Geef mij maar Amsterdam

‘Migratie als DNA van Amsterdam, 1550-2021’ heet het bijzonder leuke boek van Leo en Jan Lucassen, beiden sociaal-historicus en verbonden aan het IISG. Zeggen dat een stad over ‘DNA’ beschikt treft mij als een ongelukkige beeldspraak, maar dat is dan werkelijk ook het enige negatieve wat ik over dit boek zou kunnen zeggen. Het is natuurlijk ook duidelijk wat de Lucassen er mee willen zeggen: Amsterdam is een stad die leeft bij gratie van immigranten – van verre of van binnen Nederland, maakt niet uit – en die voor veel van zijn bewoners ook weer een tussenstation is. Zulke dingen gelden wellicht voor meer Nederlandse steden, maar ze gelden in het bijzonder voor Amsterdam, denken de Lucassen – en wijzen ter adstructie onder meer op het feit dat de stempercentages van xenofobe partijen als de PVV en FvD in Amsterdam duidelijk onder het landelijk gemiddelde liggen.

Als Amsterdammer kun je je xenofobie ook nauwelijks veroorloven. Een meerderheid van de huidige bewoners van de stad is buiten (Europees) Nederland geboren. Ik kom eigenlijk maar betrekkelijk zelden Amsterdammers tegen die net als ik in de stad zijn geboren. De Lucassen citeren uit het oeuvre van Wim Sonneveld de bekende strofe ‘Niemand kan zich beter wensen dan een Amsterdammer te zijn’ maar, zoals zij terecht opmerken, is eigenlijk nogal onduidelijk wat een Amsterdammer, of – erger nog – een ‘rasechte’ Amsterdammer is. Zulke honkvaste Amsterdammers bestaan eigenlijk alleen maar in de perioden dat het slecht gaat met de stad, zoals de tijd tussen halverwege de XVIII-de eeuw en de ‘boom’ aan het einde van de XIX-de eeuw. Of, op kleinere schaal zo rond 1960, toen veel Amsterdammers met een zeker welvaartsniveau de stad vaarwel zeiden, het inwonertal dramatisch terugliep en veel delen van de stad aan de verkrotting werden prijsgegeven.

Onder die emigranten waren ook mijn ouders die in 1960 hun huurwoning aan de Koninginneweg in Amsterdam verruilden voor een rijtjeswoning met tuin in Amstelveen – een gemeente die ik als puber zo gehaat heb dat ik hem nog steeds zoveel mogelijk mijd. In 1969 ben ik in Leiden gaan studeren, om zo ver mogelijk weg te zijn van mijn ouderlijk huis (in Amsterdam studeren had vermoedelijk betekend dat ik nog een tijdje in Amstelveen had moeten blijven). Na Leiden volgden nog wat jaren Rotterdam en Moskou maar in 1987 zag ik mijn kans schoon terug te keren naar Amsterdam – de enige stad, leek me toen, waar het leven de moeite waard was. En daar ben ik tot op de huidige dag gebleven.

Die verbondenheid met de stad heeft iets irrationeels, daar ben ik me zeer van bewust. Ik loop door de stad met het gevoel dat het allemaal een beetje van mij is – de gebouwen, de faciliteiten, de mogelijkheden. Ik voel me ook nooit een vreemdeling, ongeacht of in een bepaalde wijk de bevolkingssamenstelling een geheel andere is dan toen ik een jongetje van acht was. Mijn innerlijke stad nemen ze me nooit meer af, is mijn gedachte. Ik geloof niet in de vererving van een lokale ‘identiteit’ of iets dergelijks, maar het feit dat ik van vaders kant derde generatie Amsterdammer ben en van moeders kant zelfs vierde generatie, doet aan mijn gevoel in Amsterdam ‘thuis’ te zijn natuurlijk ook geen afbreuk.

Ik woon in Oost en loop nog regelmatig langs straten waar ik als ventje met mijn grootmoeder liep, op weg naar de Dappermarkt. Die grootmoeder was overigens als boerenmeisje geboren in het Noordhollandse dorp Avenhorn en was mijn grootvader, die afkomstig was uit Oosthuizen, rond 1910 naar de stad gevolgd. In de familie ging het verhaal rond dat hij aanvankelijk had geopteerd voor een zus van mijn grootmoeder, maar die was kennelijk al vergeven. Hij bracht het trouwens ver in Amsterdam – tot directeur van een ambachtsschool.

Spectaculairder dan dit voorbeeld van binnenlandse migratie van het platteland naar de grote stad is het verhaal van de familie van mijn moeder, waarvan ik helaas maar weinig weet. Mijn overgrootvader was, voor zover mij bekend, een Duitser die door zijn dienstname in het KNIL – hij bezat een getuigschrift waarin zijn militaire heldendagen in de Atjeh-oorlog in extenso werden beschreven – het Nederlanderschap verwierf. Zijn zoon, mijn grootvader dus, bracht het tot directeur van een bank in de bocht van de Herengracht en werd zowaar zoiets als een stedelijke prominent. Dat het hier een van oorsprong Duits milieu betrof kon je nog merken aan het feit dat mijn grootvader Luthers was en ook een meisje uit dit milieu trouwde.

Al deze mensen hadden het overigens nooit over hun immigratie-achtergrond in Amsterdam – ik denk dat ze dat in het geheel niet van belang vonden. Geen van hen sprak overigens wat tegenwoordig voor plat-Amsterdams wordt gehouden. Ook mijn ouders spraken Algemeen Beschaafd Nederlands, met dien verstande dat beiden heel veel jiddiesje woorden gebruikten – ponum, goochem, adenoje, jajum, majum en vele andere. Omdat ik ze dat als kind hoorde doen, kan ik dat ook maar doe het nooit omdat het in het nu en hier aanstellerig of interessant-doenerig zou lijken. Ik weet ook niet waarom mijn ouders dat deden – we waren, voor zover ik weet, in het geheel niet van joodse origine. Ik meen mij vaag te herinneren dat de Amsterdamse vriendenkring van mijn ouders ook wel jiddiesje woorden gebruikte. Misschien was dat wel gebruikelijk in de Amsterdamse middenklasse van voor 1940. Of het was een manier om te laten merken dat je een non-conformist was – mijn ouders hebben me wel verteld over de uitgaans-scene van het vooroorlogse Rembrandtsplein, waar joden alomtegenwoordig waren, zowel op de Bühne als in de zaal en de cafés.

Wat taal betreft las ik bij de Lucassen iets wat ik alleen maar uit mondelinge overlevering ken: dat tot in de XIX-de eeuw Amsterdammers aan elkaars taal konden horen uit welk deel van de stad ze kwamen, waarbij er – om een voorbeeld te noemen – verschillen waren tussen Jordanees en de taal van de Haarlemmerbuurt. Overigens mis ik in het lijstje van dialecten het zogenaamde ‘Hoogherengrachts’. Dat was, heb ik geleerd, een dialect van deftige mensen – zo deftig dat zij zich opzettelijke fouten in de grammatica konden veroorloven. Zij konden spreken over ‘hullie’ en ‘zullie’ bijvoorbeeld, omdat iedere toehoorder wel begreep dat zij beter wisten.

‘Migratie als DNA van Amsterdam’ staat vol met fascinerende bijzonderheden over de diverse groepen immigranten: Franse protestanten, slaafgemaakt zwart huispersoneel van Portugese joden, Chinese zeelieden, en meer recent Turkse en Marokkaanse gastarbeiders en Surinamers – wier komst ongelukkigerwijs samenviel met een tijdelijke conjuncturele neergang, wat hun succesverhaal in de stedelijke samenleving in sommige gevallen heeft vertraagd. Curieus is dat – ofschoon dus maar nauwelijks goed valt te definiëren wat een ‘autochtone’ Amsterdammer is – de komst van grote groepen nieuwelingen toch als een groot probleem wordt gezien. Mettertijd verdwijnt dat probleem dan steeds weer – is de optimistische kijk van de Lucassen die ik graag deel.

Een aanzienlijk deel van het boek is gewijd aan de joodse immigratie – niet alleen omdat die vrij omvangrijk is geweest en eeuwenlang voortging, maar ook wel omdat daarover relatief veel bronnen zijn. De hoofdstukken daarover staan ook al weer vol met allerlei razend interessante dingen die ik niet wist. Dat de joodse immigratie in Amsterdam is begonnen met de sefardische joden uit Spanje en Portugal, veelal nadat de stad Antwerpen waarheen zij hun toevlucht hadden gezocht in 1585 was gevallen na de Spaanse belegering. Die sefardim waren, nog in Spanje en Portugal vaak om het vege lijf te redden katholiek geworden. Maar eenmaal in Amsterdam – waar bij de Alteratie in 1578 de calvinisten aan de macht waren gekomen – was het weinig zinnig om aan het katholieke geloof vast te houden. Als je dan toch een relatief rechteloze minderheid was, kon je net zo goed naar het joodse geloof terugkeren, dat daartoe voor sommigen als het ware moest worden ‘heruitgevonden’.

Amsterdammers gaan er soms prat op dat hun stad geen getto’s of anti-joodse discriminatie heeft gekend, maar dat is slechts in beperkte mate juist. Joden woonden – op basis van vrijwilligheid of uit praktische overwegingen – tot in de XIXde eeuw dicht op elkaar in de armste wijken van de stad – Vlooienburg, Rapenburg, Uilenburg etc. Op den duur overvleugelt het aantal uit Duitsland en Oost-Europa afkomstige joden de sefardim. Curieus is de joodse Oranje-gezindheid in de burgeroorlogachtige situatie in de Republiek na 1780. Maar het zijn de meer patriottische en liberale krachten die er in de Bataafse Republiek in 1798 voor zorgen dat de joden het volledig staatsburgerschap krijgen. Hun emancipatie-geschiedenis gaat met vallen en opstaan verder: rond 1900 verruilen veel Amsterdamse joden de armoede van de oude joodse wijk voor de frisse huizen van de Transvaal-buurt in Oost. Als je nu door de Pretoriusstraat loopt kun je je haast niet voorstellen dat daar in 1940 zeventig procent van de huurders joden waren – allemaal weg en meestal vermoord.

Aan ‘Migratie als DNA van Amsterdam’ valt af te lezen dat de auteurs, en degenen die voor hen enkele specialistische hoofdstukken hebben bijgedragen, met veel plezier aan het boek hebben gewerkt. Dat leidt soms tot grappige polemische standpunten – zoals de op meerdere plaatsen in het boek geuite mening dat het eigenlijk een beetje jammer is dat Amsterdam na 1795 zijn bestuurlijke autonomie goeddeels verloor. De stad in de Republiek kon zijn eigen immigratiebeleid bepalen en deed dat ook veelal met verve, bewijzen de Lucassen. Amsterdam als hoofdstad van een op XIX-de eeuws nationalisme gegrondvest koninkrijk kon dat eigenlijk veel minder. Toch ben ik blij dat ik er woon.

Jan Lucassen en Leo Lucassen: Migratie als DNA van Amsterdam. 1550-2021. Atlas Contact 2021.

Afbeeldingen: 1. De Jodenbreestraat op een prentbriefkaart, begin XXste eeuw. 2. De snelle groei van de stad tussen 1400 en 1612, op kaarten van Pieter hendriksz. Schut, circa 1660. (Rijksmuseum)

Een gedachte over “Geef mij maar Amsterdam

Voeg uw reactie toe

  1. Mooie recensie, Raymond. Het is bizar maar waar dat de bevolking van A’d tussen 1570 en 1625 meer dan verdrievoudigde (tot >100.000). Veel inderdaad vanuit het zuiden na de Val van Antwerpen, onder wie natuurlijk ook Bredero’s Spaanse Brabander. Dat zijn aantallen waarmee ze Wilders cs nooit eens om de oren slaan. Ik denk ook dat wat de Amsterdammers nu voor hun autochtone humor houden, voor een deel Vlaamse import is. Ik heb er geen onderzoek naar gedaan, maar ik denk dat A’d tot halverwege de zestiende eeuw behoorlijk zwarte kousen was.

    Hartelijke groet,
    H
    ~

    Hans Steketee
    Journalist

    [cid:D13D9605-7A6B-4E5C-BECD-5512C1D901CF@fritz.box]

    steketee@nrc.nl
    T +31 (0)88 7520752
    M +31 (0)655 777 092
    @hanssteketee

    Nes 76
    1012 KE Amsterdam

    Blog Figuren in een landschap

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: