Revoluties op termijn

(29mei 2016)

Even tijd voor een lichtpuntje: misschien horen we later nog van de democratische, moderniserende Arabische Lente. Die lijkt nu, behalve in Tunesië misschien, reddeloos verloren – geëindigd in oorlogen, burgerkrijg en autoritaire regimes. Maar Marwan Muasher, voormalig minister van buitenlandse zaken van Jordanië en tegenwoordig verbonden aan de Carnegie Endowment for International Peace houdt de moed erin. Denk aan het revolutiejaar 1848, schrijft hij. In 1848 ontbrandden er, in Parijs en Berlijn en elders als bij toverslag revoluties die vaak een nationaal programma (de Duitse eenheid, de Italiaanse eenheid) hadden, maar vooral gekenmerkt werden door een onstuimig verlangen naar vrijheid, en naar democratie. Die revoluties werden door de gevestigde orde in geweld gesmoord, maar zie: dertig jaar later was op veel plaatsen de geest van 1848 politieke realiteit geworden: Frankrijk een democratische republiek, Duitsland een vereend keizerrijk met een parlement, om twee voorbeelden te noemen. Dus schrijf de Arabische Lente niet te vroeg af, betoogt Muasher: de drang naar vrijheid laat zich niet blijvend onderdrukken.

Dat is ook de opvatting van de Franse historicus Michèle Riot-Sarcey – die eerder naam heeft gemaakt met (door mij ongelezen) boeken over vrouwenstrijd en utopieën in de XIXde eeuw. Le procès de la liberté heet haar jongste studie, enigszins pretentieus voorzien van de ondertitel ‘een ondergrondse geschiedenis van de XIXde eeuw in Frankrijk’. Riot-Sarcey bedrijft zogeheten ‘contre-histoire’, daartoe naar eigen zeggen aangespoord door de Duitse filosoof Walter Benjamin, die in het Passagenwerk en in zijn Über den Begriff der Geschichtezou hebben betoogd dat het algemeen aanvaarde ‘geschiedverhaal’ het product is van de overwinnaars in de geschiedenis, en dat de selectie van feiten die in het geschiedverhaal terecht komen immer het resultaat is van kennis van de afloop.

Zulke ‘tegen-geschiedenis’ of geschiedbeoefening die zich begeeft in speculaties over wat er gebeurd zou zijn als er niet gebeurd was wat er gebeurde, is mode in Frankrijk. De gebruikelijke, lineaire geschiedopvatting wordt dan met een ondertoon van meewarigheid weggezet als ‘historisme’. Het probleem met deze richting is – maar misschien heb ik het slecht getroffen – dat er zo zelden meer uit komt dan een gedachten-spel. Riot-Sarcey pretendeert dat het begrip vrijheid als een utopische doelstelling de gehele XIXde eeuw werkzaam blijft in de politieke ontwikkeling – ook al worden dan bijvoorbeeld in juli 1848 de nieuw-ontstane arbeidersassociaties met hun utopische doelstellingen met grof geweld onderdrukt en de Ateliers Nationaux die volgens het principe van werkverschaffing een oplossing voor de werkloosheid moesten zijn, weer gesloten. 

Helaas is het boek buitengewoon chaotisch uitgevallen: het lijkt me één ding om de permanentie van (onderdrukt) vrijheids-streven te willen aantonen, maar een ander om in het geheel niet meer aan te geven, in welke context het begrip ‘vrijheid’ dan vervolgens functioneert. Zoals wij ook uit Nederlandse ervaring bijvoorbeeld weten kan ‘vrijheid’ alleszins worden ingezet voor reactionaire en kapitalistische doeleinden. Ook het ‘laissez faire’ beroept zich immers op vrijheid. Maar dat lijkt de Franse historicus niet als legitiem gebruik van de term te zien – haar hart gaat duidelijk meer uit naar linkse, of volkse vrijheidsapostelen. Behalve de Saint-Simonisten, die mogen dan opeens weer wel. De ondoorzichtigheid van het boek wordt ook zeer bevorderd door het feit dat Riot-Sarcey zelden een andere historicus aanhaalt, zonder diens werk in kort bestek – één of twee zinnen – als volkomen verkeerd weg te zetten. 

Waarom dit boek in Frankrijk ondanks dit alles toch een succes d’estime is, laat zich verklaren door de alom bestaande, en nog groeiende collectieve behoefte te ontsnappen aan de bestaande orde der dingen, sociaal-economisch gezien dan. De neoliberale orde, waarin het land zelfs onder de socialistische president Hollande zich niet heeft weten te onttrekken, lijkt onder een deel van de intellectuelen een nieuwe belangstelling voor zo niet utopische-, dan radicaal-alternatieve ideeën te hebben gewekt. Genoeg heeft men van het na 1989 ingezette tijdperk, waarin de enig toelaatbare ratio nog de financiële berekening was, waarin de markt het werk zou doen dat vroeger voor politieke theorieën was weggelegd, het tijdperk van ‘there is no alternative’. Riot-Sarcey zegt ook dat dat haar oogmerk met het boek is: laten zien dat het in de geschiedenis volstrekt niet vanzelfsprekend is, je neer te leggen bij ideologische conventies, al dienen die zich nog zo onontkoombaar en rationeel aan. Vrijheid, in de zin van de mogelijkheid het eigen leven vorm te geven, blijft altijd een perspectief. 

Op zichzelf is de gedachte dat de ideeën van 1848 ondergronds of onderhuids een grotere betekenis hebben gehad, dan je naar aanleiding van hun onderdrukking zou denken, natuurlijk zo gek nog niet. Dat is ook de these in een zojuist verschenen, waarlijk briljante studie van de jonge Nederlandse historicus Geerten Waling, 1848, Clubkoorts en revolutie. Waling beschrijft de revoluties van Parijs en Berlijn in vergelijkend perspectief, door het filter van de organisatievorm van het revolutionair gedachtengoed, volksvergaderingen en clubs. Hij betoogt overtuigend dat in 1848, vooral in de politieke clubs, de basis werd gelegd voor de politieke cultuur aan het eind van de XIXde eeuw: georganiseerde articulatie van publieke opinie, geïnstitutionaliseerd debat, respect voor oppositie. Waling ziet in 1848 de opstanding van wat de Britse antropoloog Ernest Gellner in 1994 de ‘modular man’ heeft genoemd, een mensentype dat op verschillende platforms en in verschillende rollen zijn autonome rol  spelen kan. Het tot stand brengen van een civil society waarin dat mogelijk is, achtte Gellner voor het zojuist vrij geworden Oost-Europa veel belangrijker dan het scheppen van formeel-democratische instituties.

Gellner schreef zijn Conditions of liberty onder de indruk van het eind van het communisme in Oost-Europa, en ook met het oog op de politieke Islam, want daar was hij een groot kenner van. Hij was niet optimistisch over de kansen voor een civil society in de ‘Umma’ van de Islam, maar hij zag kansen in die andere totalitaire wereld, die van de voorheen ‘Marxistische Umma’. Nu, 22 jaar later, overal om ons heen opnieuw autoritaire politici opstaan, met totalitair potentieel, en zelfs in de VS en West-Europa, waar tot voor kort de liberale waarden onomstotelijk leken, deze politiek bedreigd worden, klinkt Gellners voorzichtig optimisme als een geluid uit een ver verleden. Maar laten we hopen dat het waar is: de vrijheid en democratie, in 1848 geproclameerd en onderdrukt, kunnen altijd weer de kop opsteken. 

Het artikel van Marwan Muasher verscheen bij Project Syndicate, en is hier te lezen. 

Geerten Waling. 1848. Clubkoorts en revolutie. Democratische experimenten in Parijs en Berlijn. VanTilt 2016. 

Michèle Riot-Sarcey. Le procès de la liberté. Une histoire souterraine du XIXème siècle en France. Éditions de la Découverte, 2016. 

Ernest Gellner. Conditions of liberty. Civil society and iets rivals. Hamish Hamilton, 1994. 

Afbeeldingen:

Boven: La liberté guidant le peuple van Eugène Delacroix, 1830.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: