Het Russische leven als samenzwering

Boeken van Nederlanders die langere tijd in Rusland hebben geleefd in de periode na de Sovjet-Unie lees ik met iets van afgunst. Eind 1987, nog net in de Sovjet-tijd, sloeg ik zelf opgelucht na vijf jaar de deur van mijn Moskouse appartement achter me dicht. Het was zeker een ervaring voor het leven geweest, maar ook benauwend. Weinig leek mij een vreselijker vooruitzicht dan de rest van mijn leven ‘Rusland-kundige’ te moeten zijn.  

Buitenlanders woonden in die tijd in getto’s met een agent voor de deur en in de wetenschap dat je werd afgeluisterd en op straat gevolgd – dat laatste liet men je af en toe merken. Spontaan contact met Sovjet-burgers was zelden mogelijk, en dan nog wist je niet wie er voor de KGB werkte. Uitgaansleven was er nauwelijks in Moskou. De stad verlaten was verboden zonder vergunning en die werd uitsluitend verleend voor een vooraf georganiseerde stedentrip – in vijf jaar geen Russisch dorp gezien. De Sovjet-Unie was een wereld apart. Internet bestond niet, buitenlandse radio werd gestoord en er was geen automatische telefoonverbinding met het buitenland – gelukkig had ik als correspondent telex. 

Op aandringen van een bevriende uitgever verscheen in 1988 van mijn hand nog ‘Moskou aan zee’, een bundel indrukken en reportages. Daarna heb ik me meer dan twintig jaar zo ver mogelijk bij Rusland vandaan gehouden. De enkele keren dat ik er als toerist nog ben geweest, kwam het me voor alsof mijn indrukken van vroeger sterker waren dan de werkelijkheid van het moment: ik keek en kijk met Sovjet-ogen. In Rusland ben ik iemand uit het verleden, zonder heimwee. 

Hoogstens met een beetje spijt dus: wat als ik tien jaar later voor het eerst in Rusland was gearriveerd, in een land dat niet meer een politiestaat was, waar ik me vrij had kunnen bewegen, en vrienden maken? Die toestand trad vrij spoedig na mijn vertrek in voor buitenlanders. Ook honderden Nederlanders hebben er goed gebruik van gemaakt – als student, wetenschapper, zakenman of journalist. En hebben een mate van inzicht in land en volk ontwikkeld, die in Rusland na 1917 niet tot de mogelijkheden had behoord.

Toevallig verschenen deze maand – bij dezelfde uitgeverij nota bene – twee erg leuke boeken over het Rusland uit de post-sovjettijd: ‘Rusland, land dat anders wil zijn’ van de sociaal-historicus Gijs Kessler (1969) en ‘Een Rus als ik’ van de antropologe Eline Helmer (1993). Hoewel in veel opzichten onvergelijkbaar in opzet, geven beide auteurs een onconventioneel, razend interessant beeld van Rusland – een land dat op het eerste gezicht lijkt op (andere) Europese landen, maar tegelijkertijd ook zo heel anders blijkt te zijn.

Kessler is als historicus verbonden aan het onvolprezen Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) in Amsterdam. ‘Land dat anders wil zijn’ beschrijft de stormachtige veranderingen die zich in de afgelopen kwart eeuw in Rusland hebben voltrokken. Het boek heeft niet de vorm van een academische verhandeling, maar biedt meer een beeld ‘van binnenuit’, waarbij de ervaringen met Kesslers Russische echtgenote – die aan het eind van het boek helaas overleden blijkt – duidelijk een belangrijke bron van inspiratie vormen.

Kessler zet zich in dit uiterst leesbare boek af tegen de vaak gedebiteerde pseudo-wijsheid dat ‘in Rusland toch nooit iets veranderd’. De bevolking van Rusland, betoogt hij op goede gronden, heeft zich in de afgelopen kwart eeuw met wonderbaarlijke souplesse heengeslagen door een historische omwenteling zonder weerga: van een paternalistische, egalitaire verzorgingsstaat naar een in veel opzichten keiharde markteconomie bijvoorbeeld. Daarbij hebben Russen zich dan ook nog een aantal keren langs een economische afgrond bewogen. Weinig Europese volkeren doen hen dat  na. Rusland moge dan, schrijft Kessler ergens, de ‘jaren zestig’ hebben gemist – het decennium waaraan in Westerse landen veelal grote maatschappelijke veranderingen worden toegeschreven. Die schade hebben ze in de jaren negentig echter ruimschoots ingehaald.

In hoofdstukken met titels als ‘de mens’, ’de macht’ en ‘de markt’ schetst Kessler de contouren van die veranderingen. In het hoofdstuk ‘het verleden’ beschrijft hij de Russische afkeer van ‘collectieve verantwoordelijkheid’ ten aanzien van wandaden in het verleden, zoals de stalinistische terreur. Ons Westerse beeld van historische schuld en verantwoordelijkheid is, meent de auteur, sterk bepaald door de houding van West-Duitsland, waar eigenlijk een hele natie spijt heeft betuigd voor de wandaden van de Nazi-tijd. Russen denken niet zo – daders en slachtoffers van het Stalinisme waren immers maar gestuurd. Niet het collectief draagt schuld, maar het individu. 

Er zijn meer collectieve attitudes die van Rusland een land maken dat weliswaar optisch sterke gelijkenis vertoont met de rest van Europa, maar bij nader inzien een exotische indruk maakt. Zo is er de opmerkelijke morele afkeer van ‘handel’ als menselijke activiteit – die moeiteloos samen lijkt te gaan met naar Westerse begrippen onbegrijpelijk omvangrijke corruptie en zelfverrijking. 

Met name in de economie heeft de Russische samenleving een stormachtige verandering doorgemaakt, en dat niet alleen in de afgelopen kwart eeuw. De overgang van agrarische- naar industriële en geürbaniseerde samenleving is iets wat zich in belangrijke mate al in de Sovjet-tijd had voltrokken. De ontwikkelingen van de afgelopen 25 jaar bieden weinig om trots op te zijn: de op een autarkische economie georiënteerde Sovjet-industrie miste de wendbaarheid om in te spelen op de verschuiving naar consumptiegoederen – tot de dag van vandaag is er volgens mij nauwelijks een Nederlander te vinden die iets in huis heeft wat in Rusland gemaakt is. ‘Gunstige’ uitzondering is – in termen van internationale competitie – hoogstens alleen de bewapeningsindustrie, die tot op de dag van vandaag op oude, ‘Sovjet’-voet lijkt door te gaan.

De omvang van de economie van Rusland – het in vierkante kilometers grootste land op aarde – is, afgemeten naar Bruto Nationaal Product, te vergelijken met die van Portugal of Spanje, lees je soms – en dat is dan bedoeld als geruststelling.  Het probleem voor de buitenwereld is echter niet zozeer de omvang, maar de structuur van die economie: een diensteneconomie die bijna uitsluitend kan bestaan dankzij uit de verkoop van olie en gas afkomstige ‘petrodollars’. 

En die inkomsten worden dan ook in onvoorstelbare mate afgeroomd door de corruptie kliek die de macht heeft in het Russische staatsapparaat en die het vasthouden aan die macht inmiddels als zijn voornaamste, zo niet enige opdracht ziet. Kessler beschrijft de geleidelijke wording van deze situatie: toen veel verstandige Russen in 2011 begrepen dat de rechtsstaat ten onder dreigde te gaan, was het eigenlijk al te laat. 

Voor veel Russen verandert de huidige politieke situatie misschien niet zo heel veel: zij wantrouwden de overheid altijd al, en hadden tegelijkertijd hoge verwachtingen op het gebied van zorg en regulering, waaraan die staat niet voldoet.

Het origineelste hoofdstuk van Kesslers boek is dat over de plaats van Russen in ‘de wereld’. Russen, schrijft hij, leven in de stellige overtuiging dat het gras elders op de wereld groener is. Dat een buitenlander zich vrijwillig in Moskou zou vestigen, gaat er bij hen meestal niet in. Tegelijkertijd voelen Russen, wanneer ze in de gelegenheid zijn naar het buitenland te reizen, zich in het Westen niet helemaal geaccepteerd. 

Het is een venijnig gevoel dat ze ten onrechte als minderwaardig worden beschouwd – iets waar de hedendaagse Poetin-propaganda gewiekst op inspeelt. De wil om in de grote wereld mee te tellen leidt, schrijft Kessler, tot een “constante druk om anders te willen zijn dan je bent, die uiteindelijk wegvalt in het omarmen van het feit dat je anders bent, en ook anders wilt zijn dan de anderen”. 

De oplossing voor dit knagende gevoel is duidelijk: Rusland moet een eigen koers varen, isolationisme dus. Maar in een wereld waar staten en economieën met elkaar sterk verweven zijn geraakt, is totaal isolement – zoals die in de Sovjet-tijd, toen maar heel weinigen de staatsgrenzen mochten passeren min of meer bestond – een problematische zaak. Toch lijken Poetin c.s. met de dag meer in te zetten op isolationisme, waarbij de buitenwereld – althans het Westen – dan ook nog eens tot vijand wordt bestempeld. Met een voor zijn boek kenmerkende voorzichtigheid en afkeer van ideologische grote woorden schrijft Kessler: “De tijd zal leren of [de gekozen lijn] voldoende gewicht in de schaal legt om Rusland onderdeel te laten blijven van die wereld waarin het nog maar zo recent de eerste schreden heeft gezet”. 

Van een heel andere orde is ‘Een Rus als ik’ van Eline Helmer. Toen Gijs Kessler in 1991 met verbaasde ogen uit het Wit-Russische station in Moskou kwam, moest Helmer nog geboren worden. (Ik vraag me trouwens af of er wel een goede beschrijving bestaat van die ene Russische slaapwagon die drie keer per week tussen Hoek van Holland en Moskou reed, en bediend werd door twee bejaarde mannen in het uniform van de Sovjet-spoorwegen met een samovar. In Brest, waar de wagon vanwege de in Rusland afwijkende spoorbreedte op een ander onderstel werd gehesen, mocht de reiziger kiezen: in de  wagon blijven en mee opgehesen worden, of wachten in het karige stationsbuffet). 

Ook Helmer beschrijft Rusland en Russen vanuit persoonlijke waarneming, voornamelijk als student in Pskov en later Sint-Petersburg. Haar ervaringen geven een goed beeld van wat je de ruigheid van het Russische bestaan zou kunnen noemen: zowel vriendelijkheid als botheid jegens de medemens liggen dicht onder de oppervlakte. Veel kenmerken van het Russische leven komen in dit vaak geestige boek aan de orde: het superieure gebrek aan belangstelling voor properheid bijvoorbeeld, of de doodsverachting die hoort bij wandelingen over bevroren meren of autorijden zonder veiligheidsgordel. En dan zijn er nog de meestal onbegrijpelijk ingewikkelde procedures voor van alles en nog wat: je buskaartje moet je in de automaat zelf ontwaarden, waarna de conductrice zich door de drukke bus wurmt om te controleren of je dat ook echt gedaan hebt. 

Helmer heeft jarenlang bijgehouden wat er gezegd werd in haar spontane gesprekken met Russen – zowel met bekenden als bij willekeurige ontmoetingen op straat, of in de bus bijvoorbeeld. Het resultaat is een veelzijdig beeld van hoe Russen verbaal reageren op de medemens en op de kleine (of eventueel grote) problemen des levens – niet systematisch geordend, maar wel erg onthullend. Ook Helmer heeft, volgens haar boek, in Rusland de liefde gevonden – een detail dat mij in beide boeken persoonlijk intrigeert omdat ik Rusland in mijn tijd als een weliswaar zeer boeiende, maar absoluut anti-erotische omgeving heb ervaren.

Er zijn, grappig genoeg, ook zaken in beide boeken die de auteurs als typisch voor hun eigen tijd zien maar die al in de Sovjet-tijd bestonden. Dat geldt bijvoorbeeld voor de privé-auto’s die stopten als je op straat een taxi probeerde aan te houden. Ook al in de vroege jaren tachtig moest je dan met de chauffeur onderhandelen. Hetzelfde gold trouwens voor reguliere taxi’s – de meter was maar een plichtpleging zonder economische betekenis.

Maar belangrijker is iets anders. Zowel Kessler als Helmer brengen het begrip ‘nasj tsjelovjek’ ter sprake – vrij vertaald ‘een van ons’. Voor Russen, lijkt het soms, valt de wereld in ‘nasji’ en ‘njenasji’ – oftewel ‘de onzen’ en de ‘niet-onzen’. De ‘onzen’ zijn dan degenen die weten wat er in Rusland terzake doet – en waarmee je dus gewoon kunt omgaan. 

Daarbij gaat het nog niet eens alleen om de taal – al is het natuurlijk wel handig als je Russisch spreekt, maar anders dan bij Fransen zal het een Rus een zorg zijn of je een fout maakt bij de werkwoord-vervoeging. Belangrijker is echter of je de culturele codes kent: dat je ’s winters niet zonder muts de straat op kunt, dat je bij een toast je glas tot de bodem moet leegdrinken, dat Poesjkin de grootste schrijver is die ooit geleefd heeft, dat je vrouwen op 8 maart een bloemetje geeft en tal van andere grote en kleine dingen. Er zijn ook negatieve codes natuurlijk: mij heeft altijd verwonderd dat optimisme geldt als een teken van slechte smaak.

Er gaat iets heel dwingends uit van die cultuur, die maakt dat het leven in Rusland soms het karakter krijgt van een grote samenzwering. Bijna iedere buitenlander die wat langer in Rusland verblijft, kent dat volgens mij, want het is een menselijke behoefte aansluiting te zoeken bij je omgeving en geen volstrekte buitenstaander te blijven. Zelfs ik, met mijn zeer beperkte sociale mogelijkheden in de Sovjet-tijd, had er last van: wanneer ik in zo’n als taxi fungerende privé-auto was gestapt en een praatje met de chauffeur probeerde te maken, zei ik desgevraagd meestal dat ik een Est was. Esten spraken ook slecht Russisch en waren lang, maar Estland was een deel van de Sovjet-Unie en Esten waren dus ‘nasji’ – van ons. ‘Hollander’ had aan alle conversatie onmiddellijk een eind gemaakt. Niet van ons.

Volgens hetzelfde denkpatroon zijn er, vrees ik, tientallen miljoenen Russen die er dezer dagen oprecht en zonder kwade bijbedoelingen van overtuigd zijn dat de Oekraïeners, net als ‘vroeger’, ‘nasji’ zijn en wel blij zullen zijn dat onze jongens er hun leven voor over hebben om ze te ‘bevrijden’ van de nare figuren die hen van het tegendeel willen overtuigen. Wat zich nu rondom Oekraïne voltrekt is in alle opzichten diep-tragisch: het kost niet alleen veel mensenlevens maar dompelt Rusland en zijn bewoners ook onder in een nieuw isolement – economisch, politiek en cultureel. Het zou in de huidige atmosfeer best nog wel jaren kunnen duren, voordat er weer sprake zal zijn van het soort academische en persoonlijke contacten die het Kessler en Helmer mogelijk hebben gemaakt hun boek te schrijven.

Ikzelf heb mij, zoals hierboven al verteld, na 1987 vele jaren nog maar weinig met Rusland bezig gehouden. Mijn kennis over de ontwikkelingen daar beperkte zich tot die van de gemiddelde krantenlezer en tot mijn schande moet ik bekennen dat ik heel lang ben uitgegaan van de gedachte dat het in ieder geval nooit meer zo erg kon zijn als in ‘mijn tijd’. Totdat ik in 2011 plotseling begreep dat dit een vergissing was: het was, of liever gezegd werd anders dan in ‘mijn tijd’, maar niet minder erg. Eens te meer zakt Rusland weg in dictatuur, politiestaat, totalitaire ideologische onzin. Dankzij internet en satelliettelevisie en mijn nog niet weggezakte talenkennis heb ik dat proces, dat nog dagelijks nieuwe dieptepunten oplevert, van nabij gevolgd. 

Eeuwig stom van mij dat ik de goede tijd, die Kessler en Helmer in staat heeft gesteld hun boek te schrijven, heb gemist. Maar zij zijn jonger dan ik: misschien maken zij nog mee dat Rusland herrijst uit de catastrofe van thans.

Gijs Kessler: Rusland. Land dat anders wil zijn. Vijfentwintig jaar van binnenuit. Prometheus 2022.

Eline Helmer: Een Rus als ik. Ontmoetingen in alledaags Rusland. Prometheus 2022.

Afbeeldingen. 1. Metro Proletarskaja, ‘mijn’ metrostation in Moskou, waar sinds de jaren tachtig in het geheel niets is veranderd. 2. Kroetitski Val, huis 3 in Moskou. Mijn flat (tweede opgang, flat 173) bevond zich op de bovenste verdieping, geheel links. Merkwaardig genoeg staat er nog steeds een hek om het gebouw en wordt de ingang bewaakt – nu, naar ik aanneem, om de Russische bewoners te beschermen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: