
In tegenstelling tot Nederland heeft Frankrijk wél een wekelijks, lang boekenprogramma op de publieke televisie. ‘La grande librairie’, gepresenteerd door Augustin Trapenard, is elke woensdagavond te zien op France 5, en trouwens ook op TV5 en Youtube. Het programma, met publiek, duurt anderhalf uur en behelst meestal een soort groepsgesprek met vijf schrijvers/schrijfsters. Dat valt de ene keer interessanter uit dan de andere, afhankelijk van de retorische kwaliteit van de auteurs.
In de aflevering van vorige week was de filosoof André Comte-Sponville te gast, in verband met zijn nieuwe boek, ‘Philosopher à la française’. Ik heb dat niet gelezen – net als bij de boekenbijlagen die Nederlandse kranten vroeger hadden, is de lezer/kijker er vooral op gebrand te kunnen meepraten over boeken die hij niet gelezen heeft – maar Comte-Sponville zei iets wat me is bijgebleven. De structuralisten (Foucault, Derrida etc.) die vanaf de jaren zeventig decennialang het intellectuele beeld hebben bepaald in Frankrijk, hebben bijgedragen aan een zekere verdorring van het culturele leven, zoals de auteurs van de ‘nouveau roman’ en dergelijke dat effect hebben gehad in de literratuur.
Aan briljante intellectuele exercities geen gebrek: filosofie, geschiedenis, of romans terugbrengen tot de talige constructen die zij zijn, kan zeker tot nieuwe inzichten leiden. En enig snob-appeal is ook nooit weg. Ook al zijn er vermoedelijk velen die – met mij, beken ik – veel van Foucault, Deleuze, Althusser, Derrida of Lacan nooit echt begrepen hebben – toch voel je je een hele Piet bij het lezen van het puikje van de intellectuele zalm.
Maar, zei André Comte-Sponville, filosofie en literatuur hebben op die manier wel hun plicht verzaakt, de mens te voorzien van ideeën en thema’s waarmee hij in zijn eigen leven iets kan aanvangen . Want die behoefte daaraan, aldus de filosoof, is de voornaamste reden waarom lezers aan romans of filosofische verhandelingen beginnen: om zich te vereenzelvigen met de redeneringen, denktrant of figuren in een werk, of juist om zich daartegen te verweren. Literatuur en filosofie willen geleefd worden.
Of dat helemaal waar is, weet ik niet. Een schrijver als Didier Eribon (1953) bijvoorbeeld heeft bij mijn weten de lectuur van Foucault wel degelijk als een persoonlijke bevrijding ervaren, in verband met zijn homoseksualiteit in dit geval. Maar ontegenzeggelijk is het verhaal tegenwoordig helemaal terug in zowel geschiedschrijving en literatuur – de blurbs achterop boeken in de boekhandel laten daarover geen twijfel bestaan. Boeken worden weer geleefd – met instemming of afkeer.
Ik bedacht dit ook omdat ik door een toeval binnen korte tijd twee boeken in handen kreeg waarin op informele wijze het gemeenschappelijk leven van Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir wordt beschreven, met als uitgangspunt de invloed die deze twee zogeheten ‘existentialisten’ op de auteur heeft gehad of, in het andere geval, de verschillen en overeenkomsten tussen hun leven en dat van de schrijfster van het boek. Dat ‘existentialisme’ was wat je nu misschien een ‘sterk merk’ zou noemen – niet alleen een levensfilosofie, maar ook meteen een manier van kleden (en naar jazz luisteren in donkere keldertjes). Een sterk voorbeeld van een filosofie, met bijbehorende literatuur, die geleefd kon worden.
Over een van die boeken heb ik laatst al een blogje geschreven. De historicus Michel Winock probeert in ‘Sartre pour mémoire’ recht te doen aan de intellectuele ster van het naoorlogse Frankrijk, met wie hij het, als ik het boek goed lees, als jongeman zelden eens was. Toch heeft Sartre vele jaren lang het publieke debat beheerst, al was het maar omdat hij zoveel tegenstand opriep en ook – denkt Winock – omdat hij op vele borden schaakte: Sartre was niet alleen filosoof, maar ook roman- en toneelschrijver, en een ‘selfstyled’ politicus. Dat hij de laatste jaren zo snel in vergetelheid dreigde te raken, heeft iets onrechtvaardigs en daartegen heeft Winock (jaargang 1937) iets willen doen.
Eigenlijk dacht ik dat Angie David, met haar onlangs verschenen ‘Ma vie avec Simone de Beauvoir’, ook behoorde tot de generatie die kort na de oorlog tot intellectuele wasdom kwam, maar dat bleek een vergissing: zij is pas van 1978. Ik kwam het boek bij toeval tegen in de onvolprezen Brusselse boekhandel ‘Tropismes’ en merkte pas bij thuiskomst dat ik Angie David al kende (en haar heb genoemd in blogjes). Zij is de auteur van de erg leuke biografie van Sylvia Bataille (1908-1993), aanvankelijk actrice en gehuwd met achtereenvolgens de schrijver Georges Bataille en de psychoanalyticus Jacques Lacan. Het opvallendste aan dat levensverhaal is dat een vrouw die in de jaren vijftig en zestig verkeerde in wat je tegenwoordig ‘progressieve milieus’ zou noemen, toch veroordeeld was tot een leven in de schaduw van de man.
Spannender nog is Davids biografie van Dominique Aury (pseudoniem van Anne Desclos, 1907-1998), een van de kopstukken van de uitgeverij Gallimard en de aldaar verschijnende ‘Nouvelle revue française’. Zij is wereldberoemd, al bleek dat pas in 1994, toen ze in een interview met de New Yorker bekend maakte dat zij, onder het pseudoniem Pauline Réage, de schrijfster was van het sadomasochistisch meesterwerk ‘Histoire d’O’ uit 1954. Ook Aury (of Desclos, of Réage) was een vrouw die in de schaduw haar vrijheid beleefde. Ze was biseksueel en had haar leven lang een verhouding met de schrijver en uitgever Jean Paulhan (1884-1968), overigens haar baas bij Gallimard. Ze had het boek geschreven om Paulhan aan zich te binden toen ze merkte dat deze, omdat hij zijn zieke vrouw niet in de steek wilde laten, op het punt stond hun relatie te verbreken.
En nu dus Beauvoir, van wie je niet bepaald kunt zeggen dat haar leven zich in het verborgene afspeelde. Integendeel: daartoe deels aangespoord door Sartre heeft Beauvoir haar eigen leven, ook de meer intieme kanten daarvan, tot uitgangspunt genomen in vrijwel al haar romans, van de deels fictieve ‘Mémoires d’une jeune fille rangée’, tot het geweldige ‘Les mandarins’. Angie David neemt met name die romans als uitgangspunt in haar ‘Ma vie avec’.
In hoeverre dat een betrouwbaar beeld van het leven van Beauvoir oplevert – David vertelt steeds welke werkelijk bestaande personen onder welke naam in de romans opduiken – kan ik niet beoordelen. Het doet ook eigenlijk niet heel erg ter zake, want het is David er eigenlijk om te doen om haar eigen leven te vertellen door het te spiegelen aan dat van het koppel Sartre-Beauvoir, wier bestaan gekenmerkt werd door wat je in hedendaags jargon ‘polyamorie’ zou noemen. Ze had, blijkt uit dit boek, als student uit Nieuw-Caledonië naar Parijs gekomen, een aantal jaren een verhouding met de uitgever Léo Scheer (1947-2024), die getrouwd was en bleef met de schrijfster Nathalie Rheims.
In het boek doet David het aanvankelijk voorkomen alsof zij jaren in een vier- of zelfs vijfhoeks-relatie heeft geleefd, maar verderop blijkt dat dit in seksueel opzicht in ieder geval na enkele jaren niet meer het geval was. Wel is ze, schrijft ze, nog steeds intiem bevriend met Rheims, en tot aan zijn dood ook met Scheer. En ze heeft haar werkende leven doorgebracht als redactrice op de ‘Éditions Léo Scheer’, een uitgeverij die na de dood van de oprichter is opgeheven, zo grondig dat het fonds niet aan een andere uitgeverij verkocht is.
Je denkt bij ‘Ma vie avec’ dat de auteur haar leven lang heeft doorgebracht met de werken van de favoriete schrijver onder handbereik, maar dat blijkt hier niet het geval. David is Beauvoir vooral gaan lezen om de dood van Scheer, voor wie zij levenslang een adoratie koesterde, te verwerken. Als levensbeschrijving van Beauvoir maakt het boek geen serieuze indruk – er zijn ook geen noten en dergelijke – en af en toe krijg je de indruk dat sommige meer scabreuze details – altijd leuk om te lezen – afkomstig zijn uit de literaire kringen waarin David door haar werk verkeerde.
Dat maakt dit boek, dat niet al te veel pretenties heeft, niet minder leuk om te lezen. En het maakt ook duidelijk hoe het werk van een literair auteur, ook wanneer het lijkt dat zij of hij in vergetelheid dreigt te raken, door een jongere generatie geleefd kan worden.
Angie David: Ma vie avec Simone de Beauvoir. Gallimard 2026
Afbeelding: Simone de Beauvoir, in 1947 in de Verenigde Staten. Foto van Albert Harlingue, bij een kort interview in de New Yorker over een veelbelovende jonge Franse schrijfster: https://www.newyorker.com/magazine/1947/02/22/simone-de-beauvoir-visits-new-york
Eerdere blogjes over de boeken van Angie David:
over Sylvia Bataille: https://wellalwayshaveparissite.com/2016/09/05/sylvia-in-de-sneeuw/
over Dominique Aury: https://wellalwayshaveparissite.com/2019/01/06/zeventien-cent-van-een-gevaarlijk-boek/
Het genoemde tv-programma ‘La grande librairie’ is, met Engelse ondertitels en nogal wat vertraging ten opzichte van de uitgezonden afleveringen, te zien op de site van TV5: https://www.tv5mondeplus.com/en/culture-et-art-de-vivre/tendances-et-mode/la-grande-librairie, en met Franse ondertitels op Youtube: https://www.youtube.com/@lagrandelibrairie

Geef een reactie