De Sovjet-Unie als civilisatie

Nu Rusland de afgelopen jaren zo’n vreselijk en ondoordringbaar land is geworden, ligt het misschien voor de hand om nostalgische gevoelens te koesteren voor de oude, in 1991 opgeheven Sovjet-Unie. Het is ook niet zo heel moeilijk om dingen te vinden, waarin die Sovjet-Unie – althans na de dood van Stalin in 1953 – zich in gunstige zin onderscheiden heeft van de Russische Federatie van nu. Geen cynische, door de overheid ingeheide oorlogspropaganda, maar officiële idealen die – even afgezien van de manier waarop ze vorm kregen – op papier toch een andere, betere wereld nastreefden. Geen met de jaren steeds verder radicaliserende alleenheerser als Poetin, maar een collectief leiderschap dat na Stalin een zekere bescherming leek te bieden tegen nieuwe excessen. Geen verheerlijking van atoomwapens of onversneden militarisme, maar in ieder geval voor de vorm propaganda voor de vrede. Geen neiging meer om de hele wereld de oorlog te verklaren, maar slechts de pretentie in woord en daad de toekomst van de mensheid te zijn.

Het wordt, zou je kunnen denken, tijd de vroegere Sovjet-Unie met andere ogen te bekijken – welwillender dan tussen 1953 en 1991 in het Westen vaak het geval is geweest. Dat denkt in ieder geval Mark B. Smith, docent aan de Universiteit van Cambridge. In zijn ‘Exit Stalin’ wil hij de Sovjet-Unie beschouwen als een ‘civilisatie’ – dat wil zeggen een geürbaniseerde samenleving met eigen gebruiken, gebruiksvoorwerpen, gevoel voor geschiedenis, kunstbeleving, eetgewoonten etc etc. En natuurlijk ook met eigen vormen en gebruiken op het gebied van politiek en bestuur, van burgerschap, carrière-maken, vrijetijdsbesteding en wat niet al.

Ik vind dat een sympathieke benadering. In de vijf jaar die ik in de Sovjet-Unie heb gewoond (1982-1987), had ik inderdaad het gevoel dat ik in een andere civilisatie dan de Nederlandse of West-Europese terecht gekomen was. Het verschil was niet in de eerste plaats materieel – nou ja, dat ook natuurlijk want onze welvaarts-explosie van de jaren zestig was aan de Sovjet-Unie grotendeels voorbij gegaan, al was het materiële leven er sinds 1953 wel op vooruit gegaan. De voornaamste verschillen lagen echter op het terrein van de omgangsvormen. Als je ergens op bezoek ging, zei je bepaalde dingen: ‘excuus dat ik niets heb gekocht’ bijvoorbeeld als het om de een of andere reden niet was gelukt iets voor de gastvrouw mee te nemen. Of ‘komt u nog eens terug’ bij het uitlaten van de gasten. De eindeloze toasts aan tafel bij een verjaardag, en de verplichting het vodka-glas ‘tot het eind’ leeg te drinken. En er was natuurlijk het feit dat het in het maatschappelijk leven uiterst ongewenst was, iets politieks te zeggen, laat staan iets welwillends over degenen die aan de macht waren.

Veel was als in de rest van Europa, maar net een beetje anders. Het rook anders op straat, en in de metro. De thee smaakte anders, net als de suiker en de koffie. Er was wijn te koop, maar van andere signatuur, uit Georgië of Moldavië. (Ik zou er trouwens geld voor over hebben om nog eens een flesje mineraalwater van het merk Borzjomi (uit Armenië, meen ik) soldaat te maken, met die zwavelachtige smaak.) Of in mijn Moskouse buurtbioscoop Pobjeda – waar natuurlijk uitsluitend Sovet-films werden vertoond – nog eens een van die honderden, tegenwoordig meestal in vergetelheid geraakte speelfilms te kunnen zien – in dat aan Technicolor herinnerende kleurenprocedé. Regelmatig brak de filmkopie, waarop in de zaal luid gejoel en protest uitbrak – een van de zeer zeldzame gelegenheden waarbij burgers in het openbaar protesteerden. Sommige dingen hadden ook de charme van het verbodene – althans dat leek zo: een ‘сьлед’, tientallen jeugdige barden met eigen teksten en een gitaar met honderden jeugdige toehoorders in een bos buiten de stad (waar ik eigenlijk niet mocht komen); of een concert van de punkband ‘Zvoeki Moe’ met zanger Pjotr Mamonov (1951-2021), ergens in de kelder van een flatgebouw.

‘Alles is veel voor wie niet veel verwacht’, schreef J.C. Bloem over de Amsterdamse Dapperbuurt, en het citaat ging zeker op voor de bewoner van Moskou die ik was. Urenlang kon ik observerend lopen door de stad, die nauwelijks café’s of andere pleisterplaatsen kende, kijkend naar de afdoende, maar fantasieloos geklede inwoners. Alle taxi’s waren geel-geschilderde Volga’s met een stugge vering, waarvan ik er door de jaren zoveel van heb genomen dat ik na terugkeer in Nederland misselijk dreigde te worden van wagens met Westerse vering. Het klinkt misschien raar, maar ik was er best trots op een moskoviet te zijn en mijn weg te kunnen vinden in deze ongenaakbare, in veel opzichten trouwens multinationale metropool van (destijds) negen miljoen – waar spontaan contact met de lokale bevolking destijds niet of nauwelijks mogelijk was. Tot op de huidige dag kan ik op een kaart van de stad – die ik zonder vergunning niet mocht verlaten – de wijken, straten en gebouwen waartussen mijn leven zich afspeelde, zonder veel moeite aanwijzen. Anders dan Bloem in de Dapperbuurt ben ik in Moskou niet zo gelukkig geweest. Maar verduiveld interessant en een ervaring voor het leven was het zeker.

Mark B. Smith kiest in ‘Exit Stalin’ een enigszins andere benadering dan ik hierboven ten beste heb willen geven. Zijn boek is een soort alternatieve geschiedschrijving van de USSR in de periode 1953-1991, waarbij de auteur zijn best doet het verhaal zoveel mogelijk te vermenselijken. Dat lukt het best bij de beschrijving van wat – naar een roman van de schrijver/journalist Ilja Ehrenboerg – de ‘Dooi’ genoemd werd – die periode van enkele jaren onder partijleider Nikita Chroesjtsjov waarin plotseling meer vrijheid bestond. Ik heb altijd gedacht dat in de jaren tachtig Michail Gorbatsjov een herleving van die sfeer voor ogen stond met zijn ‘glasnost’. Maar de kansen op een nieuwe bezieling in de ‘socialistische samenleving’ waren toen verkeken: aan het einde van de jaren zestig gesmoord in bureaucratische controle en vrees voor ongewenste vormen van sociale verandering.

 Toen ik Moskou woonde was de Dooi hoogstens onderwerp van nostalgische beschouwingen aan de keukentafel, niet iets waarvan ook maar iemand dacht dat het zou kunnen herleven. Achteraf gezien is het reuze jammer dat de Sovjet-Unie ook in de jaren zestig zo’n gesloten land (en een politiestaat) was – dat de Sovjet-jeugd en de rest van de samenleving toen nog in het socialisme geloofden en de toekomst zonnig tegemoet zagen moeten we nu maar op gezag van de tijdgenoten aannemen. Wel is zonneklaar hoe deze constructieve stemming om zeep is geholpen. Smith begint ‘Exit Stalin’ met de staking in 1962 onder arbeiders in Novotsjerkassk, waar troepen het vuur openden op arbeiders die niets anders deden dan protesteren tegen een loonkorting. Zulke demoraliserende gebeurtenissen zijn er onder Chroesjtsjov en partijleider Leonid Brezjnjev veel geweest: van campagnes tegen abstracte schilderkunst en ‘ongewenste’ literatuur tot de onderdrukking van de Praagse Lente en een minstens tot 1987 durend taboe op iedere vorm van betekenisvolle discussie in het openbaar.

Smith werkt zijn these van een ‘Sovjet-civilisatie’ naar mijn smaak wel erg beknopt uit. Theoriseren is duidelijk niet zijn kracht: zo gaat hij ook in het geheel niet in op het grote debat dat de ‘Sovjetologie’ tientallen jaren beheerst heeft, de zogeheten ‘totalitarisme-discussie’. De vraag daarbij was of je de Sovjet-Unie na de dood van Stalin nog steeds een totalitaire staat kon noemen. Smith denkt van niet – neem ik tenminste aan – en dat ben ik met hem eens. Maar het is wel de vraag of de voortkabbelende stroom feiten en weetjes in het boek recht doet aan wat de Sovjet-Unie wél was: een dichtgetimmerde politiestaat waaruit de terreur en de willekeur van de Stalin-jaren weliswaar verdwenen waren, maar waarover een verstikkende deken van onvrijheid, conformisme en onmacht lag. Zeer terecht laat Smith zien dat prominente en andere Sovjet-burgers echte mensen waren, en de Sovjet-Unie geen land van robots, als in Fritz Langs ‘Metropolis’. Maar ik vraag me wel af of de auteur er voldoende oog voor heeft dat de burgers van de Sovjet-Unie op hun knieën leefden – niet zonder verve soms, maar toch.

‘Exit Stalin’ eindigt met een persoonlijk naschrift, dat veel duidelijk maakt over de ‘vermenselijkende’ benadering van de Sovjet-Unie in het boek. Smith is gehuwd geweest met een Russische vrouw, die helaas is overleden. Dat verklaart enigszins de huiselijke toon van het boek: ik waande mij bij lezing soms aan een Moskouse keukentafel – op zich geen onaangename sensatie. Smith, die de Russische vrijheid van de jaren negentig heeft meegemaakt, lijkt zijn weemoed naar Moskou echter net iets te veel hebben geprojecteerd op tijden die dat misschien niet waard waren. Nostalgie naar Rusland komt natuurlijk vaker voor onder Westerlingen die het land hebben gekend in de decennia voordat Poetin de zaak weer op slot deed. Maar als moskoviet uit de jaren tachtig heb ik daar geen last van. Al blijft het een merkwaardige gedachte dat ik de stad waarin ik goed de weg weet, wellicht nooit meer zal terugzien.

Mark B. Smith: Exit Stalin. The Soviet Union as a civilisation 1953-1991. Allen Lane 2026.

Afbeeldingen: 1. De Arbat in Moskou in 1960 (voordat de straat een voetgangerszone werd); 2. Het ‘Drie stations’ genoemde plein in Moskou in de jaren zestig met op de achtergrond de toren van het ‘Leningrad-Hotel’.

Plaats een reactie

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑