Verdrongen Islam-kennis

(16-5-2016)

Dat Marokkaanse jongens uit Brussel bereid zijn zich voor een religieus ideaal in de lucht te laten springen en daarbij zoveel mogelijk toevallige voorbijgangers in de dood mee te sleuren, stuit algemeen op verbazing en onbegrip. De Franse historicus Pierre Vermeren, hoogleraar moderne geschiedenis van de Maghreb aan de Sorbonne, is een van de weinigen die een poging tot verklaring heeft gedaan, die meer is dan algemeenheden over de Islam en het Salafisme, of de constatering van de sociale achterstelling waaraan veel van die jongens kennelijk leiden. De daders van 13 november in Brussel, betoogde Vermeren in een vraaggesprek met Le Monde, hebben  hun achtergrond in het milieu van Berbers uit het Rif-gebergte, wier geschiedenis in de Twintigste Eeuw één grote bloedige tragedie is. Er zijn de bloedige koloniale oorlogen die zowel door het Franse protectoraat Marokko, als vanuit Spaans Marokko gevoerd zijn tegen hun eigen politieke en economische structuren in het Rif-gebergte. De laatste grootscheepse campagne tegen hen dateert uit 1984, toen de Marokkaanse koning Hassan II in Al-Hoceïma Berberse onlusten met grof geweld en represailles liet onderdrukken – wat tot een stroom vluchtelingen, vooral naar Frankrijk, leidde. Het zijn de nazaten van deze in brede kring onbekende en onbegrepen omstandigheden die nu in de buitenwijken van Parijs, Brussel, Rotterdam en andere steden die nu soms ontvankelijk blijken voor extremistische prediking.

In België en Nederland, landen zonder een kolonisatie-geschiedenis in de Maghreb, bestaat eigenlijk nauwelijks aandacht voor zulke historische factoren bij de ontwikkelingen onder moslim-jongeren. Maar in Frankrijk, waarheen de Marokkaanse Berbers door de jaren heen in eerste instantie vertrokken zijn, al evenmin. In zijn boek La France en terre d’Islam noemt Vermeren daarvoor twee redenen. Ten eerste is er de gewelddadig verlopen dekolonisatie van de jaren zestig: de geschiedenis van de kolonisatie wordt geacht afgesloten te zijn en dient zoveel mogelijk vergeten te worden – niet ongelijk de Nederlandse attitude ten aanzien van de geschiedenis van Nederlandsch-Indië. 

Maar belangrijker misschien nog is de secularisatie in de huidige Franse samenleving, die politiek en bestuurders opgezadeld hebben met een soort blinde vlek als het gaat om religieus bepaald politiek en sociaal gedrag. Daarbij hoef je nog niet eens te denken aan het leerstuk van de laïcité – de strikte scheiding tussen kerk en staat – zoals die in Frankrijk tegenwoordig bij de hoofdstromingen van links en rechts gemeengoed is en elke publieke manifestatie van religie bij voorbaat iets verdachts geeft. Er is daarnaast ook een meer cultureel bepaald onbegrip voor al het religieuze. Wat millennia lang een overheersende beweegrond voor de mensheid was, wordt in de Westerse samenleving hoogstens gezien als een particuliere aangelegenheid, niet meer als een serieus te nemen motivatie of politieke kracht.

Dat is misschien een vooruitgang, maar het helpt niet bij de inschatting van de motieven van hen aan wie de secularisatie voorbij is gegaan, of bij wie – zoals de godsdienstfanaten die bereid zijn zich in Brussel en elders op te blazen – die secularisatie een kommervol, tragisch proces is. Het is één ding van de tweede generatie Maghrebijnse immigranten te vragen zich aan te passen aan de normen van de Franse samenleving, inclusief die secularisatie in het openbare leven; een tweede om te begrijpen waarom sommigen daar zulke heftige moeilijkheden mee hebben en of daar iets aan te doen is.

Het Franse onbegrip tegenover het verschijnsel religie, en in het bijzonder de politieke Islam, is er niet altijd geweest. Integendeel, als er één land is dat zich langs de weg van diplomatie en kolonisatie zeer met de Islam, en vooral de politieke aspecten daarvan bezig heeft gehouden, is het Frankrijk. Noodgedwongen natuurlijk: na de eerste veroveringen van 1830 wordt al vlug duidelijk dat Frankrijk effectieve controle over Algerije wel vergeten kan, als men geen greep krijgt op autochtone bevolking en inzicht in de wijze waarop religieuze verhoudingen inwerken op de machtsverhoudingen ter plaatse. 

La France en terre d’islam beschrijft de manier waarop Frankrijk in zijn koloniën met de Islam is omgegaan: in Algerije, in Marokko, in Syrië en Egypte en in het algemeen in zijn diplomatieke benadering van het vervallende Ottomaans Rijk – om onduidelijke redenen vertelt Vermeren relatief weinig over Tunesië. In Algerije – Frankrijks grootste (en ook meest militaire) koloniale project wordt de bezettingsmacht aanvankelijk overrompeld door de veelheid aan politiek-religieuze structuren onder de plaatselijke potentaten die daar uit naam van de Ottomanen het gezag uitoefenden. Er zijn stammen, en vooral religieuze broederschappen met steeds eigen loyaliteiten, heilige plaatsen, religieuze verschillen, wereldse en religieuze notabelen. Die te beschrijven en te begrijpen is voor de kolonisator een eerste vereiste, en dat is een eeuwig voortgaande arbeid omdat loyaliteiten voortdurend verschuiven en de culturele verschillen huizenhoog zijn. Koloniaal bestuur in de Maghreb is ook, of zelfs in de eerste plaats, de omgang met de politieke aspecten van de Islam.

Wanneer na decennia in Algerije de meeste veroveringsoorlogen zijn gevochten, komt de houding van de Franse autoriteiten tegenover de Islam meestal neer op het delegeren van controle aan oulema’s, imams en wat dies meer zij. Opvallend is dat bij het lokale bestuur in Algerije de felle strijd in het moederland  over de plaats van de katholieke religie in de samenleving, vooral na 1900, geen rol speelt. In Frankrijk worden de nonnen en paters in 1905 gevankelijk weggevoerd uit hun kloosters, maar in Algerije wordt de moslim-clerus gehanteerd als een gewaardeerd instrument van controle – deels betaald door de Franse staat en deels als licentie-houders voor de exploitatie van soennitische heiligdommen. De roomse clerus die zich in Frankrijk overtollig ziet, is trouwens van harte welkom in de Franse koloniën in de moslim-wereld, sticht er Franse scholen en doet – meestal mislukte – pogingen om moslims op grote schaal tot het katholicisme te bekeren. De krachtig beleden laïcité die in het moederland, vooral onder de Derde Republiek, zo krachtig beleden wordt, geldt in de Maghrebijnse koloniën hoogstens voor de Franse Europeanen in steden als Algiers.

Het sterkste voorbeeld van de Franse neiging om de Islam te omarmen als een instrument van staat, in plaats van deze religie te verdoemen en te bestrijden, is de kolonisatie van Marokko, dat in 1912 manu militari tot een Frans protectoraat wordt omgevormd. De Marokkaanse koningen speelden (en spelen) in hun rijk aan de rand van de Arabische wereld de rol van sultan (koning) en kalief (religieus leider) tegelijk. In beide hoedanigheden worden ze door het Franse bestuur erkend, zo niet omarmd. Uit naam van de sultan dus gaan Marokkaanse en Franse troepen de tientallen jaren durende oorlogen met de ongezeglijke stammen in de Rif aan.

De verhoudingen van Franse autoriteiten tot de Islam zijn te verscheiden in de tijd, en ook te regionaal verschillend om hier even handzaam samen te vatten. De situatie is natuurlijk duidelijk koloniaal: de leidende cultuur is de Franse, de moslims in Algerije blijven toch een soort van onderdanen, die echter cultureel-ideologisch zoveel mogelijk met rust worden gelaten. Toch zijn er ook voor Algerijnen mogelijkheden om, via het staatsonderwijs bijvoorbeeld, volwaardig Frans burger te worden. Vooral de Algerijnse joden maken van deze mogelijkheden gebruik – en zullen daarvoor bij de onafhankelijkheid van 1962 een hoge prijs betalen omdat zij als Franse kolonisatoren worden gezien. 

Een ander moment van politieke emancipatie voor moslims onder Frans bestuur is de Eerste Wereldoorlog, wanneer tienduizenden Maghrebijnen, al dan niet vrijwillig, meevechten in de loopgraven in Noord-Frankrijk. Vanaf 1918 wordt zodoende de Islam in Frankrijk steeds vaker beschouwd als één van de godsdiensten in het land. De staat bouwt, als uitdrukking van deze gedachte, zelfs een moskee in Parijs, die in 1926 door president Gaston Doumergue wordt geopend, en die trouwens nog steeds in gebruik is. 

Alles lijkt dus koek en ei. Op de grote Koloniale Tentoonstelling in Parijs van 1930 is de Islam in al zijn facetten aanwezig als een van de exotische elementen in het grote Franse wereldrijk. Dat zich inmiddels internationaal de eerste anti-koloniale tendenzen aftekenen ontgaat de Fransen grotendeels – net als andere kolonisatoren, zoals de Nederlanders. In de Arabische wereld ontwikkelen zich al sinds het eind van de XIXde eeuw grensoverschrijdende ideologieën met een antikoloniale strekking, zoals wat we later ‘panarabisch nationalisme’ zijn gaan noemen, en ook het ‘salafisme’, dat langs de weg van een terugkeer naar een veronderstelde ‘puurheid’ van de Islam van zijn eerste eeuwen eveneens een broertje dood heeft aan vreemde overheersers. 

De Fransen, overtuigd als zij zijn dat ze met de controle over de geestelijken en heiligdommen in Algerije tot in de haarvaten inzicht heeft in de denkwereld van de moslim-bevolking, ontgaat de omslag in het ideologisch tij – van een traditionele, regionale Islam naar een meer internationalistische – bijna volledig. Na 1945 zullen zij daar nog een hoge prijs voor betalen.

Natuurlijk is de situatie van nu een andere dan in de koloniale tijd. De moslims van Frankrijk, België, Nederland en andere landen zijn immers geen onderdanen in een koloniaal rijk, maar worden geacht volwaardige burgers te zijn in een samenleving waarin vrijheid van godsdienst heerst. In het licht van de toenemende populariteit van allerlei ‘islamistische’ stromingen en gedragingen in onze landen, zijn sommigen nu geneigd te denken, en te zeggen, dat er sprake is van een fundamentele onverenigbaarheid van de moderne democratische staat en de Islam. 

Vermeren laat zien dat er al langer door Frankrijk is gedacht hoe de Islam wel met een staatsverband naar Westers model gecombineerd kan worden. Want dat er spanning tussen beide bestaat, dat is wel duidelijk. Maar in tegenstelling tot wat de Fransen in hun ontreddering na de aanslagen van vorig jaar dachten, komt het probleem niet uit de lucht vallen. Vooral voor wie een ‘Europese’ Islam wil bevorderen – een mooie term voor een meer controleerbare, zo niet democratisch gezinde Islam – lijkt het zinnig kennis te nemen van pogingen in het verleden om de moslim-religie in kaart te brengen, en handelbaar te maken. 

Zou er trouwens niet een soortgelijk boek over de Islam en Nederlands koloniaal bestuur moeten komen? Tenslotte waren wij eeuwen heer en meester over wat thans het meest volkrijke moslim-land in de wereld wordt genoemd. 

Pierre Vermeren. La France en terre d’islam. Belin 2016.

Afbeeldingen: 

Boven: Vrolijk wappert de Franse driekleur van de minaret van de moskee van Algiers, op La place du gouvernement à Algers van Horace Vernet, uit 1849.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: