
Een van de merkwaardigheden van pacifisme is dat deze denkrichting altijd maar van één partij in een mogelijk conflict uitgaat: wíj moeten ons niet tot bewapening of oorlogstaal laten verleiden om de vrede te bewaren. Maar waar principiële pacifisten – of gelegenheids-pacifisten – geen rekening mee houden is de mogelijkheid dat een andere partij ons tot vijand bestempelt en voorbereidingen treft ons aan te vallen. Dat laatste is de situatie waarin Europa zich nu bevindt. Al bijna vier jaar voert Rusland oorlog tegen wat het Kremlin aanvankelijk als ‘het collectieve Westen’ omschreef, maar nu in toenemende mate wordt aangeduid als een agressief Europa. Toch lijkt dat op de Europeanen voorshands weinig indruk te maken, constateert de Franse historicus Stéphane Audoin-Rouzeau in zijn boekje ‘Notre déni de guerre’. Tachtig jaar vrede hebben de Europeanen in de waan gebracht dat oorlog in onze streken niet meer kan bestaan.
Het is niet voor het eerst dat zo’n gevoel zich van Europa meester heeft gemaakt. Na afloop van de Eerste Wereldoorlog heerste een soortgelijke stemming, beschrijft Audoin-Rouzeau, de voornaamste kenner van Frankrijk in de periode 14-18. Enthousiast waren de soldaten in de zomer van 1914 richting slagveld vertrokken, in de vaste overtuiging dat de oorlog niet lang zou duren en een klinkende overwinning in het verschiet lag. Maar in plaats daarvan ontwikkelde zich een loopgravenoorlog, waarin bijna vier jaar lang geen van de partijen een doorbraak kon forceren – ondanks de ontwikkeling van steeds nieuwe, nog dodelijker wapens, en ondanks miljoenen dode en gewonde soldaten – bijna het wegvagen van een hele generatie.
In Frankrijk werd in de laatste oorlogsjaren het moreel onder andere op peil gehouden door de gedachte dat deze oorlog ‘la der des ders’ zou zijn – de allerlaatste oorlog die vriend en vijand voor eeuwig de zinloosheid van oorlog zou doen inzien. Zowel in Frankrijk als in Duitsland, maar ook wel in andere Europese landen, bestond na 1918 een heel actieve en soms ook invloedrijke pacifistische beweging, die zich verzette tegen herbewapening en verhoogde defensie-uitgaven, ook nadat al ruimschoots duidelijk was geworden dat Nazi-Duitsland zijn zin had gezet op revanche voor de nederlaag van 1918.
Over de vraag of dit pacifisme mede heeft geleid tot verwaarlozing van de Franse defensie kan verschillend worden gedacht. De historicus Marc Bloch (1886-1944) dacht in zijn beroemde, posthuum verschenen ‘L’étrange défaite’ van wel. Andere deskundigen denken eerder dat de Franse nederlaag niet zozeer het gevolg was van verwaarlozing van de strijdkrachten, als van strategische misrekening: alle aandacht was uitgegaan naar de statische defensie van de Maginot-linie, terwijl de Duitse invasie door grote bewegelijkheid van de troepen werd gekenmerkt.
Het pacifisme van de jaren dertig was zeker wél van invloed in Spanje: hoewel men in de meeste democratieën uitstekend begreep dat een overwinning van Franco in de burgeroorlog een zege voor het fascisme zou betekenen en daarmee een veeg teken van verdergaand onheil, zagen de Europese landen af van interventie, om escalatie te voorkomen en in de hoop dat het conflict tot Spanje beperkt kon blijven. De analogie met de voorzichtige benadering van Oekraïne nu ligt voor de hand. Overigens denkt Audoin-Rouzeau dat Oekraïne de huidige oorlog eigenlijk al verloren heeft – sinds het mislukken van het Oekraïense tegenoffensief in 2023 is er aan het frontverloop nog maar weinig veranderd. Maar net als in 14-18 kan de verliezer in een loopgravenoorlog de erkenning van de nederlaag eindeloos voor zich uitschuiven.
De grote verwaarlozing van de defensie van Europa zou pas veel later volgen. Met het einde van de Koude oorlog – zo rond 1990 – had men in West-Europa hoge verwachtingen van het ‘vredesdividend’, het wegvallen van de hoge investeringen die nodig waren geweest voor het op peil houden van de defensie. Dat gebeurde dus ook niet meer, dat op peil houden. Nog erger misschien is dat Europeanen collectief waren gaan geloven dat, zoveel decennia na 1945, oorlog eigenlijk niet meer denkbaar was in hun continent. In de jaren negentig werd in tal van landen – waaronder Nederland – de dienstplicht (of zoals scherpslijpers altijd benadrukken: de opkomstplicht) afgeschaft, waardoor de landsverdediging een verschijnsel is geworden waar maar heel weinig burgers nog een voorstelling van hebben. Oorlog was een verschijnsel dat de meeste Europeanen achterhaald en onmogelijk voorkwam – niet iets waarmee je zelf in contact zou komen.
De grootscheepse Russische inval in Oekraïne heeft deze illusie ruw verstoord. Naarmate de oorlog in Oekraïne voortduurt, wordt de kans steeds groter dat de oorlog zal overslaan naar andere Europese landen, vooral nu het er de schijn van heeft dat de Verenigde Staten zich niet geroepen voelen verder aan de defensie van de Europese democratieën bij te dragen. Als gevolg daarvan worden Europeanen geconfronteerd met de mogelijkheid van een oorlog, die zij tot voor kort voor ondenkbaar zouden hebben gehouden: waarin échte slachtoffers vallen, ook onder burgerbevolking, en waarin van de burger ook wordt gevraagd bij te dragen aan de verdediging tegen een agressor.
Hoe traag deze wetenschap tot de geesten doordringt, bleek uit de reacties eind vorig jaar op een toespraak van de Franse chef staf, Fabien Mandon. Die had op een vergadering van burgemeesters gewaarschuwd tegen het nog geringe besef dat oorlog een reële mogelijkheid is: ‘Wat nog ontbreekt – en daarbij spelen jullie een belangrijke rol – is de mentale kracht om pijn te accepteren, om zo te beschermen wie we zijn. Als ons land zwicht omdat het niet bereid is om zijn kinderen te verliezen (…), dan lopen we gevaar’. Die speech is hem door velen kwalijk genomen. Er zijn immers generaties opgegroeid in West-Europa, voor wie vrede een vanzelfsprekendheid leek.
Nederland is Frankrijk niet. Onze mentale geschiedenis met oorlog is ook een andere – al was het maar omdat Nederland in de Eerste wereldoorlog neutraal kon blijven, waardoor de Tweede wereldoorlog, meestal gezien in termen van ‘Duitse bezetting’, in veel opzichten een soort geïsoleerd fenomeen lijkt. Het aantal Nederlanders dat warme gevoelens voor de nationale krijgsmacht koestert is ook maar klein, vrees ik. Ik weet wel dat in mijn generatie – ik ben van 1951 – door mijn leeftijdgenoten over het algemeen enigszins meewarig werd gekeken naar iemand die, zoals ik, zijn dienstplicht had vervuld in de gedachte dat het hier burgerplicht betrof.
Erkennen dat oorlog een reële mogelijkheid is, voelt misschien als een nederlaag. Dat is ook de grote kracht van het pacifisme als denkrichting: oorlog lijkt een inbreuk op de rationaliteit. Het leed van de oorlog is te groot, de schade eveneens, en de uitkomsten van een oorlog zijn bijna altijd onbevredigend. Toch is er geen alternatief voor verdediging, wanneer je tenminste niet op je knieën wilt leven. De ogen sluiten voor de werkelijkheid heeft in ieder geval geen enkele zin.
Stéphane Audoin-Rouzeau: Notre déni de guerre. Seuil 2026
Afbeelding: Frans offensief nabij Notre-Dame-de-Lorette (Pas-de-Calais), op 15 avril 1915. (Foto AFP)

Plaats een reactie