Een kijkje nemen achter het front

Vermoedelijk ben ik een van de weinige Nederlanders die kan zeggen dat hij de Loebjanka, het hoofdkwartier van de KGB (nu FSB) in Moskou, van binnen heeft gezien en het toch kan navertellen. Het was, als ik mij niet vergis, begin 1990. Ik was al drie jaar weg als Moskou-correspondent voor NRC Handelsblad en het NOS-journaal, maar viel een maandje in voor een collega. De Sovjet-Unie bestond nog. Uit het niets kreeg ik, via mijn secretaresse, een uitnodiging voor een bezoek aan de Loebjanka – een gebouw in het midden van de stad, zo berucht dat fatsoenlijke Russen de trottoirs eromheen plachten te mijden.

Op de middag van het bezoek meldde ik mij, conform de instructie, aan de zij-ingang, samen met twee andere genodigden, een Portugese en een Poolse collega van mij onbekende bladen. Onder begeleiding van een zwijgzame ambtenaar namen we de lift en liepen door hoge, holle gangen. Het gebouw is, ruim voor de revolutie van 1917, neergezet als kantoor van een Britse verzekeringsmaatschappij, in een tijd waarin in Rusland de economische belangen nog voorrang hadden boven die van de politie.

Ik probeerde bij een van de hoge ramen een glimp op te vangen van een binnenplaats, wetende dat daar in de Stalin-tijd talloze executies hebben plaats gevonden, soms na een schijnproces en soms zonder enig proces. Onze begeleider maakte mij duidelijk dat dit verboden was, en in het hoofdkwartier van een instelling die onder andere is gespecialiseerd in het vervolgen van spionnen was mijn neiging tot tegenspreken gering.

Het gehele bezoek, bleek al vlug, had uitsluitend ten doel ons de werkkamer van Joeri Andropov te laten zien, die van 1967 tot 1982 het hoofd van de KGB was geweest, om vervolgens na een jaar als partijleider aan de top van heel de USSR te overlijden. Aan die kamer was niet veel te zien: een portret van Lenin aan de muur, een eenvoudig houten bureau met stoelen en ramen met uitzicht op het plein, waar toen nog een standbeeld van Feliks Dzerzjinski stond, de man die voor Lenin in de jaren twintig de Tsjeka, eerste voorloper van de KGB, had georganiseerd. Het geheel straalde strenge eenvoud uit: de machtigste mannen van de Sovjet-Unie baadden niet in de protserige weelde waarin de hedendaagse politieke elite van Rusland zo’n genoegen schept. Na een kwartier stonden we weer buiten. Het was een merkwaardige ervaring.

Ik moest aan deze gebeurtenis terugdenken bij het zien van ‘Onze man bij de vijand’, de vierdelige serie op de betaalsite Videoland, waarin de Nederlandse journalist Thomas Erdbrink rondreist door het Rusland van nu. Dat hij daartoe in staat is gesteld, mag bepaald opmerkelijk heten. Op grote schaal immers hebben buitenlandse correspondenten de afgelopen jaren Rusland verlaten: soms omdat ze voor hun vrijheid vreesden, soms omdat ze genoeg hadden van de voortdurende bureaucratische chicanes, omdat ze meenden dat in een land zonder vrijheden journalistiek weinig meer te doen was of omdat eenvoudig hun werkvergunning werd ingetrokken.

Vooropgesteld: ‘Onze man bij de vijand’ is een goedgemaakte serie, mooi gefilmd en met een verslaggever die zich een begaafd en empatisch interviewer betoont. Voor zover ik dat kan beoordelen aan de hand van andere getuigenissen geeft de serie ook een adequaat beeld van de stemming in Rusland: hoe de bevolking in de grote, bevoorrechte steden als Moskou de oorlog zoveel mogelijk probeert te negeren, hoe sommigen meegaan in de overspannen patriottische en militaristische propaganda die de staatstelevisie 24/7 over het land uitstort.

Verreweg het interessantst zijn de afleveringen waarin Erdbrink langsgaat in Dagestan en Jakoetija, de armste delen van de Russische Federatie die naar verhouding de meeste soldaten voor het front leveren. Ex-frontsoldaten die met een forse premie op zak naar huis zijn teruggekeerd, al dan niet gewond of psychisch geknakt, vertellen over de gruwelen van de oorlog, of anders doen dat hun nabestaanden. Dat met name in de oudere generaties nog veel liefde blijkt te bestaan voor de voormalige Sovjet-Unie, toen Rusland en Oekraïne één land waren, komt geloofwaardig over: dingen zijn zelden zo zwart-wit als ze door betrokken partijen worden gepresenteerd.

Opvallend is natuurlijk wel dat iedere toevallige voorbijganger – of het nu in Moskou, Marioepol of Kaliningrad is – zich terdege bewust is van de noodzaak de Russische politiek welgevallige antwoorden te geven. Iedereen blijkt voor de vrede en hoopt dat het dat weer gauw wordt – standaardfrasen die zich in niets onderscheiden van wat je hoorde als je in de jaren tachtig in Moskou op straat als buitenlands verslaggever een praatje probeerde aan te knopen. Een buitenlander ontmoeten is weer riskant geworden.

Het moet gezegd dat Erdbrink in de serie prijzenswaardige afstand bewaart ten opzichte van veel wat er gezegd wordt – bij enthousiasme voor de restauratie van de door Rusland verwoeste, ingenomen Oekraïense stad Marioepol bijvoorbeeld, die in het bijzonder vers geïmporteerde ethnisch-Russen ten goede komt. Maar echt oppositioneel wordt de serie natuurlijk niet. Eerder wordt de Nederlandse kijker een attitude opgediend die de Russische overheid ook graag bij de eigen bevolking ziet: oorlog hoort in Rusland bij het leven, inclusief het leed dat oorlog veroorzaakt.

De kwaliteiten van de serie niet te na gesproken, blijf ik wel met vragen zitten. Erdbrink heeft zelf in interviews verklaard dat hem bij zijn reizen geen strobreed in de weg is gelegd, waar hij ook heen wilde, zelfs als hij naar de zwaar gemilitariseerde Russische exclave Kaliningrad wilde. Dat had hem zeer verwonderd, zei hij. Maar dat doet natuurlijk ook de vraag rijzen, waarom Erdbrink mocht doen wat vrijwel alle andere Westerse journalisten onmogelijk wordt gemaakt. En dat brengt ons tot de vervelende vraag: cui bono? Wie profiteert hiervan?

In een land als Rusland heeft bij dit soort vragen naïviteit weinig zin. Ergens in de staatsmachinerie die over propaganda, informatie en desinformatie gaat, heeft iemand gedacht: die Erdbrink, daar kunnen we wat mee. De titel van de serie, ‘Onze man bij de vijand’, is al een aanwijzing voor het manipulatieve karakter van de onderneming: natuurlijk is er in werkelijkheid bijna niemand die echt zou denken dat Russen collectief vijandige bedoelingen zouden hebben tegenover ons Nederlanders. De oorlog is het werk van een autoritair en dictatoriaal optredende politieke elite met een militair-ideologisch programma.

‘De Russen’ eerst als karikaturale ‘vijanden’ kenschetsen, om hen dan vervolgens als gevoelvolle mensen af te schilderen die in werkelijkheid geen vlieg kwaad willen doen en zelf nog het meeste onder de oorlog lijden, is een hoger staaltje manipulatieve beeldvorming. In het Russische propaganda- en desinformatie-apparaat werken tegenwoordig dan ook bijzonder getalenteerde mensen. Het is trouwens wel opvallend, dat geen van hen in deze serie in beeld komt. Elke verwijzing naar ‘fixers’ of Russische medewerkers ontbreekt – er is alleen een tolk buiten beeld te horen. Toch denk ik niet dat als u of ik morgen met een camera afreizen naar Jakoetsk, we spontaan op straat oorlogsveteranen ontmoeten die niets liever willen dan ons vertellen over hun gemengde ervaringen op het slagveld.

Het zij verre van mij om Thomas Erdbrink en filmmaker Roel van Broekhoven hier van kwade opzet te beschuldigen. Ongetwijfeld stond bij hen de wens voorop een mooie, in sommige opzichten zeker baanbrekende serie te maken. Toch is er één sequentie die pijnlijk aangeeft in welke richting we de beschermers van hun project moeten zoeken. Het gaat hier om een nota bene op een schietbaan opgenomen vraaggesprek met Marija Boetina.

Zij is een, naar verluidt aan de Russische militaire inlichtingendienst GROe verbonden, media-persoonlijkheid, die jarenlang in de Verenigde Staten bijzonder bedreven was in het leggen van betrekkingen met invloedrijke Republikeinen, totdat zij in 2019 werd uitgewezen. Voor haar werk is zij beloond met een zetel in het Russische parlement, de Staats-Doema. Uit getoonde archiefopnamen blijkt dat zij in 2021 met een camera op pad was gestuurd voor een smerig karweitje: zij bezocht toen de in 2024 vermoorde oppositie-politicus Aleksej Navalny in de gevangenis, met de bedoeling aan te tonen dat deze goed werd behandeld en zijn hongerstaking maar een verzinsel was. Niet iemand met wie ik graag zou omgaan.

Achteraf heb ik trouwens beter begrepen waarom ik in 1990 werd uitgenodigd voor een bezoek aan de werkkamer van Andropov. Binnen de KGB (nu FSB en SVR) geldt deze tot op heden als een grote figuur die er, wanneer hij niet voortijdig was overleden, misschien in geslaagd zou zijn de hervormingen door te voeren die we nu met Michail Gorbatsjov associëren – maar dan met harde KGB-hand en met behoud van de Sovjet-Unie als één staat. Zoiets had ik in de jaren tachtig wel eens geschreven – de KGB had een prima archief dus misschien dacht men dat ik aan hun zijde stond bij de Andropov-verering. In de muur van de Loebjanka bevindt zich tegenwoordig zelfs een eerbiedige gedenkplaat voor Andropov.

Ik heb, als ik me goed herinner, over dat merkwaardige bezoekje niet geschreven. Er was geen duidelijk verhaal, en destijds was het wat minder gebruikelijk dat een verslaggever zijn eigen beleving op de voorgrond plaatste. Instinctmatig ben ik ook altijd voorzichtig geweest met geheime diensten, die je als journalist zoveel mogelijk op afstand moet houden omdat ze hoe dan ook je geloofwaardigheid aantasten. Maar dat kon en kan niet altijd, niet in de Sovjet-Unie en niet in de Russische Federatie – het land is wat het is.

Een gemiste kans in 1990 misschien, achteraf. Ik vermoed dat ik – mutatis mutandis – dankbaar zou zijn ingegaan op de mogelijkheden als die welke Erdbrink voor deze serie werden geboden. Maar of dat moreel verdedigbaar zou zijn geweest? Dat oordeel laat ik graag aan de kijkers over. En aan het geweten van de makers, natuurlijk.

‘Onze man bij de vijand’ van Thomas Erdbrink en Roel van Broekhoven. 4 delen op de streamingdienst van RTL, Videoland.

Afbeeldingen: 1. Beeld van het front in Oekraïne. Een Oekraïense drone filmt een Russische militair, vlak voordat deze zal worden gedood; 2. Gedenkplaat voor Joeri Andropov in de muur van de Loebjanka. (Foto Yandex).

2 gedachten over “Een kijkje nemen achter het front

Voeg uw reactie toe

  1. Thomas Erdbrink: propagandist?

    Jan de Leeuw

    Afgelopen weken was de première van de documentaire reeks ‘Onze man bij de vijand’ van Thomas Erdbrink en Roel van Broekhoven. De maker, Erdbrink, was afgelopen week niet van het scherm te slaan. Dat was opvallend omdat de studio’s van talkshows al jaren overwegend worden bezet door generaals, politici, journalisten en analisten die in Rusland een groot en fundamenteel gevaar zien voor Europa en vinden dat de oorlog in Oekraïne moet doorgaan net zolang tot ‘de Russen’ elk stukje Oekraïne verlaten hebben, tot en met de Krim.

    De documentaire deed dan ook veel stof opwaaien. Door een aantal betrokkenen (vooral uit de hoek van Platform Raam, het eerdere Raam op Rusland, maar ook de Hidde Bouwmeester’s, David Jan Godfroid’s en Arnout Brouwer’s van deze wereld) werd gesuggereerd dat Erdbrink zich had laten gebruiken voor propagandadoeleinden van Rusland of nog erger dat Erdbrink zelf erop uit was geweest propaganda te maken voor Rusland, juist door dit project, onder deze condities, zo uit te voeren. Dat zou ook aanwijsbaar zijn in sommige stukken van de serie.

    De opinie van Raymond van den Boogaard

    Raymond van den Boogaard geeft op zijn eigen website een evenwichtige bespreking van de documentaireserie. Van den Boogaard was jarenlang als journalist werkzaam in de Sovjet-Unie voor NRC Handelsblad en NOS Journaal. Hij ‘mocht’ als een van de weinig journalisten de Loebjanka, het Moskouse hoofdkwartier van de KGB (nu FSB), in Moskou bezoeken. En hij “kon het navertellen” hoewel hij dat journalistiek niet deed vanwege een te beperkte nieuwswaarde van het item. Van den Boogaard had de uitnodiging ontvangen omdat in dit KGB-gebouw de oud kamer was van Joeri Andropov, die de baas was van de KGB van 1967 tot 1982. Hij was iets meer dan een jaar secretaris-generaal van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie (eind 1982 tot zijn overlijden begin 1984).

    Van den Boogaard heeft waardering voor de serie van Erdbrink en Van Broekhoven: een “goedgemaakte serie, mooi gefilmd en met een verslaggever die zich een begaafd en empathisch interviewer betoont. Voor zover ik dat kan beoordelen aan de hand van andere getuigenissen geeft de serie ook een adequaat beeld van de stemming in Rusland…” Erdbrink houdt afstand tot wat er wordt gezegd, ook ten opzichte van de uitingen in en over Marioepol, de stad die door de Russen in 2022 werd belegerd en uiteindelijk in datzelfde jaar werd ingenomen. Van de andere kant wordt hij ook nooit kritisch in de zin van ‘oppositioneel’, aldus de oud-medewerker van NRC Handelsblad en NOS.

    Waarom mocht Erdbrink in Rusland reizen?

    Raymond van den Boogaard vindt het opmerkelijk dat Thomas Erdbrink in staat is gesteld door heel Rusland te reizen. Waarom mocht Erdbrink doen “wat vrijwel alle andere Westerse journalisten onmogelijk wordt gemaakt?” Dat leidt bij Van den Boogaard tot de vraag wie daarvan profiteert. Hij suggereert dat de Russische overheid uiteindelijk heeft ingeschat dat er meer voor- dan nadelen zouden zijn bij het toestemming geven aan Erdbrink om zijn project te doen in Rusland. De documentaireserie zou dus propagandistische waarden (kunnen) hebben voor Rusland en dat kan de (doorslaggevende) reden zijn geweest dat de Erdbrink toestemming gaven. Raymond van den Boogaard laat daarbij wel aantekenen dat hij er niet van uitgaat dat Erdbrink doelbewust gekozen heeft propaganda te maken voor Rusland. “Er is geen kwade opzet”. De intentie was “een mooie, in sommige opzichten zeker baanbrekende serie te maken”.

    Wel zou je Erdbrink kunnen verwijten een problematische titel te hebben gegeven aan de serie, aldus Van Den Boogaard. De titel ‘Onze man bij de vijand’ is volgens hem “al een aanwijzing voor het manipulatieve karakter van de onderneming: natuurlijk is er in werkelijkheid bijna niemand die echt zou denken dat Russen collectief vijandige bedoelingen zouden hebben tegenover ons Nederlanders.” De vraag is of Van den Boogaard hier een reële inschatting geeft van de beeldvorming met betrekking tot Rusland in Nederland. Feit is dat door de heersende politieke klasse en dominante stromen in de media Rusland al jaren wordt geframed als ‘vijand’ van ons. Voortdurend worden er angstbeelden geprojecteerd, tot en met het idee dat ‘de Russen’ en ‘Poetin’ eropuit zijn om op termijn ook in de rest van Europa te willen binnenvallen.  Op basis van deze angstbeelden wordt al jaren een politiek gevoerd – en voortgezet – om de oorlog te continueren: sancties, meer wapens naar Oekraïne, geen diplomatie met Rusland, etc. Afgelopen jaar was er een campagne om een breed draagvlak te creëren om de uitgaven voor defensie flink te verhogen. Nederland volgt de afspraak met de NAVO om de defensie-uitgaven te verhogen naar vijf procent van het bruto binnenlands product (bbp) tegen 2035. Daarvoor wordt de verzorgingsstaat verder afgekalfd, zoals het regeerakkoord van het Kabinet-Jetten laat zien.   

    Raymond van de Boogaard geeft een betekenisvol slot aan zijn korte essay. Hij vermoedt dat hij, als hijzelf in 1990 de kans had gehad, “dankbaar zou zijn ingegaan op de mogelijkheden als die welke Erdbrink voor deze serie werden geboden. Maar of dat moreel verdedigbaar zou zijn geweest? Dat oordeel laat ik graag aan de kijkers over. En aan het geweten van de makers, natuurlijk.”

    Erudiet publicist en kenner Oost-Europa

    Bij veel van de Oost-Europa-experts heb je snel het gevoel dat je met propagandisten te maken hebt. Afgelopen jaren kwam dat samen in de Nordstream-affaire. Het beeld dat Rusland achter die aanslag zat, was vooral door deze groep gepromoot in de media. Terwijl er toen het gebeurde al dringende aanwijzingen waren dat de VS en Oekraïne er zelf achter zaten (zie het beruchte interview met Biden over de Nordstream een aantal maanden voor de aanslag en het non-belang dat Rusland er zelf bij had). De vooringenomenheid bleek ook in 2022 toen Amnesty een rapport uitbracht dat duidelijk maakte dat niet alleen Rusland maar ook Oekraïne in strijd handelde met onderdelen van de Geneefse Conventie (rechtsregels bij een gewapend conflict, onderdeel van het internationaal humanitair recht). In het rapport werd beschreven dat het verboden is om militairen te laten schieten vanuit ziekenhuizen. Door veel politici, analisten en journalisten werd Amnesty vervolgens voor de bus gegooid en gedesavoueerd. Hoe durfde deze organisatie dat te doen tegen de achtergrond dat Rusland de oorlog was begonnen en de agressor was? Bovendien zouden de beschuldigingen ‘de Russen in de kaart spelen’. Eigenlijk zagen we toen al dat het internationale recht aan de kant werd gezet, vijf jaar voordat dat definitief lijkt te gebeuren. En dat gebeurde niet zozeer door extreemrechts maar door het politieke midden, inclusief direct links en recht van het midden.

    Dit kom je bij Raymond van den Boogaard niet tegen. Hoewel je sommige zaken wat anders kunt bekijken, heb je bij hem het gevoel te maken te hebben met een erudiete publicist, die vasthoudt aan de journalistieke professionaliteit en bijpassende attitude.

    Raymond van den Boogaard, Een kijkje nemen achter het front.

    28 maart 2026, https://wellalwayshaveparissite.com

    Like

Plaats een reactie

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑