Voorbij de liberale democratie

Het populisme kan de redding van de democratie betekenen. Dat is althans de opvatting van de Duitse historicus Jörg Baberowski (1961, hoogleraar Oost-Europese geschiedenis aan de Humboldt-universiteit in Berlijn) in zijn zojuist verschenen ‘Am Volk vorbei’. Baberowski’s stelling komt er kort gezegd op neer dat de democratie, historisch gezien, niet samenvalt met de liberale democratie, of het primaat van liberale waarden en dat de populistische partijen het volste recht moeten hebben zich tegen heersende vormen en gedachten uit te spreken.

Sterker nog: de ‘moralisering’ van het openbare leven volgens liberale normen waaraan zich democraten in het Westen zich de afgelopen decennia hebben bezondigd, dient er – nog altijd volgens Baberowski – toe ‘een muur op te richten waarachter zich de goeden, welmenenden en oprechten verschansten en elkaar verzekerden, de enige echte democraten te zijn’. Maar die ‘moralisering’ volgens liberale, of anderszins ethische normen heeft volgens Baberowski niets met democratie te maken, of gaat in ieder geval de democratische idee ver te boven.

‘In elk politiek systeem worden mensen overheerst, maar in een democratie zoeken de burgers zich hun heersers zelf uit’, aldus de Berlijnse geleerde. Dat de uitverkorenen zich vervolgens ergeren aan de opvattingen van het volk – of ‘gepeupel’ – is van alle tijden, meent Baberowski. Die ergernis is ook begrijpelijk of gerechtvaardigd: de democratisch verkozene kan immers bij een volgende verkiezing gewoon aan de kant worden gezet. Daarom is het ook zo belangrijk om de democratische instituties te beschermen en geen opkomende partijen – die van populistische snit bijvoorbeeld – buiten de sluiten van het democratisch proces. Ofschoon Baberowski daar niet expressis verbis op ingaat, lijkt zijn boek mede ingegeven door de in Duitsland bij sommige politici bestaande neiging de rechts-extreme AfD bij wet te laten verbieden.

Ik was in het verleden nogal een fan van Baberowski, die er in het verleden wel van is verdacht extreem-rechtse sympathieën te koesteren – iets wat aan Duitse universiteiten nog eerder gebeurt dan aan Nederlandse. Zijn historische specialisme, vooral Rusland en de Sovjet-Unie, heeft hem – om voor de hand liggende redenen – op het spoor gezet van de rol van het geweld in de geschiedenis en, meer in het algemeen, van de fragiliteit van de macht. Zijn voorlaatste boek, ‘Die letzte Fahrt des Zaren’, ging over de onverwachte manier waarop er in 1917 plotseling een eind kwam aan het bestuur van de tsaren in Rusland.

De onmiskenbare scepsis van Baberowski ten aanzien van politici die willen ‘moraliseren’ lijkt mede ingegeven door zijn kijk op de Russische machtsverhoudingen. Dat het tsarenrijk in 1917 ineenstortte, heeft hij betoogd, is mede te wijten aan de hervormingspolitiek van tsaar Aleksandr II (regerend van 1855 tot in 1881, toen hij bij een terreuraanslag werd gedood), die onder andere in 1861 de lijfeigenschap afschafte. De huidige Russische heerser, Vladimir Poetin, zal Baberowski’s conclusie dat Rusland zonder een harde hand verloren gaat, ongetwijfeld delen. Minder verguld zal Poetin echter zijn met Baberowski’s vergelijkingen tussen het Rusland van Stalin en het Duitsland van Hitler – met elkaar vergelijkbare geweldsregimes. Poetin heeft trouwens geen keus, liet Baberowski zich onlangs in een interview ontvallen: als hij aan de macht wil blijven, moet hij op grote schaal geweld toepassen, zoals hij in Oekraïne trouwens nu al doet.

In ‘Räume der Gewalt’ (2015) heeft Baberowski een historisch en analytisch overzicht van het geweld in de geschiedenis willen geven – nogal een uitgebreid veld en des te knapper dat het zo’n begrijpelijk boek is, dat ik destijds gefascineerd heb gelezen. De geleerde laat zien hoe met name na de Tweede Wereldoorlog er steeds nieuwe pogingen zijn gedaan om geweld politiek uit te bannen of althans te beteugelen. En hoe, bijvoorbeeld in de al uit de jaren dertig daterende, invloedrijke werken van Norbert Elias (1897-1990) de stelling werd gelanceerd dat in het beschavingsproces van de Westerse cultuur dwang van de staat of heersers (Fremdzwang) langzamerhand plaats is gaan maken voor zelfdiscipline (Selbstzwang).

Een andere originele bijdrage in de discussie over geweld in de geschiedenis was de inbreng van de Noorse politicoloog Johan Galtung (1930-2024), wiens theorieën een verplicht nummer waren toen ik in de jaren zeventig van de vorige eeuw (gelukkig als bijvak) Polemologie studeerde, een inmiddels vrijwel verdwenen schijnwetenschap die gericht was op het uitbannen van oorlog. Galtung was onder andere de uitvinder van het begrip ‘structureel geweld’ – vele decennia lang een krachtig argument bij aanklachten tegen ongelijkheid en sociaal onrecht, tussen de ‘tweede’ en de ‘derde’ wereld bijvoorbeeld.

Nu heersers als Poetin en de Amerikaanse president Donald Trump zo duidelijk hun toevlucht nemen tot ouderwets, onversneden geweld in hun binnen- en buitenlandse politiek lijken de illusies van de naoorlogse tijd, of in het bijzonder de tijd na het einde van de Koude oorlog, voornamelijk een charmante herinnering. Wat beiden gemeen hebben is – niet onbelangrijk – dat zij geen geheim maken van hun voorkeur en gebruik van geweld, integendeel. Dat plaatst hen ook in de traditie van Hitler en Stalin.

Maar een verschil tussen Poetin en Trump is dat je eerstgenoemde bezwaarlijk een populist kunt noemen – nog altijd moeten de Russische staatsburgers die naar feestconcerten of andere zorgvuldig geregisseerde huldigingen van Poetin gaan daartoe met dwang of geldelijke compensatie worden aangezet. Trump is daarentegen wel degelijk een populist, die tot voor kort stadions vol uitzinnige aanhangers vol kon krijgen, die door hem in een soort roes werden gebracht – overigens ook een overeenkomst met Hitler.

Veel van de vooral aan de Duitse verhoudingen ontleende grieven die Baberowski toeschrijft aan het populistische electoraat lijken van toepassing op de Verenigde Staten van Trump en andere landen, zoals het onze. De politiek heeft een deel van de aan haar gedelegeerde bevoegdheden doorgeschoven naar niet door verkiezingen samengestelde internationale gremia. De kiezer heeft de ervaring dat zijn stem, of de verandering van zijn politieke voorkeur, geen gevolgen heeft omdat achter de schermen van de politiek hele andere normen gelden dan in verkiezingstijd. De ware politieke strijd vindt binnen partijen plaats, niet in het contact tussen partij en kiezer. En dan is er het al genoemde, heikele punt van de liberale waarden die de politieke elite als essentiële waarden van de democratie wil verkopen: globalisering, massa-immigratie en tolerantie tegenover vormen van criminaliteit. Die dingen zijn niet leuk, maar worden de burger verkocht als een noodzakelijke prijs voor een open samenleving, meent Baberowski. Het Kwaad als prijs voor de vrijheid.

Het is ongeveer op dit punt dat Baberowski naar mijn smaak wat al te lankmoedig kijkt naar populistische en extreem-rechtse partijen. Natuurlijk kun je menen dat – sinds conservatieven en sociaal-democraten het in de Westerse democratieën op een akkoordje lijken te hebben gegooid – nog slechts partijen als de AfD in Duitsland en het Rassemblement National in Frankrijk een werkelijk politiek alternatief voor de burger bieden. Maar dat gaat wel voorbij aan de schade aan de democratie die zulke partijen kunnen toebrengen: van de corruptie en geweldsbelustheid van Trump tot de karikaturale onmacht van het kabinet Schoof in Nederland. Bovendien is het niet helemaal waar dat de ‘moralisering’ van de politiek niets meer is dan een schild waarachter de politieke elite zich schrapt zet. Natuurlijk kan en moet over alles gediscussieerd worden, maar uitbanning van geweld en onrecht zijn wel degelijk valide onderwerpen in een democratie.

Zowel in Duitsland als in Frankrijk gaan met enige regelmaat stemmen op om de AfD of het RN bij wet te verbieden, en in het Franse geval dan ook maar meteen de extreem-linkse partij La France Insoumise. Baberowski heeft gelijk, dat hij zich daartegen verzet. Een democratische staat moet het kunnen verdragen dat er politieke bewegingen op pad zijn die fundamenteel bezwaar maken tegen de bestaande orde, zowel de politieke als de morele. Zulke partijen zijn er ook lang geweest, onze eigenste CPN bijvoorbeeld.

Het is bij de populistische partijen als de AfD, of RN, of Reform in het Verenigd Koninkrijk voorshands in het geheel niet duidelijk of zij, eenmaal aan de macht, het democratische spel zullen meespelen en de kans willen lopen hun macht weer af te staan na verkiezingen. Het optreden van Trump, die op de Amerikaanse instituties de aanval lijkt te hebben ingezet, doet het ergste vermoeden. Maar er zit weinig anders op, dan het risico te nemen; een democratie kan niet voortbestaan zonder af en toe zichzelf in de waagschaal te stellen. Dat is ook het grote verschil met een dictatuur als die van Stalin of Poetin of onder de tsaren: daar leidt zo’n experiment onherroepelijk tot de ondergang van het systeem.

Jörg Baberowski: Am Volk vorbei. Zur Krise der liberalen Demokratie. C.H. Beck 2026

Afbeelding: Tekening van de Duitse cartoonist Klaus Stuttmann (geb. 1949), verschenen in het dagblad Tagesspiegel, naar een schilderij van Hopper.

Plaats een reactie

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑