Ik lijd, dus ik ben

In Europa zijn de mensen nog nooit in de geschiedenis zó welvarend, gezond, hoogopgeleid en wat niet al geweest als nu. Maar voelen ze zich ook zo? Niet volgens de Franse filosoof Pascal Bruckner, die in zijn ‘Je souffre donc je suis’ uiteen zet hoe de ware held van onze dagen het slachtoffer is. Misschien is het in oorsprong de schuld van het Christendom, dat niet het recht van de sterkste huldigt, maar een beklagenswaardig slachtoffer als centrale figuur heeft: Christus lijdt aan het kruis om onze zonden te delgen. In zijn voetspoor wordt het aantal groepen in onze samenleving dat openlijk getuigt van het eigen lijden en daarvoor erkenning en respect eist, steeds omvangrijker: armen, gekoloniseerden en hun afstammelingen, afstammelingen van slaven, Armeniërs, Molukkers, Joden, homoseksuelen en vertegenwoordigers van andere seksuele minderheden, dikke mensen, vrouwen – de lijst is schier eindeloos.

De zorg voor de verdrukten en vernederden maakt de grootsheid van onze tevens op humanistische waarden gegrondveste beschaving uit – dat wil Bruckner geenszins ontkennen. Maar de cultus rond het slachtofferschap, die in de plaats van de cultus van het heldendom is gekomen, gaat de Franse filosoof te ver. In dit boek, met de ondertitel ‘portret van het slachtoffer als held’ inventariseert de Franse filosoof de ontstaansgeschiedenis van dit moderne fenomeen, en ook de soms curieuze gevolgen.

De cultus rond het slachtofferschap is nog niet zo oud. Tot in de achttiende eeuw, toen de mensen overigens veel en veel korter leefden dan nu, waren de mensen niet zozeer bang voor de dood, maar eerder voor wat daarna kwam: het laatste oordeel, de hemel of de eeuwige verdoemenis. En waar god zijn zoon en diens lijdensweg ter beschikking had gesteld ter delging van de menselijke zonde, was het lijden voor de mens een straf, maar ook een bondgenoot in het streven naar heiligheid. In de achttiende eeuw veranderde het perspectief: de gedachte van vooruitgang verving die van de eeuwigheid, voor het wentelen in een aards tranendal kwam het streven naar geluk in de plaats en met de gedachte aan een ‘betere’ toekomst werd ook het concept ‘hoop’ belangrijk voor de mens.

De verandering was niet alleen conceptueel of levensbeschouwelijk, maar ook materieel. Één voorbeeld uit vele: in 1846 werd ether uitgevonden, waarmee een patiënt bij een operatie kon worden bedwelmd, bijvoorbeeld wanneer bij hem een been moest worden afgezaagd. Aan het vooruitgangs-concept zijn natuurlijk ook nadelen verbonden. De gedachte aan een vooruitstrevende verandering of beweging sluit de gedachte aan een ultieme verlossing min of meer uit: Hegel, Marx of de in onze dagen verkondigde kreet van ‘het einde van de geschiedenis’ zijn zonder praktische gevolgen gebleven. Dat neemt niet weg dat de meesten van ons West-Europeanen, denk ik, eind twintigste eeuw dachten dat we er wel zo’n beetje waren, qua stabiele politiek, welvaart en gezondheid. Sommigen onder ons, met name de miljardairs, droomden zelfs van een toekomst waarin de dood en ziekten en veroudering archaïsmen zouden zijn. (Dat doen ze nog steeds trouwens, die miljardairs, zie Elon Musk).

De gebeurtenissen tot nu toe in de een-en-twintigste eeuw hebben een streep door de rekening gehaald – Covid, 911, Oekraïne-oorlog, Trump en het kabinet-Schoof – het bekende rijtje. Waar tot voor kort de met weldaden overladen burger zijn ongenoegen kon uiten bij de gedachte aan wat hij nog niet bezat, stak nu plotseling allerlei rampzaligs de kop op waarvan hij had aangenomen dat de geschiedenis die geëlimineerd had: epidemieën, oorlogen, klimaatperikelen, steeds woester omgangsvormen van burgers onderling. In tegenstelling tot het Christendom, dat de beperktheid en zondigheid van de mens als uitgangspunt had, hadden de Franse- en de Amerikaanse revoluties en alles wat er in hun voetspoor was geschied, de pretentie gehad het kwaad uit te roeien. Dat dit zo duidelijk niet was gelukt, veranderde het levensgevoel.

In razend tempo, meent Bruckner, is het hedonistische levensgevoel dat zo eigen was aan zijn eigen generatie, die van 1968, omgeslagen in een verongelijkte ‘race to the bottom’ van het slachtofferschap. Er is weinig voor nodig, slachtoffer te zijn. Wat vroeger een nare ervaring was, is nu een gevalletje voor slachtofferhulp, of een casus van post traumatisch stress syndroom. Alom is men allergisch voor elke vorm van dwang, of het nu 120 kilometer op de snelweg is, of vaccinatie of je schoolhuiswerk moeten doen. Aan Amerikaanse universiteiten bloeit de cultuur van de ‘mini-agressies’ welig – iedere aanraking met of terloopse vermelding van iets onaangenaams moet worden vermeden.

Het slachtofferschap is ook een verdienmodel. In Nederland hebben we een prachtig voorbeeld bij de excuses van de staat voor de in 1863 afgeschafte slavernij, waarbij het – volgens de organisaties van nakomelingen van ‘tot slaaf gemaakten’ – ‘niet kan blijven’. Het is in Bruckners ogen een van vele manifestaties van een mentaliteitsomslag, waarbij het niet langer ‘en vogue’ is om problemen en achterstellingen te overwinnen, maar waarbij het er meer om gaat ‘naar jezelf te luisteren’, of ‘je eigen identiteit’ te volgen – betrekkelijk intimistische doelstellingen dus.

Aan concrete voorbeelden van de cultus van het slachtofferschap is geen gebrek. Bruckner meent dat sinds de erkenning van het oneindig leed van de Holocaust onder de nazi’s, overigens pas decennia na de gebeurtenissen, de jodenvervolging eigenlijk tot de maatstaf voor genocide en slachtofferschap is geworden. Dat willen anderen die hun collectief lijden centraal willen stellen niet op zich laten zitten: degenen die de Palestijnen als slachtoffer van genocide aan de orde willen stellen bijvoorbeeld. In zijn ernstigste vorm leidt deze afgunst op de positie van joden tot antisemitisme, of het ontkennen van de kampen en dergelijke.

Maar overschreeuwen is de meest toegepaste methode: zeggen dat allerlei dingen eigenlijk nog veel erger zijn dan de holocaust. Niet alleen het lot van de Palestijnen betreft dat, maar ook allerlei andere tot een vorm van genocide bestempelde fenomenen, zoals ‘gynocide’ of ‘feminicide’, de tot een systeem uitgeroepen moorden van mannen tegen vrouwen, de geschiedenis van de zwarte inwoners van de Verenigde Staten volgens Black Lives Matter, de wettelijke toelating van abortus (volgens de Amerikaanse tegenstanders daarvan), en het door de Russische Staats-Doema officieel op 27 miljoen mensen vastgestelde aantal slachtoffers van de ‘Grote Patriottische Oorlog’ in de Sovjet-Unie – een getal dat Poetin en de zijnen en het morele recht geeft alles te doen, vinden ze zelf.

In zijn essay trekt Pascal Bruckner ten strijde tegen een hele reeks heilige huisjes en niet zelden lijkt dat in een soort kruistocht tegen ‘woke’ te ontaarden, ofschoon deze modeterm gelukkig niet valt. Over het algemeen is de filosoof een voorstander voor vergeving van wandaden in het verleden, van een streep trekken, van het bezien van dingen in hun tijd. Dat geldt ook voor het kolonialisme dat nu al decennia niet meer aan de orde is en waaraan, meent Bruckner, door de eermaals gekoloniseerden geen rechten meer kunnen worden ontleend. Laat staan dat de staat Israël als een neo-koloniale manifestatie kan worden gezien. De dragers van zulke doctrines hebben iets weg van een chauffeur die steeds maar in de achteruitkijkspiegel staart, schrijft Bruckner, en geen oog heeft voor de weg voor hem. Geen wonder dus dat in het Westen niemand voorbereid was op grote rampen als de opkomst van de Islamitische Staat en Poetins oorlog in Oekraïne.

Bruckners voornaamste remedie laat zich samenvatten als: beetje flink zijn. Dat geldt bijvoorbeeld voor vrouwen, die moeten ophouden zich blind te staren op hun historische slachtofferrol, en zich moeten realiseren hoezeer hun positie de afgelopen decennia is verbeterd: meer economische-, seksuele en persoonlijke vrijheid.

Het zijn zulke ontboezemingen die ‘Je souffre donc je suis’ maken tot een boek waarmee de auteur niet alleen vrienden zal maken. Het essay is natuurlijk ook geen sociologisch geschrift, maar een moraal-filosofisch pamflet van iemand die zich groen en geel ergert aan bepaalde tendenzen in cultuur en samenleving die niet alleen in Frankrijk aan de orde zijn. Dat Bruckner daarbij soms erg fors generaliseert, zij hem vergeven. Je vraagt je overigens wel af, hoe lang een analyse als deze houdbaar is. Nu al wemelt het van jongeren die zich geenszins tevreden stellen met de slachtofferrol. En wie zegt eigenlijk dat dat er niet nog veel meer worden, als het straks menens wordt met oorlog, klimaat, bedreiging van de democratie en economische crisis?

Pascal Bruckner: Je souffre donc je suis. Portrait de la victime en héros. Grasset 2024

Afbeeldingen: 1. Vrouwe Justitia bij het oude stadhuis van Breda. Het beeld van Wouter Pompe (1703-1777) dateert uit 1767; 2. Het beeld ‘Vrede en recht’ in het Vredespaleis in Den Haag, een vrouwe Justitia zonder de gebruikelijke attributen. Het werk uit 1924 is van de Amerikaanse beeldhouwer Andrew O’Connor (1874-1941).

3 gedachten over “Ik lijd, dus ik ben

Voeg uw reactie toe

  1. Mooie boekbespreking,dank. Ben benieuwd of auteur ook aandacht schenkt aan slachtofferschap als strijd voor Erkenning ( de Anerkennung in de meester-slaaf dialectiek van Hegel). Pas de Erkenning door de “ meester” ( bv de kolonisator) maakt de weg vrij voor terugwinnen van waardigheid en humaniteit door de “ slaaf”. Slachtofferschap als noodzakelijke stap in een voor meester en slaaf bevrijdende dynamiek

    Like

Plaats een reactie

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑