
Sommige sprookjes zijn te mooi om niet waar te zijn. Neem bijvoorbeeld de geschiedenis van de Katharen in de Zuid-Franse Languedoc, zoals die voortleeft in de talrijke imposante middeleeuwse burchten in de streek, vooral in het departement Aude. Als ‘burchten van de Katharen’ worden ze door toeristen nog steeds graag bezocht. De mythe ontstond in de tijd van de negentiende-eeuwse Romantiek: de Katharen zouden een zuiverder vorm van Christendom hebben voorgestaan, die door de Franse koningen uit het noorden genadeloos zou zijn uitgeroeid. En met hun tot ‘ketterij’ verdoemde religie verdwenen meteen ook hun eigen taal – de ‘langue d’oc’ die werd verdrongen door het hedendaagse Frans dat ‘langue d’oïl’ genoemd werd – en hun bestuurlijke onafhankelijkheid, die ten einde kwam door de onderwerping van de graven van Toulouse aan de Franse koningen.
In de jaren na 1968 was de gedachte aan een regionale eigen cultuur, als ‘Pays Occitan’, zeer populair en in sommige linkse kringen is dat nog steeds zo. Een van de (bestuurlijk veelal machteloze) regio’s in Frankrijk heet ‘Occitanie’ en zoals rechtgeaarde nationalisten betaamt willen vele Zuid-Fransen de lokale streektalen ook graag als één taal, het Occitaans zien. De gedachte dat er tegen de Katharen ‘genocide’ zou hebben plaatsgevonden, draagt op z’n minst de suggestie in zich alsof er een ‘occitaans volk’ zou hebben bestaan, en ook zijn de Katharen wel beschouwd als een soort protestanten avant-la-lettre.
Het zijn allemaal fijne verhalen, maar de bewijzen voor deze beelden zijn schaars of non-existent. De Franse mediëvist Arnaud Fossier van de Universiteit van Bourgogne in Dijon heeft de gegevens nog eens op een rij gezet in zijn ‘Les cathares, ennemis de l’intérieur’. De Katharen hebben zeker bestaan, maar of ze zo talrijk en een coherente beweging waren als de mythen suggeren, is de vraag. Een van de voornaamste problemen is dat er niet of nauwelijks geschriften van Katharen bewaard zijn gebleven, en bijna alles wat we over hen menen te weten dus komt van hun bestrijders – uit de archieven van de speciaal voor deze groep ‘uitgevonden’ pauselijke Inquisitie bijvoorbeeld (van wie wij in de Nederlanden eeuwen later nog veel zouden horen).
Al die imposante burchten, schrijft Fossier, hebben met de Katharen niets te maken – het gaat meestal om burchten die zijn opgericht onder het bewind van Lodewijk de Heilige (1214-1270), ter verdediging van het Franse koninkrijk tegen het naburige Aragon en eventuele lokale adelijke opstandelingen. De Franse koning was heer en meester in de Languedoc sinds graaf van Toulouse Raymond VII in 1229 van zijn macht afstand had gedaan.
Met dit alles is overigens niet gezegd dat er geen Katharen hebben bestaan. Bij het derde Lateraans concilie in 1179 werd deze ‘ketterij’ door de kerk van Rome officieel veroordeeld, en paus Innocentius III (hoofd van de kerk tussen 1198 en 1216) organiseerde zelfs de eerste van twee ‘kruistochten’ tegen de Katharen (soms naar de stad Albi ook ‘Albigenzen’ genoemd. Daarna volgde nog een tweede kruistocht, die vooral een koninklijke militaire operatie was. Tijdens deze tweede campagne vond het beroemde beleg van de burcht van Montségur plaats. In 1244 werden daar – volgens de Inquisitie – meer dan 200 ‘ketters’ op de brandstapel ter dood gebracht, naar het schijnt soms op vrijwillige basis omdat vrouwen en kinderen niet van de mannen wilden wijken.
Maar wie waren de Katharen en wat geloofden ze? Daarover bestaan dus bijna alleen inlichtingen van hun bestrijders en het is ook niet gezegd dat Katharen altijd en overal hetzelfde geloofden. Mogelijk betrof het een vorm van Manicheïsme, een in de derde eeuw na Chr. ontstane religie die zijn oorsprong vond bij de geschriften van de uit Perzië afkomstige profeet Mani (216-276). Het betreft hier een geloofsleer die sterk dualistisch is: de mens is van goddelijke oorsprong maar gevangen in een stoffelijke, aardse wereld die het werk van Satan is. Het Manicheïsme, meestal gerekend tot een groep religies aan het begin van onze jaartelling met de verzamelnaam ‘gnostiek’, kende een zekere verbreiding vanuit het Midden-Oosten in Westelijke richting, via Bulgarije. Zo kun je in Bosnië-Herzegovina nog Bogomielse graven zien, met allerlei intrigerende symbolen en tekentjes. (Ik hoop tenminste maar dat die begraafplaatsen de diverse religieuze fanatismen van de burgeroorlog in de jaren negentig hebben doorstaan).
De Katharen verwierpen – nog altijd volgens hun vijanden – de sacramenten van de katholieke kerk als doop, huwelijk en penitentie. Zij verwierpen de gedachte aan het vagevuur, dat overigens pas eind dertiende eeuw officieel de status van kerkelijk dogma kreeg. Maar ze hadden ook eigen sacramenten, zoals de ‘consolamentum’ dat een gelovige tot een ‘perfectus’ maakte. Overigens waren eind elfde, begin twaalfde eeuw de Katharen niet de enige afwijkend gelovigen in de Languedoc. Er waren bijvoorbeeld ook Waldenzen, een sekte gesticht door een zekere Pierre Valdes in Lyon in 1173. De Waldenzen preekten een soort armoede-ideaal en het gebruik van de Schrift in de volkstaal, in plaats van in het Latijn. Voor beide ketterijen geldt overigens dat zij zeker niet uitsluitend in de Languedoc navolging vonden – Katharen waren er bijvoorbeeld ook in Lombardije op het Italiaanse schiereiland.
Waarom kwamen die ketterijen eigenlijk op, waarom was er onvrede met de bestaande kerk? Fossiers historiografisch overzicht op dit punt doet denken aan onze eigen Nederlandse richtingenstrijd over de oorzaken van de Opstand tegen Spanje aan het eind van de zestiende eeuw. De opvatting dat die Opstand primair het gevolg was van religieuze onvrede over de Katholieke kerk en enthousiasme voor de Reformatie (‘ex fide’) heeft in de negentiende eeuw plaats gemaakt voor een analyse die meer uitgaat van maatschappelijke factoren. (Al kende ik in mijn vroege jeugd wel protestanten die dat anders bleven zien).
In het geval van de Katharen lijkt er een verband te zijn met de Gregoriaanse hervormingen (naar paus Gregorius 1073-1085), waarbij het zogeheten ‘Nicolaïsme’ – dat priesters toestond in concubinaat te leven – en ‘Simonie’ – de praktijk van de koop en verkoop van kerkelijke ambten en sacramenten – verbood. De hervormingen waren wellicht bedoeld om de kerk terug te brengen naar een ‘puurder’ Christendom, maar het effect was kennelijk averechts: de clerus kwam verder af te staan van de grote massa der gelovigen en moest om te overleven bovendien ook een soort kerkelijke belastingen gaan innen. Een en ander stoorde vooral bepaalde groepen: de lagere adel die het toch al moeilijk had en de in het Zuiden van Frankrijk sterk opbloeiende stedelijke middenklasse. Niemand zat te wachten op een kerkelijke overheid die naast de ‘seculiere’ feodale structuur ook nog eens beslag ging leggen op de middelen.
Een tweede factor in dit verhaal is de vestiging van het pauselijk gezag. Veel bisschoppen voerden hun eigen machtspolitiek, los van de voorkeuren van de paus, en er zijn dan ook talrijke verhalen over bisschoppen die het voorkomen van militante geloofs-dissidenten in hun streek inzetten als instrument in hun machtsstrijd. Vandaar dan ook dat de pauselijke bestrijding van de ketters greep naar nieuwe structuren: rondtrekkende bedelmonniken als de Domenicanen bijvoorbeeld en natuurlijk de Inquisitie, eveneens een rondtrekkende orgaan dat op een rechtbank lijkt, met verhoren, bekentenissen en omvangrijke onderzoeken naar wie er allemaal wel niet ketter is, of weet heeft van ketterse aanwezigheid.
Dit is natuurlijk allemaal al lang geleden – de verwikkelingen rond de Katharen vallen ook enigszins in het niet bij de godsdienstoorlogen die Frankrijk in de zestiende eeuw zouden teisteren. Maar het is wel treffend dat je, lezend over de Katharen, zo vaak getroffen wordt door parallellen met de Reformatie. En bovendien is er natuurlijk het – wat mij betreft – onaangename fenomeen van de herkerstening van de internationale politiek: een deel van de gekkigheden van de Amerikaanse president Trump wordt hem door evangelisch christenen ingegeven, en de Russische president Poetin voert zijn oorlog tegen Oekraïne mede vanuit een Russisch-orthodoxe motivatie. In zekere zin werpen die hedendaagse autocraten ook licht op het enthousiasme waarmee de pausen rond 1200 de Katharen te lijf gingen: voor wie zijn macht wil vergroten, komt een binnenlandse vijand altijd van pas – ongeacht de vraag of hij bestaat of niet.
Arnaud Fossier: Les cathares, ennemis de l’intérieur. La Fabrique éditions, 2025.
Afbeeldingen: 1. Kasteel van Aguilar uit de 12de eeuw, vaak ten onrechte aangezien voor een burcht van de Katharen; 2. Burcht van Montségur, waar vermoedelijk wél Katharen jaar stond hebben gehouden tegen Inquisitie en troepen van de Franse koning; 3. Graven van Bogomielen nabij Kupres in Centraal Bosnië.



Ik gaf er zelf ook wat aandacht aan, de kern is dat door de oorlog een structuur wordt geforceerd die anders niet aanvaard was of waarvan aanvaarding op zijn minst heel veel tijd had gekost. En waar / niet waar is minder relevant. Het is evident dat de oorlog op instigatie van Innocentius III heeft plaatsgevonden. Dat is genoeg: de kerk als totalitair regime (Jacques Le Goff) dat zijn wil oplegt.
LikeLike