
Op 3 juni 1835 bracht Pierre Rivière, een Normandische boerenzoon, zijn moeder, een broer en een zus door wurging om het leven. Het was moord met voorbedachten rade. Pierre had zelfs overwogen om – met de bescheiden taalkennis die hem ten dienste stond – zijn overwegingen vooraf op schrift te stellen, zodat de doodstraf waarop hij recht meende te hebben, hem niet kon ontgaan. Maar tenslotte schreef hij zo’n document na zijn arrestatie in de weken voor zijn proces – verdachten in een Frans strafproces kenden dat recht sinds 1808, waarbij nadrukkelijk was bepaald dat zo’n geschrift niet als bekentenis kon fungeren, maar slechts als middel om de beweegredenen van de verdachte nader te doorgronden.
Pierre Rivière had hele duidelijke beweegredenen. Hij meende dat zijn moeder – met meisjesnaam Victoire Brion – zijn vader, Pierre-Marguerin Rivière, meer dan twintig jaar het leven tot een hel had gemaakt. Dat was op de huwelijksdag in 1812 al begonnen, toen Victoire na de huwelijksinzegening alle feestelijkheden had afgeblazen en had laten weten dat zij niet van plan was te gaan samenwonen met haar echtgenoot. Dat was, schrijft Pierre in zijn ‘mémoire’, het begin van 22 jaar gedoe en chicanes, waarop zijn vader, hoewel hij in veel opzichten in zijn recht stond, steeds gematigd en zonder aanwending van geweld had gereageerd. Met de drievoudige moord had de zoon gemeend de juiste orde der dingen te moeten herstellen.
Vanaf het begin gold de daad van Pierre als die van een waanzinnige. Een deel van de mémoire verscheen in 1836 al in een medisch vakblad, de ‘Annales d’hygiène publique et de médecine légale’. Pierre werd weliswaar ter dood veroordeeld, maar zijn straf werd, bij wijze van gratie, omgezet in levenslang. In 1840 hing hij zich op aan de tralies van zijn cel – een fait divers als talloze andere in de geschiedenis, waarvan vermoedelijk zeer weinigen nog weet zouden hebben, ware het niet dat Pierre Rivière in de jaren zeventig van de twintigste eeuw de aandacht trok van de Franse filosoof Michel Foucault (1926-1984).
Foucault was een grote ster aan de Franse filosofische hemel. De belangstelling voor zijn colleges aan het Collège de France, waar hij sinds 1970 de leerstoel ‘geschiedenis van denksystemen’ bekleedde, was enorm. Zijn meeste werken hebben betrekking op de sociale benadering van krankzinnigheid, de ontwikkeling van strafrecht en gevangeniswezen en geschiedenis van de seksualiteit. Dat lijkt allemaal voer voor historici, maar historicus was Foucault niet. De historische materie stond bij hem hier vooral ten dienste van een kritische theorie van de moderne staat en zijn onderdrukkingsmechanismen.
De determinatie van geestesziekten bijvoorbeeld, niet meer gezien als een moreel tekort maar als een verschijnsel dat moet worden gescheiden van het ‘normale’ leven, is voor Foucault zo’n voorbeeld van ‘biomacht’ van de moderne staat, die erop uit is het leven van de onderdanen en burgers steeds nauwer te normeren en te controleren. Een soortgelijke ontwikkeling ziet hij in het strafrecht: in ‘Surveiller et punir’ presenteert Foucault op magistrale wijze de in de negentiende eeuw uitgevonden koepelgevangenis als een model van de moderniteit in de tijd van de industrialisering – efficiënt toezicht en controle op grote aantallen mensen door middel van een gering aantal toezichthouders in het centrum van de koepel.
Zulke gedachten, met nauw verhulde verontwaardiging over de geweldige controlemechanismen die de staat losliet op het individu, pasten prima in de post-68 sfeer waarin Franse intellectuelen in die tijd leefden. Dat Foucaults theorieën eigenlijk niet zo leunden op concrete historische gegevens, maar meer op de grote greep en de analyse van de retorische manier waarop in de negentiende eeuw over dit soort zaken werd geschreven, deerde de meeste belangstellenden niet. Ook ik, als student geschiedenis, heb destijds als lezer mijn best gedaan de geleerde Foucault in de hoge vlucht zijner gedachten te volgen – en dat veel in zijn boeken mij boven de pet ging deed geen afbreuk aan mijn fascinatie. Weinig dingen zijn zo spannend als in de chaos der feiten grote geschiedpatronen te ontwaren.
Zo las ik ook met grote belangstelling in 1973 ‘Moi, Pierre Rivière, ayant égorgé ma mère, ma soeur et mon frère’ (Ik Pierre Rivière, die zijn moeder, zuster en broer heeft vermoord), gepresenteerd als een onderzoek naar een geval van parricide (dat is de moord op een ouder of beide ouders) in de negentiende eeuw. Het boekje bevat de volledige tekst van de door Pierre geschreven mémoire (ook de delen die in 1836 nog niet waren gepubliceerd) en is het resultaat van een door Foucault geleide werkgroep. Dat was nog eens een meeslepende manier van geschiedbenadering! Daarmee staken de door mij in Leiden gevolgde college’s maar schamel af.
Parricide werd (en wordt, al hoor je er nog maar zelden over) gezien als een buitengewoon ernstig misdrijf, misschien vooral vanwege het maatschappelijk ontwrichtend karakter ervan. Tijdens het Franse ancien régime (voor de revolutie van 1789 dus) werd de parricide-pleger voor de voltrekking van de doodstraf eerst nog de rechterhand afgehakt. Deze bijkomende straf werd in 1810 in de napoleontische code pénal heringevoerd (en daarmee ook in het strafrecht in Nederland), maar na 1832 niet meer voltrokken – Pierre is het afhakken van de hand dus bespaard gebleven.
Vijftig jaar later valt heel erg op, dat Foucault en de zijnen de drievoudige moord van 1835 geheel en al wilden zien als de daad van een waanzinnige, gepleegd in een psychose. Andere motieven kwamen in 1973 bij de onderzoekers in het geheel niet op, constateert de Franse antropologe Jeanne Favret-Saada, die nu aan de zaak Pierre Rivière – zowel die van 1835 als die van 1973 – een buitengewoon interessante studie heeft gewijd. Favret-Saada, inmiddels 91 en gespecialiseerd in het geloof aan tovenarij in landelijke gebieden in West-Frankrijk, maakte destijds, vanwege haar expertise van de boerensamenleving in Normandië, deel uit van Foucaults werkgroep. Maar naar eigen zeggen had zij destijds al weinig fiducie in het project en haar scepsis nam nog toe met de nogal larmoyant uitgevallen speelfilm van René Allio over Pierre Rivière, uit 1976.
Als er in 1976 al kritiek was op de benadering door Foucault, constateert Favret-Saada in haar uiterst onderhoudende ‘L’impossible famille Rivière’, dan kwam die meestal van psychiaters als Elisabeth Roudinesco – want ook (freudiaanse- of lacaniaanse) psycho-analyse was in die tijd razend populair onder Franse intellectuelen. De analyse van Rivière’s psychose was niet voldoende psycho-analytisch onderbouwd, heette het dan. Of de moord wellicht betekenis kon hebben binnen de denkwereld van Normandische boeren in de tijd van de Restauratie na 1813 – daar interesseerde zich kennelijk niemand voor en over die wereld was destijds ook beduidend minder bekend dan nu. In haar boek poogt de antropologe alsnog in deze leemte te voorzien, en komt tot verrassende conclusies. Want merkwaardig genoeg hebben Foucault c.s. weliswaar de door moordenaar Pierre geschreven mémoire aan de vergetelheid ontrukt, maar het verhaal dat daarin verteld wordt, en de grieven die Pierre tegen zijn moeder koesterde, lijken door hen niet serieus te zijn genomen.
Victoire Brion blijkt een opstandige vrouw geweest, die zich met hand en tand verzette tegen de beperkingen die de wet oplegde aan de gehuwde vrouw – en daarmee eigenlijk aan elke vrouw, want de gehuwde status was onder Normandische boerenfamilies eigenlijk de enig denkbare, om nakomelingen te verwekken en ervoor te zorgen dat familiebezit niet verstrooid raakte. Het huwelijk was dus de toekomst van vrijwel elke jonge vrouw, maar Victoire stelde in dit opzicht duidelijke grenzen. Niet alleen besloot zij dat er geen bruiloftsfeest mocht plaatsvinden. Zij wenste ook niet bij haar echtgenoot en diens familie te gaan wonen en bleef in het naburige dorp bij haar ouders.
Wel was er seks. Uit het huwelijk kwamen zes kinderen voort, waarvan er vier bij hun vader, en twee bij hun moeder woonden (die twee zijn het ook die in 1835 worden vermoord). Maar verder was het huwelijk een soort Lat-relatie. Voor zover dat uit de stukken blijkt, deden de echtelieden aanvankelijk ook geen pogingen om te gaan samenwonen. Het leek een relatie van geven en nemen en Pierre-Marguerin was er kennelijk de man niet naar om met dwang of geweld Victoire tot samenwonen te dwingen. Deze gezinssituatie was, schrijft Favret-Saada, voor deze tijd uiterst uitzonderlijk.
De toestand bleef een decennium lang ongewijzigd. In 1822 overleed de vader van Pierre-Marguerin en erfde hij het boerenbedrijf. In 1826 erfde ook Victoire het boerenbedrijf (met maar liefst drie gebouwen) van haar vader, maar op dat moment werd zij nadrukkelijk geconfronteerd met de wettelijke achterstelling van gehuwde vrouwen in de Code civil, het Burgerlijk wetboek. Want gehuwde vrouwen waren handelingsonbekwaam: Victoire kon nog geen graankorrel verkopen buiten haar man om, laat staan een koe, en ze kon ook geen personeel aannemen of een van die drie huizen uit de erfenis verkopen. Zij had ook, juridisch gesproken, geen eigen inkomen, en over het gezinsinkomen had de man als enige beslissingsbevoegdheid.
Uit de mémoire van Pierre blijkt dat Victoire met deze situatie niet kon leven. Zij ontstak veelvuldig in woede, en het feit dat haar man – kennelijk de meegaandheid zelve – alles deed om de zaken ordelijk en conflict-vrij te laten verlopen, deed daar kennelijk niets aan af. Toen Victoire te elfder ure besloot alsnog bij haar echtgenoot in huis te gaan wonen, was het gedaan met de rust. Er was altijd ruzie, waarbij Victoire het zelfs een keer bestond haar man uit het raam te gooien. Het hele dorp kon het drama op de voet volgen, net als de pastoor.
Victoire riep herhaaldelijk de hulp in van zogenaamde ‘juges de paix’ – zulke ‘vrederechters’, die geen juristen zijn, zorgden al sinds het Ancien régime voor (soms bindende) bemiddeling bij civiele geschillen, maar die konden niets voor haar doen: de wet is de wet. Van echtscheiding kon evenmin sprake zijn. In de jaren van de Revolutie was echtscheiding mogelijk geweest – het huwelijk was immers een overeenkomst tussen twee vrije mensen. Maar de Napoleontische Code civil had in 1804 de mogelijkheden op dit gebied al ernstig beperkt – waar het vroeger niet de bedoeling was te scheiden wat God tesamen had gebracht, was dat nu een opdracht van de Natuur. De reactionaire Restauratie na 1813 kwam met wetswijzigingen die scheiden vrijwel onmogelijk maakten.
Wat Victoire eventueel nog kon proberen, was bij de rechter een scheiding van tafel en bed aanvragen. Maar daarvoor was het nodig verregaand wangedrag bij de huwelijkspartner aan te tonen – ontrouw, grof geweld en dergelijke. De brave, goedwillende Pierre-Marguerin kon echter niets van dit alles worden aangewreven. Wel vond Victoire een andere manier om haar man het leven zuur te maken: door een lacune in de wet, vertelde een juge de paix haar, was het de gehuwde vrouw, ofschoon handelingsonbekwaam, wel toegestaan aankopen op krediet te doen, waarbij de man dan gehouden was achteraf alle schulden te delgen. Victoire maakte van deze formule kennelijk ruim gebruik. Ook poogde zij mededogen op te wekken door zich op de openbare weg als bedelares voor te doen, en simuleerde zij zwanger te zijn van een andere man. Haar echtgenoot begon, als reactie op dit alles, zelfmoordneigingen te vertonen.
In deze conflictueuze situatie, en mogen we aannemen in een ouderlijk huis vol ruzie, kwam Pierre Rivière in 1835 tot zijn gruwelijke daad, die naar zijn mening werd gerechtvaardigd door de onheuse bejegening die zijn vader zo lang ten deel was gevallen. Pierre meende ook dat de vrederechters en andere onderdelen van het juridische systeem, te weinig waren opgekomen voor de mannelijke rechten van zijn vader. De moord was een poging de patriarchale macht zoals die in wetten en gebruiken was vastgelegd, te herstellen en een eind te maken aan deze ondermijning van de masculiene orde. Zo’n daad kan niet zonder meer als het resultaat van een psychose worden weggezet, meent Favret-Saada.
Maakt dit verhaal van Victoire Brion een feministische heldin avant-la-lettre? Favret-Saada is te voorzichtig en wetenschappelijk ingesteld om zo’n anachronistische conclusie te trekken. Maar ze heeft wel een plausibele verklaring voor het feit dat dit aspect van de geschiedenis van de familie Rivière in 1973 niemand lijkt te zijn opgevallen. Want in de juridische achterstelling van de Franse vrouw was sinds 1835 een eeuw lang eigenlijk niets verandert, merkt de onderzoekster op. Die overleefde vier politieke regimes en twee grote oorlogen, en grote maatschappelijke verandering als de opkomst van de arbeidersklasse en de urbanisatie.
Pas in 1938, tijdens de regering van het linkse Volksfront, kwam er wetgeving die bepaalde dat de gehuwde vrouw niet langer gehoorzaamheid aan haar man was verschuldigd. Maar ook toen kon een man zijn vrouw verbieden te gaan werken, als hij meende dat dit ten koste zou gaan van haar moederlijke- of huishoudelijke plichten. Pas in 1965 werd de Franse vrouw bij wet volledig handelingsbekwaam (in Nederland was dat in 1956) en in 1970 werd, na 166 jaar, het begrip ‘gezinshoofd’ uit de wet geschrapt. Foucault en de zijnen hadden in 1973 de mond vol van de onderdrukten – zoals geesteszieken – en de manier waarop de moderne staat in wording hen eronder hield. Dat vrouwen lang ook als onderdrukt konden worden beschouwd, kwam bij hen vermoedelijk eenvoudig niet op.
Jeanne Favret-Saada: L’ impossible famille Rivière. Retour sur un triple meurtre en 1835. Éditions Gallimard, 2026.
Moi, Pierre Rivière, ayant égorgé ma mère, ma soeur et mon frère. Un cas de parricide au XIXᵉ siècle. (1973), thans als Folio Histoire (pocketuitgave).
Afbeelding: Claude Hébert als Pierre Rivière in de film ‘Moi, Pierre Rivière, ayant égorgé ma mère, ma soeur et mon frère’ van René Allio uit 1976.

Erg leerzaam, dank je wel!
LikeLike
Bedankt! Zo interessant en inzichtelijk. Eindelijk begrijp ik nu waar ik Foucault kan plaatsen.
LikeLike