Goed woordje voor het slijk

(18-5-2016)

Wanneer praten mensen over brood? Als ze het niet hebben. Dit Servische grapje gaat oorspronkelijk over liefde, maar je zou het natuurlijk ook op geld van toepassing kunnen verklaren. De generatie waartoe ik (geb. 1951) behoor, heeft zich over geld in het algemeen toch weinig zorgen hoeven maken. Geld was een middel, in meer of mindere mate voorhanden. Bij minder stelde ik de prioriteiten bij, zonder ooit essentiële geneugten (boeken, kranten, koffie, sigaretten vroeger) volledig op te hoeven geven. De situatie is steeds geweest dat ik in meerdere, of mindere mate kon doen wat ik graag wilde. Dat het aanwezige geld slechts toereikend zou zijn voor een karig overleven, en dan maar nét, of eventueel nét niet, is iets wat ik toch alleen maar ken uit fel-realistische reportages over alleen-opvoedende bijstandsmoeders met veel kinderen: erg genoeg, maar gelukkig wel heel ver van mijn bed.

Niet hoeven nadenken over geld, of hoogstens maar een beetje – dat is ook de gezegende toestand die de Franse filosoof Pascal Bruckner beschrijft in zijn nieuwe boek, La sagesse de l’argent. En net als ik vraagt hij zich af of het zo blijven zal. Niet zozeer omdat ik – onvoorziene rampen daargelaten – nu onmiddellijk tot de bedelstaf zal vervallen: mijn pensioen is weliswaar lager dan mijn salaris, maar nog altijd een redelijk inkomen. Het is meer dat je steeds vaker met het verschijnsel geld geconfronteerd wordt en uitgenodigd erover na te denken: de Griekse schuldencrisis, de inzameling van de voedselbank in mijn supermarkt, het gekloot met de rentevoet door de Europese Centrale Bank, het toenemend aantal bedelaars van allerlei aard op straat in Amsterdam, de uiteenzettingen over de toenemende inkomensverschillen in de samenleving, de dreigende pensioenverlagingen – als je niet uitkijkt, pieker je de hele dag over geld. 

Het was mij ook al vele jaren duidelijk dat mijn persoonlijke houding tegenover geld – dat het een op zich oninteressant middel tot andere, belangrijker dingen is waaraan je zo min mogelijk denkkracht moet besteden (overigens ook de basishouding van Bruckner) – van de kant van de overheid op weinig sympathie stuitte. In de neoliberale situatie die sedert jaren over ons wordt uitgestort, wordt van de burger kennelijk verwacht dat hij met grote regelmaat aan het rekenen en dubben slaat. Heb ik wel de meest voordelige ziektekostenverzekering? Is het niet beter naar een andere elektriciteitsmaatschappij over te stappen? Kan ik beter de hypotheek oversluiten? En welke telefoonbundel is het voordeligst? De calculerende burger is kennelijk de norm geworden en als je uit pure afkeer van het piekeren over geld – er zijn nog zoveel andere dingen in het leven – consequent alles bij het oude laat, ben je al vlug een zonderling. De overheid denkt kennelijk dat wij, de burgers, het leuk vinden naar koopjes te speuren, in plaats van elektriciteit, verbindingen en ziektekosten te leveren, alsof het natuurverschijnselen zijn.

Toch zijn er, denk ik, heel veel mensen die net als ik aan het slijk der aarde zo weinig mogelijk aandacht besteden, en daar ook de middelen voor hebben. Maar daar zit ‘m de kneep natuurlijk: blijft dat zo, de mogelijkheid tot pecuniaire zorgeloosheid? Dat is het vertrekpunt van het boek van Bruckner, waarbij moet worden bedacht dat in Frankrijk praten over geld onder fatsoenlijke mensen veel meer taboe is dan in Nederland, met zijn van oudsher mercantiele cultuur van couponnetjes-knippers. Het Franse dagblad Le Monde, waarop ik een digitaal abonnement heb, kent elke dag een uitvoerig katern over economie. Maar daarin gaat het gelukkig voornamelijk over macro-economie, over bedrijven en over economische politiek. De deprimerende hoekjes waarin mensen, al of niet paarsgewijs, uitleggen hoe zij met hun geld omgaan, zoals je die in Nederlandse kranten kunt vinden, ontbreken gelukkig volledig.

Tegen deze achtergrond vallen Bruckners bespiegelingen over geld opvallend lankmoedig uit. Als de begenadigd criticus van (vooral) linkse idées reçues laakt hij de gewoonte om onmiddellijk in kritiek op het kapitalisme en het liberalisme te vervallen, wanneer het even minder wordt met de levensstandaard. Dezelfden die met graagte profiteren van publieke rijkdom – goede wegen, politie op straat, fijne musea, noem maar op – hebben de neiging een volledig feilen van de overheid waar te nemen, zodra er even bezuinigd moet worden. De volstrekte onmacht van de socialistische president Hollande in zijn nadagen om wat dan ook te bezuinigen of te hervormen, is op deze eigenaardigheid terug te voeren. Hollande en zijn regering hoefden de afgelopen maanden bij wijze van spreke alleen maar naar het – naar Nederlandse begrippen vrij behoudende – arbeidsrecht te wijzen, of er zijn elke week stakingen, en emotionele demonstraties, waarin met name scholieren zich duchtig weren, en die bijna wekelijks eindigen in antikapitalistische knokpartijen met de oproerpolitie.

Nu heeft Hollande, moet gezegd, het er ook wel een beetje naar gemaakt. In de verkiezingscampagne, nu vijf jaar geleden, was alles nog bij het oude. Wantrouwen tegen geld was troef, zoals meestal bij Frans links. Hollande noemde de ‘financiële wereld’ zijn voornaamste vijand en de rijken zouden in de inkomstenbelasting een toptarief van maar liefst 75 procent tegemoet kunnen zien. Zoals Bruckner schrijft: in Frankrijk wordt een progressief belastingstelsel vaak verward moet een punitief belastingstelsel. Hollande’s verontwaardigde afkeer van de macht van het geld, en het universele waarden verwoestende materialisme dat met het geld komt viel in goede aarde, in 2012. Voorganger Nicolas Sarkozy – met zijn rijke vrienden, onduidelijke financiële huishouding en trophy-wife Carla Bruni – werd minachtend de bling-bling-president genoemd. 

Van Hollande’s strijd tegen het geld is na zijn verkiezing weinig meer vernomen – dat zou ook vermoedelijk tot een zeer ongunstige kapitaalvlucht leiden. Of het zou de onmacht tot bezuinigen en terugbrengen van het begrotingstekort moeten zijn natuurlijk. Die onmacht laat zich misschien nog – diskreet natuurlijk – verkopen als Franse afwijzing van de onmenselijke, Pruisische zuinigheid van de Duitsers. Maar echt niet meer te verkopen was natuurlijk dat uit de gedenkschriften van Hollande’s gedumpte vriendin Valérie Trierweiler bleek, dat de socialistische president in de huiselijke kring de onderkant van de samenleving als ‘sans-dents’ (tandelozen) omschreef, een euvele woordspeling op de aristocratische scheldnaam voor de revolutionairen van 1789, sansculottes (broeklozen), die overigens al vlug een geuzennaam werd.

Nu verschilt de Franse attitude tegenover geld natuurlijk al sinds jaar en dag sterk van de onze. Terwijl onze voorvaderen, de stedelijke patriciërs, in de chaotische patchwork-staat die de Republiek was, ijverig bezig waren voor eigen rekening schepen op te tuigen en handel te drijven, grachten te graven en daaraan relatief bescheiden stadspaleisjes te bouwen, was Frankrijk een gecentraliseerde monarchie, waarin ook middelen en macht in hoge mate gecentraliseerd waren en veel handel een staatsmonopolie. We moeten de verschillen niet overdrijven: de Hollandse armen konden slechts in uitzonderingsgevallen tot patriciër opstijgen, en een Franse aristocraat kon aan de bedelstaf geraken. 

Maar er was toch duidelijk een groot verschil. Een lofzang op de armen – omdat deze zalig zijn en het rijk der hemelen zullen verwerven – als van de grote Zeventiende-eeuwse Franse schrijver (en bisschop, en antisemiet) Jacques Bénigne Bossuet, was uit Vondels mond toch moeilijk voorstelbaar, ook al was hij van katholieken huize. De leidende cultuur te onzent was toch die van de Reformatie. Zoals Max Weber zo treffend heeft beschreven, wees het protestantisme de weg naar het moderne ondernemerschap: niet op grond van privileges tevreden thuis van een gouden bordje eten, in de gedachte dat dit eeuwig zo blijven zal, maar werken in het zweet des aanschijns en zuinig zijn, al kun je zelf niet weten of je in Gods goedertierenheid tot de uitverkorenen behoort.

Ogenschijnlijk heeft ons werk-ethos gewonnen, ook in Frankrijk. In de Negentiende eeuw van industrie, handel en mondialisering hebben ook de Fransen eraan moeten geloven. Maar meer dan bij ons misschien heeft geld daarbij steeds in een kwade reuk gestaan. Toen Thomas Piketty twee jaar geleden zijn baanbrekende werk over de toenemende inkomensverschillen het licht deed zien, verwees hij niet voor niets naar de romans van de Negentiende-eeuwer Honoré de Balzac – vol van stinkend rijke erfgenamen, die vér afstaan van de ware, immateriële geneugten des levens en in feite parasiteren op het werkelijke leven en de arbeid van anderen. Dat het moderne kapitalisme in Frankrijk eigenlijk is ingevoerd ten tijde van het autoritaire bewind van keizer Napoleon III, heeft de roep van dit stelsel natuurlijk ook geen goed gedaan. Een aanzienlijk deel van de Franse dichtkunst, literatuur en beeldende kunst van na 1871 is een voortdurende poging om de bourgeois, drager van het kapitalistische systeem, belachelijk te maken, moreel te verwerpen, aan te klagen. En inmiddels genoten ook die dichters en schilders natuurlijk van al die nieuwe boulevards, transportmiddelen en weelderig ingerichte cafés. Maar ‘je est un autre’, om de beroemde zin van Rimbaud eens lekker uit zijn verband te rukken: u denkt wel dat ik profiteer van de nieuwe welvaart, maar mijn hart ligt bij waarden die daar niets mee te maken hebben.

Geld is fictie, benadrukt Bruckner, en dat maakt het des te vreemder dat iets dat als voorwerp geen waarde heeft en eigenlijk alleen maar conventie is, zo’n grote rol kan spelen. En dan, de laatste jaren, ogenschijnlijk voornamelijk ten kwade. Terwijl we op papier in een van de rijkste delen van de wereld leven, wordt met een beroep op het geld overal in Europa de kwaliteit van leven ingeperkt: minder kunst en cultuur en humaniora, minder pensioen, minder geld om leuke dingen te doen in het algemeen. Boekhouders maken de dienst uit, waar eens grote geesten woedden, en waarden als menselijkheid, vriendschap, liefde de grootste zorg waren. Dat is zo’n beetje de stemming in Frankrijk, en ook wel in Nederland, al wordt hij bij ons minder gloedvol verwoord. Bruckner verzet zich tegen zulke al te gemakkelijke voorstellingen, en terecht, al blijft hij vermoedelijk een roepende in de Franse woestijn. Hij komt, maar dat hoeft een filosoof ook niet, geenszins met baanbrekende oplossingen: dat de rijken ook eens belasting moeten betalen en hun geld niet wegzetten in belastingparadijzen – dat werk. 

Maar daarin ligt niet de betekenis van dit boek, en evenmin van de steeds talrijker uitingen van afkeer van de financialisering van ons bestaan in de afgelopen decennia. Heel lang is de geldelijke kant van de zaak ons als de Rede zelf voorgesteld, als het onontkomelijk, rationeel criterium waaraan heel ons handelen, persoonlijk of als samenleving, gemeten en beoordeeld moest worden. Er was, zo werd ons voorgehouden, geen alternatief. Heel langzaam, langs chaotische lijnen, zie je deze consensus nu vervluchtigen. Andere leidende principes, die in de geschiedenis evenzeer het leven hebben bepaald,  steken nu weer de kop: rechtvaardigheid bijvoorbeeld, maar ook hartstochtelijk beleden doelstellingen die een minder nobele indruk maken, zoals nationaal eigenbelang of eer of godsdienstijver. Misschien staan we wel aan het begin van een omslag in onze cultuur, wat dit betreft. Ten goede? Dat staat nog te bezien. The best things in life are free – luidt het gezegde. De meest afschuwelijke dingen helaas ook. 

Pascal Bruckner: La sagesse de l’argent. Grasset, 2016.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: