
Het is een gevoel dat je aan het einde van de vakantie kunt hebben: heb ik wel genoeg genoten, elke dag? Razend snel immers went het gevoel, op vakantie te zijn, en vrij. Een soortgelijke spijt zou je kunnen voelen bij de herinnering aan het jaar 1989, en het gevoel dat in het bijzonder veel Europeanen hadden, dat er een blad in de Europese geschiedenis werd omgeslagen. En dat de vrijheid die zich aftekende in landen die tot voor kort dictaturen waren, voor altijd zou zijn. Dat de omslag in veel landen – niet alle – vreedzaam verliep, droeg misschien nog wel bij aan de gedachte dat grote historische veranderingen niet met geweld gepaard hoeven te gaan en zich als een natuurverschijnsel voltrekken. Nu, 36 jaar later, nu oorlog weer zijn intrede heeft gedaan in Europa, lijkt het allemaal een mooie illusie te zijn geweest. Het is een ruw ontwaken.
‘Les émotions de 1989’ heet het boek van de Franse historica Hélène Miard-Delacroix, waarin zij de gevoelens over de gebeurtenissen van 1989, in het bijzonder in Frankrijk en Duitsland, beschrijft en aan een analyse onderwerpt. Haar bronnen zijn vooral de pers en diplomatieke verslagen. Met name drie, van elkaar verschillende episoden belicht zij nader: de studentenacties op het Tiananmen-plein in Peking, die in juni door het Chinese regime bloedig werden onderdrukt, de val van de Berlijnse muur die in november een einde maakte aan decennia van gescheiden ontwikkeling van twee Duitslanden, en tenslotte de met geweld omlijste val van de Roemeense dictator Nicolae Ceausescu aan het einde van het jaar – waarvan trouwens decennia later nog steeds niet helemaal duidelijk is wie nu precies op wie schoot.
Vrij algemeen was in 1989 het gevoel dat het met de vrijheid in de wereld de goede kant opging. Maar tegelijkertijd waren er natuurlijk ook zorgen. Aan de tweedeling van Europa in een Westers- en een Oostblok-kamp was immers iedereen zo’n beetje gewend geraakt. Het vooruitzicht van onvoorspelbaarheid oefende niet overal een even grote aantrekkingskracht uit – op de publieke opinie noch regeringskringen. Voor wat betreft China was de Westeuropese reactie nog betrekkelijk eensluidend: de manier waarop de Chinese communistische partij na maanden de protesterende soldaten van het plein liet schieten, wekte alom verontwaardiging en paste ook uitstekend bij populaire opvattingen over wrede bestuurstradities in China.
Maar ingewikkelder werd het toen Oost-Duitsers steeds nadrukkelijker in verzet kwamen. In West-Duitsland leidde dat tot veel enthousiasme – zowel bij rechts, dat oude gedachten over Duitse hereniging zag herleven, als bij links, dat de aanvankelijke ideologische roep om een ander, beter socialisme dat met name van de evangelische kerken in de DDR uitging, serieus nam. In de rest van Europa daarentegen leefden er onder de oppervlakte nog steeds anti-Duitse gevoelens, met een soort angst en afkeer van wat werd gezien als een mogelijk Duits revanchisme. De reserves ten aanzien van de ontwikkelingen rond de DDR zouden overigens pas na de val van de Muur duidelijk aan het licht treden, toen de Franse president François Mitterrand (net als onze eigen premier Ruud Lubbers) opmerkelijk weinig enthousiasme aan de dag legde voor het streven van de bondskanselier Helmut Kohl de beide Duitslanden zo snel mogelijk in één staat onder te brengen – iets wat de Duitse politiek de Franse nog lang kwalijk heeft genomen.
De Fransen van hun kant hadden weer meer affiniteit met Roemenië – een in West-Europa niet zo erg bekend land, waar de bizarre dictatuur van het echtpaar Ceausescu moeiteloos aansloot bij de verhalen over Dracula. Het was ook het enige land in Oost-Europa, waar bij de omverwerping van het regime koppen rolden: na een lichtelijk bizar, geïmproviseerd schijnproces dat gedeeltelijk op video werd vastgelegd, werd het echtpaar eenvoudig doodgeschoten. Die gewelddadigheid maakte Roemenië eigenlijk tot een buitenbeentje in het Europees proces van 1989. Veel liever werd de ‘fluwelen revolutie’ in Tsjechoslowakije als maatstaf gezien, waarbij ordelijke demonstraties (na werktijd) onder toeziend oog van de sympathieke schrijver en mensenrechten-activist Václav Havel in november een einde maakten aan de communistische dictatuur.
Hoogdravende toespraken over historische momenten en zegetochten van de vrijheid gedachte waren niet van de lucht in 1989 – vooral ook in Frankrijk waar het toevallig ook de 200-ste verjaardag van de Franse revolutie was. Eigenlijk lag de vergelijking met 1848 meer voor de hand: een in verschillende landen opkomende democratiseringsbeweging die – anders dan in 1848 – nu wél lukte. Maar was dat enthousiasme wel overal oprecht? Onwillekeurig denk ik terug aan mijn helaas te vroeg overleden collega Peter Michielsen (1946-2008), die zich door zelfstudie en ijver had ontwikkeld tot wat een ‘Oost-Europa-kenner’ genoemd werd en mij in 1982 had opgevolgd bij de krant als Oost-Europa-redacteur. Hoewel hij daar niet zo duidelijk over klaagde, betekende het einde van het communisme voor Peter natuurlijk wel het einde van van zijn zorgvuldig opgebouwde specialisme, en soepele omgang met veranderende omstandigheden was niet zijn voornaamste kwaliteit. Dat NRC Handelsblad geen verslaggever ter plaatse had toen op 9 november de Berlijnse Muur viel, hing daarmee samen: Peter had een verslaggever die begin november op weg was naar Berlijn zo gedemotiveerd dat deze op zijn schreden was teruggekeerd, en was over het algemeen van mening dat je Oost-Europa veel beter vanaf een Rotterdams redactiebureau in de gaten kon houden.
Maar er waren ook wel meer serieuze belemmeringen voor al te groot enthousiasme: het gevoel dat er in Oost-Europa ook wel een doos van Pandora een nationalistische sentimenten en ressentimenten openging, nu het marxisme-leninisme zulke gedachten en ideologieën niet langer verstikte.
Zelf heb ik dat goed gemerkt toen de krant mij in november naar de Bulgaarse hoofdstad Sofia stuurde, waar bij een soort bloedeloze paleisrevolutie de communistische leider Todor Zjivkov naar huis was gestuurd – een nu vrijwel vergeten episode. Ik arriveerde op een druilerige zondagmiddag in een uitgestorven Sofia – paleisrevoluties laten op straat weinig sporen na. Maar opeens hoorde ik spreekkoren van een menigte – tot mijn opluchting want ik moest tenslotte iets hebben om voor de krant van de volgende dag over te schrijven. Het bleek te gaan om enkele tientallen oudere heren die met een spandoek opriepen de ‘schande van Locarno’ ongedaan te maken.
Het Verdrag van Locarno, uit 1925, is vooral bekend door de vastlegging van de Frans-Duitse grens na de Eerste Wereldoorlog maar bevatte – weet ik sinds die dag in 1989 – ook bepalingen over de grenzen van sommige Balkan-staten. Zo werd de streek die we nu de staat Noord-Macedonië noemen toebedeeld aan wat we later het koninkrijk Joegoslavië gingen noemen. Dit was tegen het zere been van Bulgaarse nationalisten, die meenden dat Macedonië (overigens ook opgeëist door Servië en Griekenland) deel was van Bulgarije en de Macedonische taal (pas in het socialistische Joegoslavië van Tito als aparte taal erkend) een Bulgaars dialect. Dit oud zeer was dus het eerste dat in het Bulgaarse post-Zjivkov-tijdperk op de agenda kwam.
Nationalisme zou een groot probleem blijven met betrekking tot de erfenis van wat wel het Oostblok genoemd werd. Het is niet mijn streven om in dit blog voortdurend maar uit eigen werk te citeren, maar nog één keer dan: in 1992 bundelde ik stukken van mijn hand in ‘Gewijde grond’ en het was zonneklaar dat toen niemand meer echt blij was met de resultaten van 1989 en 1991, het jaar waarin de Sovjet-Unie werd omgevormd tot vijftien aparte republieken. Oost- en Westduitsers bekeken ook toen al elkaar met wantrouwen en wrok, omdat ze elkaar als uitvreters zagen of zich achtergesteld voelden. Ik stond in de Kaukasus in een dorpje van straatarme Azerbeidzjaanse boeren die dagelijks granaten op hun kop kregen omdat de stinkrijke Armeense diaspora de regering van Armenië zo gek had gekregen Nagorno-Karabach te veroveren. Allerlei nationaliteiten waarvan nog nooit iemand in het Westen had gehoord – Osseten of Abchaziërs bijvoorbeeld – kregen opeens nationale aspiraties, om over de Gagaoezen nog maar te zwijgen.
Het grootste démasqué was de langjarige reeks burgeroorlogen in ex-Joegoslavië – als gevolg daarvan zit Europa nog steeds opgescheept met tenminste twee ‘failed states’: Bosnië-Herzegovina en Kosovo. In zekere zin hangen de huidige spanningen rond Oekraïne en Baltische republieken – in de eerste plaats natuurlijk het resultaat van Russisch revisionisme en hegemonistisch streven – ook samen met nationalistische strevingen in die landen, waarvan weinigen in het Westen rond 1990 nog weet hadden.
‘Vrijheid’ werd rond 1990 misschien wat al te luchthartig gelijkgesteld met ‘ruim baan voor nationalismen’. Met groot enthousiasme is in de loop van de twintigste eeuw een eind gemaakt aan een aantal multinationale constructies, waaronder het Ottomaanse rijk, het federatieve Joegoslavië en de oude Sovjet-Unie. Al deze territoria zijn nog steeds het toneel van conflicten en oorlogen tussen vaak instabiele staten. Is het laten ontploffen van zulke multinationale verbanden in alle gevallen wel zo’n verbetering geweest? De vraag dringt zich op, kijkend naar de grote vreugde en de gemengde gevoelens van 1989. Maar die heeft geen zin: de geschiedenis laat zich niet overdoen.
Hélène Viard-Delacroix: Les émotions de 1989. France et Allemagne face aux bouleversements du monde. Flammarion 2025.
Afbeelding: De Tsjechoslowaakse schrijver Václav Havel (1936-2011) kijkt uit over het Wenceslas-plein in Praag, waar zich op een namiddag in november 1989 honderdduizenden hebben verzameld om democratie te eisen. Op 29 december zou Havel zelf door het parlement tot president worden verkozen.

Plaats een reactie