Robespierre: een monster in de actualiteit

(4-11-2018)

De meeste Franse steden hebben wel ergens een Rue Danton, naar de bevlogen revolutionair Georges Danton, in april 1794 wegens verraad aan de revolutionaire zaak onder de guillotine gestorven. Maar straten, scholen en pleinen die vernoemd zijn naar de revolutionair Maximilien de Robespierre (1758-1794) zijn met een lantaarntje te zoeken. De nagedachtenis van de revolutionaire voorman die als aanvoerder van het zogeheten Comité du Salut Public, een soort uit de revolutionaire partij- en factiestrijd voortgekomen junta, eerstverantwoordelijke was voor de fase van de Terreur van 1793/4 en voor de dood van Danton, ex-koning Lodewijk XVI, diens vrouw Marie-Antoinette en vele duizenden anderen, blijft in Frankrijk moeilijk verteerbaar. In 1989, bij de viering van tweehonderd jaar Franse Revolutie, werd zijn beeltenis dan ook gemist in de prachtvolle optocht die over de Champs Élysées trok.

Maar ze zijn er wel, die naar Robespierre vernoemde straten , pleinen en scholen, vooral in gemeenten die vroeger een communistische meerderheid in de gemeenteraad hadden. Want voor radicaal links – binnen en buiten Frankrijk – heeft de harde hand van Robespierre bij het doorvoeren van de ‘volkswil’, de ‘natuurlijke orde’ en andere revolutionaire principes – meestal aan de ideeën van Rousseau ontleend – vaak de waarde van lichtend voorbeeld gehad. Soms heeft het goede immers een doortastende hand nodig, om de norm te worden en de Geschiedenis (met een hoofdletter) is nu eenmaal niets voor doetjes. 

Die les van Robespierre was, bijvoorbeeld, ook aan Sovjet-leiders als Lenin en Stalin wél besteed. En trouwens aan ook de min of meer serieuze aanvoerder van extreem-links in hedendaags Frankrijk, Jean-Luc Mélenchon van La France Insoumise. Die schrikt er niet van terug zich met Robespierre te vergelijken. De vestiging van sociale rechtvaardigheid – of in de terminologie van Robespierre ‘de Deugd’ – is nu eenmaal gebaat bij doortastendheid. Gematigdheid wordt door de vijand maar al te vaak voor zwakte aangezien. Voor de goede zaak moeten zaken als de Rechten van mens en burger – en in concreto de gedachte van een eerlijk proces – wel eens even wijken. Het doel is er te belangrijk voor.

De aanhangers van deze zienswijze – meestal ‘robespierristen’ genoemd – zijn, sinds Robespierre zelf in 1794 onder de guillotine het hoofd verloor, altijd in de minderheid geweest. Tegenover de bewonderaars van de rechtlijnige ‘incorruptible’, zoals Robespierre wel genoemd werd, staan en stonden veel meer historici en politici, die in de Terreur een betreurenswaardige tragedie zagen en zien – een nachtmerrie-achtige uitwas van de revolutionaire gedachte. 

Traditioneel vielen de ‘anti-robespierristen’ in twee kampen uiteen. In de eerste plaats is er de liberale benadering, die de Terreur als instrument van staat afwijst, ook al moet men bij het historisch oordeel in ogenschouw nemen dat er in de jaren 1793-1794 sprake was van acute bedreigingen van het revolutionair acquis: oorlog van de reactionaire vorsten tegen Frankrijk, economische crisis, binnenlandse opstanden tegen de revolutie als die in de Vendée. De historicus François Furet heeft rond 1989 deze zienswijze eigenlijk als de overheersende ingang weten doen vinden. Dat paste ook bij de geest van die jaren, met zijn ontknoping van de Koude oorlog en het démasqué van het communisme als reële optie voor maatschappelijke organisatie. De excessen van revolutionair optreden waren te veroordelen, maar niet langer tekenend voor het acquis van de revolutionaire zaak of de Franse republiek van heden, die zich nog altijd op die Eerste Republiek uit de revolutie als voorganger beroept. 

Het was tijd voor het begraven van de ideologische strijdbijl. Behalve de ‘robespierristen’ van links dolf daarbij ook nog een andere minderheid het onderspit, de radicale ‘anti-robespierristen’ aan de uiterste rechterzijde, veelal behept met monarchistische- of in ieder geval anti-democratische idealen. Zij zagen, net als de communisten en andere fans van Robespierre, de Terreur niet als een uitwas maar als een historische noodzakelijkheid. Alleen was de extreem-rechtse conclusie een geheel andere: in de Terreur liet de ideologie van de Franse revolutie haar ware gezicht zien. Het bloedbad en de willekeur onder Robespierre hebben loepzuiver aangetoond hoe verdorven en onaanvaardbaar de democratie en de Franse republiek wel niet zijn.

Al deze met grote heftigheid gevoerde debatten behoren inmiddels in Frankrijk tot het verleden, grotendeels. Sinds de laatste eeuwwisseling is het principe van Frankrijk als republiek onomstreden. Eigenlijk voor het eerst in de Franse geschiedenis bestaat er van links tot rechts vrijwel perfecte consensus over de republikeinse-, democratische staatsvorm, van het Front National tot aan la France Insoumise. Iets anders is hoe de aloude idealen van vrijheid, gelijkheid en broederschap moeten worden ingevuld, op het stuk van sociale rechtvaardigheid bijvoorbeeld, of de verhouding tussen die idealen en Europa. Maar echt verzet tegen de staatsvorm is nog alleen de zaak van kleine groepjes, van bonte politieke folklore. Voor het eerst kent Frankrijk, zoals de politiek filosoof Marcel Gauchet het heeft uitgedrukt, “la République consensuelle”.

Daarmee is het debat over de historische figuur Robespierre evenwel niet volledig verstomd. Dat gaat nu echter niet meer zozeer over de vraag of Robespierre een bloeddorstig monster is geweest, dan wel een visionaire doorpakker voor de goede zaak. Zoals dat gaat in de historiografie vergruist het beeld, in het licht van toenemende gedetailleerde kennis over de politieke verhoudingen en machinaties ten tijde van de Terreur. 

Tekenend voor deze benadering is de laatst-verschenen biografie van Robespierre, van de hand van Jean-Clément Martin. Het gaat het er hem niet om de rol van Robespierre bij de doorvoering van al die doodvonnissen, ook tegen zijn mede-revolutionairen, kleiner voor te stellen. Dat zou ook moeilijk zijn, gegeven zijn formele verantwoordelijkheden binnen het Comité du Salut Public en de talrijke redevoeringen die hij ten beste heeft gegeven. Martin meent echter dat ten onrechte Robespierre, na zijn eigen val, als de voornaamste of zelfs enige verantwoordelijke is aangewezen. Dat beeld, meent hij, is bewust in omloop gebracht, onmiddellijk na de dood van Robespierre, onder andere door degenen die met hem verantwoordelijk waren geweest voor de Terreur en nu een manier zochten om het eigen straatje schoon te vegen. Het beeld van Robespierre als een harteloze, door overdreven geloof in het eigen gelijk gemotiveerde, meedogenloze, van menselijke gevoelens gespeende tiran, werd al spoedig na diens dood in pamfletten en andere publicaties populair gemaakt. En dat beeld heeft tot op de huidige dag aardig stand gehouden.

In deze sfeer van voorzichtige consensus heeft nu Marcel Gauchet, een van Frankrijks meest prominente en systematische denkers over politiek en samenleving, een steen in de vijver gegooid. Hij doet een studie het licht zien onder de titel ‘Robespierre – L’homme qui nous divisie le plus’ (De man die ons als geen ander verdeelt). Het is een polemisch geschrift, volgens de auteur uitsluitend gebaseerd op vele delen toespraken en correspondentie van Robespierre die bekend zijn. 

Gauchet houdt zich verre van moralistische praatjes over kille tirannen en bloeddorst. Zijn Robespierre is een politicus die faalde waar, naar zijn oordeel, politici in Frankrijk (en elders, kun je zeggen) nog steeds falen: de omzetting van een voortreffelijk programma in praktisch beleid. In de beginjaren van de revolutie, na 1789, wist de populaire en begenadigd redenaar Robespierre als geen ander stem te geven aan de hoge idealen van de Rechten van mens en burger, die zich voor hem en zijn medestanders trouwens ook uitstrekten tot alle mannen, ook die zonder bezit, vrouwen en zelfs zwarten. (Al was Robespierre, anders dan wel beweerd wordt, volgens Gauchet geen voorstander van afschaffing van de slavernij in de Franse koloniën). Het ging mis toen Robespierre in de dynamiek van politieke- en factiestrijd tot de macht werd geroepen. Hij verraadde zijn idealen niet, maar poogde ze ingang te doen vinden met methoden die, zeker achteraf, absoluut als volkomen onaanvaardbaar en verraad aan diezelfde idealen moeten worden beschouwd. Het is de onmacht van de politicus van alle tijden: mooi programma, beroerde uitvoering.

Gauchet behoort tot de vele verstandige, gematigde en liberale denkers in de Franse openbaarheid, die veel gezag hebben en veel gelezen worden – met name in het prachtige, door hem geleide kwartaaltijdschrift le débat. Tegelijkertijd worden zulke denkers in Frankrijk met hoon overladen – dat lot heeft Gauchet bijvoorbeeld gemeen met een verstandig man als Raymond Aron (1905-1983). In intellectuele kring – links én rechts – geldt gematigdheid nog altijd als een schande, een gebrek aan moed en vermogen tot werkelijk kiezen, als verraad aan de integriteit en als een valse vlag waaronder euvele bedoelingen kunnen schuilgaan. Niet voor niets geldt zelfs de term ‘liberaal’ in Frankrijk toch voornamelijk als scheldwoord – getuige ook de hoon waarmee Emmanuel Macron zich vorig jaar zich zag overladen toen hij eens opperde dat ‘liberalisme’ ook best links of progressief kon zijn.

Het jongste boek van Gauchet doet de vraag rijzen waarom het juist nú geschreven is. Het is eenvoudig in te zien waarom Gauchet zich voor Robespierre interesseert. Daar is bijvoorbeeld het feit dat het Robespierre was die decreteerde dat op 8 juni 1794 in heel Frankrijk het feest voor het ‘Opperwezen’, de Rede, werd gevierd, ter vervanging van christelijke riten, als een religieus feest van staatswege. Volgens biograaf Martin was de instelling van deze feestdag geen anti-christelijke daad, maar juist eerder een poging om de christelijke godsdienst, die veel revolutionairen het liefst met wortel en tak uitgeroeid zagen, van de ondergang te redden. Gauchet neem deze visie niet echt over, als ik hem goed begrijp. Het is een beetje onduidelijk wat hij van de dienst aan het Opperwezen vindt. Dat is jammer, want in eerder werk heeft hij veel geschreven over de ‘onttovering’ van staat en politiek onder democratische omstandigheden – over de vraag met andere woorden, of een democratie het kan stellen zonder een magische, religieuze dimensie om geloofwaardig te zijn.

De Robespierre die hij schildert, doet in de verte wel een beetje denken aan de zo smadelijk geëindigde president François Hollande – een man gespeend van elke bloeddorst, maar wel een politicus wiens programma in het niets van vijf jaar onbeduidendheid en onmacht verdween. Misschien geeft Gauchet ook wel een waarschuwing aan Macron, wiens even visionaire als vage programma na twee jaar presidentschap ook al behoorlijk in het slop zit. Maar een waarschuwing tegen tirannie kan het boek toch in ieder geval niet zijn. Als er, in de heftige Franse politieke cultuur, al onflatteuze vergelijkingen worden gemaakt tussen de met grote meerderheid in het zadel geholpen Macron en historische figuren, dan gaat het meestal eerder om Napoléon III, die in 1848 tot president van de Tweede Republiek werd verkozen en vier jaar later na een staatsgreep en een dubieus referendum erin slaagde van Frankrijk een autoritair Keizerrijk te maken, met zichzelf aan het hoofd. 

Een betere vergelijking zou echter die tussen Macron en de ‘burger-koning’ Louis-Philippe (1830-1848) zijn, oppert Charles Palombia in het jongste nummer van le débat, het blad van Gauchet dus. Een overeenkomst is bijvoorbeeld dat beiden hun bewind als een historische stap zagen, een uitweg in verstandige gematigdheid. De manier waarop Louis-Philippe het veld moest ruimen voor de revolutie van 1848, laat zien dat gematigdheid en de wens meerdere politieke stromingen in zich te verenigen, evenmin een garantie voor politiek overleven is als de rechtlijnigheid van Robespierre. 

Gauchet onthoudt zich in zijn studie over Robespierre echter zorgvuldig van expliciete vergelijkingen met andere Franse politici. Hij waarschuwt alleen, meer in het algemeen, voor de kloof tussen droom en daad, tussen programma en beleid, die volgens hem in de democratie een nog onopgelost vraagstuk is. Dat is ongetwijfeld een verstandige waarschuwing, lijkt me zo: er is ook geen guillotine meer, die in het uiterste geval uitkomst kan bieden.  

Marcel Gauchet: Robespierre. L’homme qui nous divise le plus. Gallimard 2018.

Jean-Clément Martin: Robespierre. Perrin 2016.

Het blad le débat heeft HIER een eigen website, waar afzonderlijke artikelen digitaal besteld kunnen worden

Afbeelding boven: De arrestatie van Robespierre in het Hotel de Ville in Parijs op 8 Thermidor jaar II, oftewel 26 juli 1794. Op deze ingekleurde gravure – van Jean-Joseph Tassaert – doet een van de aanwezigen een poging de ‘tiran’ met een pistoolschot te doden. Volgens een ander relaas uit die tijd doet Robespierre een zelfmoordpoging met een pistool bij zijn arrestatie. Die poging mislukt, maar door zijn verbrijzelde kaak kan hij niet meer spreken. Dat is echter geen bezwaar: volgens een door hemzelf ingevoerde snelrecht-procedure is hij ‘buiten de wet geplaatst’, zodat een proces niet nodig is. Nog diezelfde middag komt hij onder de guillotine. 

Afbeeldingen onder: Twee portretten van Robespierre, van Pierre Roth Vigneron (Robespierre in het uniform van een afgevaardigde van de Derde stand in de Assemblée) en Louis Léopold Boilly. Onduidelijk is wanneer deze portretten ontstaan zijn – in ieder geval geven ze een min of meer vriendelijk beeld van de man die na zijn dood vaak als een bloeddorstig onmens gold. 

2 gedachten over “Robespierre: een monster in de actualiteit

Voeg uw reactie toe

  1. Beste Ryamond, Ik moet het voor de tweede keer nog eens nalezen, over Robespièrre, maar mijn instemming heb je vooralsnog. Raymond? Wij hebben elkaar één of twee keer ontmoet: jij als gevestigd journalist en ik als net afgestudeerd politicoloogje. In een vreselijk gebouw overigens en aan een vreselijk holle weg in Rotterdam. Welk een contrats vormde ‘dat’ met het Parijs waar ik corespondent wilde worden. Maar je aarzelde voorzover ik me kan herinneren en: brood op de plank was dringend nodig. En zo werd ik assistent van Maarten van Traa en Ien van den Heuvel die achter m’n broek aanzaten. Wam, daar ging mijn Parijs-perspectief. Brood op de plank en immer betreurd. Maar waarom je site getiteld ‘We’ll always have Paris’? Famous lines from ‘Casablanca’ till ‘StarTrek’ Indeed. But why? Nostalgia? Beste groet, gerrit.verhoeve@gmail.com. .

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: