Opkomst en ondergang van de as Washington-Londen

“Dat Groot-Brittannië en de Verenigde Staten hun eigen idealen lang niet altijd waarmaakten, maakt de sloop ervan niet minder angstwekkend”, schrijft Ian Buruma tegen het einde van zijn ‘Het Churchill-complex’. Dat ‘niet waarmaken’, denkt de lezer, is wel enigszins een understatement. Want in de voorafgaande driehonderd pagina’s van dit leuke boek heeft Buruma laten zien dat de in officiële toespraken decennialang bezworen ‘speciale relatie’ tussen Londen en Washington vaak niet veel meer dan een vroom idee is geweest, een holle frase, of een doekje voor het bloeden.

Dat doet de filosofische vraag rijzen of je angstig moet zijn bij de teloorgang van iets wat wellicht het best als een politieke mythe kan worden omschreven. Het antwoord – algemeen gesproken – is natuurlijk ‘ja’: mythes zijn er om geloofd te worden, zoals de huidige opkomst van neo-nationalisme in veel landen laat zien. Buruma’s angst heeft echter geenszins betrekking op nationalisme, maar juist op een droom van democratische wereldorde: “De Anglo-Amerikaanse wereld waar ik naar opkeek tijdens mijn jeugd, misschien wat naïef, maar wel om redenen die gebaseerd waren op de historische waarheid, heeft ernstige schade opgelopen”.

Ian Buruma (1951) is een Nederlandse essayist en historicus die in het Engels schrijft en wiens carrière zich grotendeels afspeelt in de ‘Anglo-Amerikaanse’-wereld. In het nawoord bij dit boek schrijft Buruma dat ‘Het Churchill-complex’ tot stand is gekomen in een voor hem moeilijke tijd. Vermoedelijk doelt hij daarmee op zijn vertrek, na slechts 14 maanden, als hoofdredacteur van de ‘New York Review of Books’ in 2018. Aanleiding daarvoor was een storm van protest over een artikel waarin een man sommige beschuldigingen vanuit de ‘#metoo’-beweging tegen zijn persoon relativeerde.

Buruma’s vertrek – naar zijn zeggen onder druk van een campagne tegen zijn persoon – was op zijn beurt aanleiding tot een verontwaardigde brief van meer dan honderd prominente intellectuelen, onder wie vooraanstaande auteurs van de NYRB, over de weinig liberale onderdrukking van controverse in het blad. Het doet me geen genoegen dat te zeggen, maar ik vrees dat de NYRB sinds dit alles enorm is afgegleden: van een veertiendaags ‘high brow’-feestje naar een angstig, politiek-correct orgaan met (veelal) tweederangs auteurs.

‘Het Churchill-complex’ is vooral een diplomatieke geschiedenis, en dan eentje die opvallend goed is opgeschreven. Uitgangspunt is de idee van de ‘bijzondere verhouding’ tussen Groot-Brittannië en de VS, zoals die al sinds 1945 op gezette tijden bezworen wordt – ook de huidige Britse premier Boris Johnson heeft er de mond van vol, bijvoorbeeld wanneer hij rooskleurige vergezichten poogt te schilderen voor zijn land na de breuk met de Europese Unie.

Of de Britse liefde in gelijke mate wordt beantwoord door president Donald Trump is sterk de vraag. Voor zover iets zinnigs te zeggen valt over Trumps inzichten ten aanzien van Europa lijkt zijn attitude op die van zijn voorganger Barack Obama: Europa is niet zo belangrijk meer, Azië is dat wel. Er is eigenlijk weinig reden om te denken dat dit onder een eventuele president Joe Biden straks heel anders zal zijn. Deze heroriëntering heeft voor Europa ingrijpende gevolgen, met name dat ons continent voortaan meer voor zijn eigen militaire veiligheid zal moeten zorgen – nu is dat nog maar nauwelijks het geval.

De gedachte dat de as Londen-Washington eigenlijk het hart is van het Atlantisch bondgenootschap – in Buruma’s boek is voor landen als Frankrijk of Duitsland slechts een rol aan de zijlijn weggelegd – is een erfenis van de Brits-Amerikaanse samenwerking in de Tweede Wereldoorlog. President Roosevelt (FDR) wist na de intrede van Japan in de oorlog de VS uit hun isolationistische sluimer te wekken – daarmee de hartewens van de Britse premier Winston Churchill vervullend.

En toen Nazi-Duitsland eenmaal verslagen was, lag de gedachte voor de hand dat er uit de geschiedenis geleerd moest worden. De aanzet daartoe hadden de beide staatslieden al gegeven in 1941, nog voor de formele intrede van de VS in de oorlog, door de afkondiging van het ‘Atlantisch handvest’, vol goede ideeën: zelfbeschikkingsrecht voor de volkeren, vrijhandel, economische ondersteuning van landen in crisis, vrijheid en vrede, ontwapening van landen die als agressor optraden.

De basisgedachte bij dit alles was dat de VS en Groot-Brittannië geroepen waren een naoorlogse, betere internationale orde tot stand te brengen. Maar het was een in hoge mate asymmetrisch verbond, al viel dit de Britten aanvankelijk wellicht niet zo op. Aan de ene kant stond Amerika, wereldmacht in opkomst met schier eindeloze ressources op allerlei gebied. Aan de andere kant de voormalige wereldmacht Groot-Brittannië. In 1945 was het Britse Rijk waar de zon nimmer onderging nog grotendeels intact, maar dat zou niet lang meer duren – ondanks pogingen om door het instituut van het Gemenebest iets van de oude grandeur van wereldmacht te laten voortbestaan.

Zo bezien was voor Londen de ‘speciale relatie’ met Washington een doekje voor het bloeden voor de teloorgang van de eigen status van wereldmacht. De VS bleken ook al spoedig weinig te zien in pogingen iets van de Britse koloniale positie te behouden – in de beste tradities van Amerika gingen zij eerder uit van het zelfbeschikkingsrecht der volkeren. Deze kortsluiting lag onder andere aan de basis van de Suez-crisis van 1956, een door de Britten (en Fransen) op eigen houtje geprovoceerde oorlog die glansrijk werd verloren en feitelijk het einde betekende van de idee van Britse hegemonie op de wereldzeeën.

Buruma beschrijft de wederwaardigheden van dit paar apart vooral aan de hand van de relatie tussen opeenvolgende Amerikaanse presidenten en Britse premiers, en hun politieke omgeving. Elke nieuwe Britse premier wilde zo snel mogelijk zijn opwachting maken in het Witte Huis, ter bestendiging van de ‘speciale relatie’. De mate waarin die relatie ook echt hecht was, of althans zo werd gevoeld, hing in niet geringe mate af van de verenigbaarheid van karakters, laat Buruma zien – hij ziet daarbij trouwens absoluut niet op tegen onbekommerd psychologiseren.

Thatcher-Reagan, dat waren bijvoorbeeld verwante geesten die het met elkaar uitstekend konden vinden. Maar tegelijkertijd luidden deze optimistische jaren ook de neergang van de in 1945 gegrondveste wereldorde in. Na de val van de Muur en de Eerste Golfoorlog maakte zich een fataal gebleken optimisme meester van de geesten: het doel van een vrije, beschaafde en vredige wereld was eigenlijk bereikt en vlekjes op het blazoen konden desnoods met militaire middelen worden weggewerkt.

Het is deze hybris – we gaan hier, anders dan Buruma, even met zevenmijlslaarzen door de geschiedenis – leidde tot de Amerikaans-Britse inval in Irak in 2003, vermoedelijk de meest rampzalige militaire episode tot nu toe in de XXI-ste eeuw. Voor president George Bush en premier Tony Blair leek het aanvankelijk het ‘finest hour’ van de ‘speciale relatie’. Maar omdat al spoedig vaststond dat de ‘casus belli’ – dat de Iraakse leider Saddam over massavernietigingswapens beschikte – uit de duim gezogen was, werkte de Tweede Golfoorlog – die Irak blijvend in het verderf stortte en een hele regio destabiliseerde – zeer negatief uit op het Amerikaanse en Britse aanzien in de wereld.

In de geschiedenis van de ‘speciale relatie’ waren de Britten overigens lang niet altijd volgzaam geweest. Londen hield zich ver van Vietnam, toen de Amerikanen daar de opmars van het wereldcommunisme wilden stuiten bijvoorbeeld. Over het algemeen deelden de beide landen echter een afkeer van ‘appeasement’ – het pogen een tegenstander tot bedaren te brengen door aan zijn eisen toe te geven. ‘München’ bleef een scheldwoord, sinds in 1938 de Britse premier Neville Chamberlain Tsjechoslowakije aan Hitler had weggegeven in de hoop daarmee de Europese vrede te bewaren.

Chamberlains politieke rivaal Churchill was daar in 1938 al sterk tegen gekant geweest, en in die zin is de afkeer van appeasement een tot op heden doorwerkend element in het ‘Churchill-complex’ uit de boektitel. Van de relatie met de VS alleen kon de Britse diplomatie bij dit alles natuurlijk niet leven, vandaar ook dat in Londen vanaf de jaren zestig het besef groeide dat er veel te winnen was met de rol van belangrijke speler in de Europese Unie. Tot aan Trump zijn Amerikaanse presidenten daar ook steeds vóór geweest.

Hoe onvolkomen, tegenstrijdig en mythisch de ‘speciale relatie’ misschien ook geweest moge zijn, je kunt er anno 2020 eigenlijk alleen maar een beetje nostalgisch over zijn, en aan die nostalgie geeft Buruma op de laatste pagina’s ook uitvoerig lucht. De Atlantische solidariteit, de vrije wereldhandel, de gedachte aan een internationale rechtsorde – het ligt allemaal op z’n gat, lijkt het. En zelfs het democratische karakter van de VS en sommige Europese staten lijkt geen zekerheid meer. Alles is mogelijk – en dat is, voor wie geschiedenis van voor 1945 kent, geen fijn gevoel.

Ian Buruma: Het Churchill-complex. Opkomst en ondergang van de Anglo-Amerikaanse orde. (Vertaling Arthur Wevers). Uitgeverij Atlas Contact 2020.

Afbeelding boven: Roosevelt en Churchill op de conferentie van Casablanca in 1943. Onder: Johnson en Trump in het Witte Huis in 2017.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: