De roman als geschiedschrijving

Wordt in Frankrijk van literatuur niet een beetje te veel verwacht? Le Monde wijdde deze week zijn hele boekenbijlage aan de ideeën van de literatuur-theoreticus Alexandre Gefen, die in Réparer le monde betoogt dat de littérature pure heeft afgedaan, ten gunste van een letterkunde die de lezer behulpzaam is – therapeutisch of anderszins. En de Prix Goncourt, de belangrijkste litteraire prijs van Frankrijk, gaat in 2017 naar Éric Vuillard, voor zijn roman L’ordre du jour, die grotendeels gaat over de gedwongen Anschluss van Oostenrijk bij Duitsland, een voorspel bij de rampen van de Tweede Wereldoorlog – als een poging tot alternatieve geschiedschrijving. 

Ik heb dat boek van Gefen niet gelezen – mijn kennis over diens ideeën berusten louter op dat interview in Le Monde en een interview met hem op France Culture. Mij lijkt zijn centrale these dat de formalistische, autonome en uitsluitend esthetische roman heeft afgedaan toch enigszins een open deur. De nouveau roman ligt immers al enige tijd achter ons, net als in Nederland de werken van Jacq Firmin Vogelaar en het tijdschrift Merlijn. Niet dat de ‘pure literatuur’ trouwens ooit erg veel lezers heeft gevonden, zelfs niet in de jaren vijftig toen de nouveau roman, met groot academisch geweld, door sommigen als de enige ‘moderne’ en verantwoorde norm werd uitgeroepen.

Mij lijkt dat veel lezers – en zelf ben ik zeker zo’n lezer – in alle tijdperken in de literatuur toch vooral stimulerende ideeën en ervaringen hebben gezocht, als verrijking van het leven. In feite ontgaat me dus een beetje de omslag die Gefen ziet, en zijn vaststelling dat de litteratuur in toenemende mate door lezers wordt gebruikt als instrument ter heling van alles wat in de psyche, de maatschappij, de politiek enzovoorts niet in orde is, wekt ook enigszins mijn argwaan. Zeker, La soumission van Michel Houellebecq is misschien een boek dat op zo’n ‘reparerende’ manier werkzaam is, in die zin dat de roman stem geeft aan angsten die in de samenleving bestaan, of misschien zelfs op de ene of andere manier mobiliserend werkt, en als zodanig een voorbeeld is van social engineering. Maar voor mij als lezer zijn, ik noem maar een voorbeeld, eens de sonnetten van Shakespeare minstens zo vormend geweest, of troostend als het er om ging onstuimige verliefdheid enigszins in goede banen te leiden. Hoe die invloed precies werkt, zou ik hier niet weten te omschrijven. Wat is de nuttigheid van een schoonheids- of intellectuele ervaring bij het lezen van René Char, of Henri Michaux of Samuel Beckett? Toch ken ik mensen voor wie het lezen van hun werk van groot persoonlijk belang is geweest.

Mijn argwaan neemt trouwens de vorm van verontwaardiging aan als Gefen Gustave Flaubert blijkt te beschouwen als bij uitstek een schrijver die zich in een litteraire ivoren toren heeft opgesloten en zich verre houdt van de werkelijke wereld en zijn noden. Werkelijk? Is Madame Bovary niet juist een fantastisch boek over de onmogelijkheid voor een vrouw om in de burgerlijke orde gehoor te geven aan haar sentimentele noden? En sterker nog: zelf heb ik het gevoel dat Flauberts l’Éducation sentimentale  mijn leven heeft beïnvloed. Ik zal niet al te zeer in autobiografische details treden maar de figuur van Frédéric, die hardnekkig vasthoudt aan zijn sublieme liefde voor een onbereikbare (of zorgvuldig onbereikbaar gehouden) vrouw en aldus aan het einde van zijn leven constateert dat zijn leven zonder consequentie is gebleven – die leek mij buitengewoon relevant in mijn eigen ontwikkelingsgang, ten goede en ten kwade. Maar of je dat met Gefen een vorm van therapie moet noemen – liever niet eigenlijk.

L’Education sentimentale was ook ooit mijn eerste kennismaking met de geest van de revolutie van 1848 in Frankrijk, vanwege die fantastische beschrijving van de plundering van de Tuileries. Sindsdien weet ik meer van die episode, maar nog altijd is de roman van Flaubert mijn eerste associatie, als 1848 ergens ter sprake komt – ongeacht het (hoop ik) meer omvattende beeld dat ik van dat omwentelingsmoment in heel Europa in de loop der jaren heb verworven. Dat komt, denk ik, omdat Flaubert mij een indruk heeft gegeven van het redeloze en brute dat in een revolutionaire menigte kan steken – de roman als smaakmaker in de geschiedbeschouwing.

Die functie staat centraal in het werk van Éric Vuillard. Ik vond zijn vorige roman, het in 2016 verschenen 14 Juillet, eigenlijk interessanter dan het boek waarvoor hij nu de Goncourt heeft gekregen. 14 Juillet beschrijft de bestorming van de Bastille, aan de hand van talloze ‘kleine luiden’ uit de mensenmassa die zich op deze dag vastberaden aan het slechten van dit gehate symbool van het ancien régime hebben gewijd, en daarbij vaak het leven hebben gelaten, of gewend zijn geraakt. We kennen soms alleen maar hun naam, of minimale bijzonderheden over hun persoonlijk leven of lot op de grote dag – niet zelden omdat ze later zijn verhoord of hun nabestaanden zijn gehoord, omdat sommige bestormers recht hadden op een soort premie voor hun bijdrage aan de revolutie. Vrijmoedig doorspekt Vuillard hun verhaal met eigen interpretaties, opmerkingen en vergelijkingen. De auteur schetst een beeld van de redeloosheid en kracht van een menigte, dat je bijblijft.

L’ordre du jour begint met een bijeenkomst van Duitse groot-industriëlen, die in 1933 van Hitler te horen krijgen dat ze zijn verkiezingscampagne financieel moeten steunen, als ze de opkomst van het communisme willen stuiten. De meesten van hen – vertegenwoordigers van bedrijven die nog steeds bestaan en in het Europa van heden nog steeds een prominente rol spelen – doen dat ook braaf. Een van hen, Gustav Krupp van het gelijknamige staalconcern, een keurige man die nog veel voordeel zal hebben van de tienduizenden dwangarbeiders die de nazi’s later naar zijn bedrijf sturen, siert ook de omslag van L’ordre du jour.

Vuillard – die trouwens prachtig schrijft – behandelt een aantal gebeurtenissen en situaties, alle zwanger van het oorlog- en genocidaal geweld dat zal volgen, maar nog schijnbaar triviaal, of rondweg het resultaat van knulligheid. Er is bijvoorbeeld de afscheidslunch in Londen voor de Duitse ambassadeur Von Ribbentrop, die door Hitler naar Berlijn wordt geroepen om minister van buitenlandse zaken te worden. Premier Chamberlain wordt tijdens de lunch geïnformeerd over de invasie van Duitse troepen in Oostenrijk. Maar hij kan niet opstaan van tafel om een krachtig Brits antwoord te formuleren, want dat zou onbeleefd zijn tegenover Von Ribbentrop. En die blijft urenlang doof voor alle beleefde hints dat de lunchbijeenkomst ten einde is, en blijft maar over koetjes en kalfjes converseren – achteraf, meent Vuillard, duidelijk een opzetje om een krachtig Brits antwoord op de gebeurtenissen in Oostenrijk te saboteren.

Een ander, aardig, deel van het boek gaat over de manier waarop de Oostenrijkse kanselier Kurt Schuschnigg door Hitler onder druk wordt gezet om akkoord te gaan met de Oostenrijkse Anschluss. En over de enthousiaste, inmiddels al van joden, sociaal-democraten en andere critici van het nazisme gezuiverde menigten die in Wenen klaarstaan om de Führer en zijn troepen warm te onthalen, maar een dag extra moeten wachten omdat de Duitse pantserwagens onderweg naar de Oostenrijkse hoofdstad massaal defect raken, zodat Hitler er niet door kan.

L’ordre du jour is zeker een goed geschreven, onderhoudend boek. Maar om nu te zeggen dat het een onuitwisbare indruk achterlaat – nou nee. Vuillard lijkt, in zijn schildering van de anti-democraat en lafaard Schuschnigg bijvoorbeeld, de trivialiteit te willen benadrukken van ogenschijnlijk kleine gebeurtenissen die de voorbode zijn van groter onheil. Deze afkeer van grote gebaren en heroïek, alsmede de wens tot een romaneske reductie van de ‘grote’ geschiedenis was ook al evident in 14 Juillet, waar de auteur zich afzet tegen de meer heroïsche versie van de bestorming van de Bastille van de grote XIXde-eeuwse historicus Jules Michelet.

Geschiedbeoefening in de stijl van Vuillard – als dat tenminste het goede woord is – heeft in Frankrijk ook zijn theoretische verdedigers. Zoals de schrijver/historicus Ivan Jablonka, die in 2014 in zijn (overigens stomvervelende) essay  L’histoire est une littérature contemporaineeen lans brak voor de literaire expressie als middel voor de historicus om de ‘hele’ werkelijkheid uit te drukken. Maar dan natuurlijk op wat bescheidener wijze dan de oudere generatie ‘verhalende’ historici dat deed – bij Michelet bijvoorbeeld is de geschiedenis van de Franse revolutie toch ook een voorspel voor de prachtige, democratische werkelijkheid die zich in de roerige geschiedenis van Frankrijk in de XIXde eeuw. Ook Jablonka maakt, om zijn punt te maken, net als Gefen gebruik van een lichte overdrijving van de situatie waartegen hij zich afzet: het verondersteld dorre academisme van de op langdurige trends en structurele beschrijvingen gerichte Annales-school. 

Het heeft iets van een eeuwigdurende strijd, deze krijg tussen de verhalenvertellers en de wetenschappers bij het schrijven van romans. En het heeft ook iets van een windmolen-gevecht, want achter de schijnbaar methodologische debatten schuilt, naar mijn mening, een heel andere, veel belangrijker kwestie: wat is de aard van het verhaal dat de verhalenvertellers presenteren. Gaat het, zoals bij Vuillard, om de debunking of deconstructie van de geschiedenis, of om een terugkeer van de leerzame strekking die geschiedschrijving – in Nederland net zo goed als in Frankrijk – in de XIXde eeuw had? Wie weet – onze bedreigde democratieën kunnen misschien best wel wat nieuwe mythen gebruiken. Wie weet heeft het historisme de toekomst. 

Éric Vuillard. L’ordre du jour. Récit. Actes Sud. 2017

Éric Vuillard. 14 Juillet. Récit. Actes Sub 2016.

Ivan Jablonka. L’histoire est une littérature contemporaine. Manifeste pour les sciences sociales. Seuil 2014.

Het interview met Alexandre Gefen uit Le Monde staat HIER (betaald). Dat op France Culture valt HIER te beluisteren

Afbeelding boven: inwoners van Wenen begroeten de Duitse troepen in 1938. Afbeeldingen onder: Gustav Krupp in de jaren dertig; Hitlers triomfantelijke intocht in Wenen, 1938. 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: