was te vinden – voor degenen die onderweg niet wilden wachten hoe de kiek was uitgevallen.

Een vraag die zich bij mij opdrong op de tentoonstelling: als het dan mettertijd zo eenvoudig werd voor iedereen om heel acceptabele, of zelfs zeer geslaagde foto’s te maken, hoe komt het dan dat er – tot in onze dagen – toch altijd een markt is gebleven voor professionele portretfotografen? Telt het niet, als je van jezelf of van je naasten een portret voor representatieve doeleinden maakt? Is de amateur-foto per definitie een informele uiting, die zich met maatschappelijk aanzien niet laat verenigen? En zou dat nu, in deze tijd van pixels en selfies veranderen?

In het museum en in het boek zijn prachtige foto’s te zien die anders veilig in een depot bleven opgeslagen. Neem dat albumblad met een zelfportret van Theo en Nelly van Doesburg uit 1921 bijvoorbeeld, dat tot nu toe ten onrechte werd toegeschreven aan László Moholy-Nagy. Het verband met de opkomst van de amateur-fotografie lijkt me niet zo evident, of het moest zijn dat het getoonde exemplaar is geplakt op een pagina uit Nelly’s privé-fotoalbum. Maar ik ben blij dat ik ‘m gezien heb.

Iedereen fotografeert is tot 10 juni 2019 te zien in het Rijksmuseum in Amsterdam.

Mattie Boom: Everyone a photographer. The rise of amateur photography in the Netherlands, 1880-1940. Rijksmuseum 2019.

Afbeelding boven: zelfportret door Henry Pauw van Wieldrecht (rechts, met de kabel van de ontspanner), met broer, zus en schoonzus (1888, foto Rijksmuseum). Foto’s onder: 1. Christaan Snouck Hurgronje (of mogelijk Abd-al Ghaffar), de Ka’aba in Mekka (circa 1886, foto Leiden University Library); 2. Willem Witsen, portret van Marie Koens en Frank van der Goes (1892, foto IISG); 3. Dubbel-zelfportret Theo en Nelly van Doesburg (Weimar, 1921, foto Rijksmuseum); 4. J.J.M. Guy de Coral op stap met vrienden en camera (Hilversum 1887, foto archief ANWB); 5. Hendrik Breitner, portret van Marie Jordan (circa 1889, foto Rijksmuseum)

1.
2.
3.
4.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: