Niemand laat meer een traan om de CPN

De laatste Nederlandse communist die ik gekend heb was Ab Harrewijn, een uit de CPN afkomstig Tweede kamerlid voor GroenLinks die helaas in 2002 op 47-jarige leeftijd aan een hersenbloeding is overleden. Harrewijn, een beminnelijke, iets te zwaarlijvige man met een groot sociaal gevoel, was merkwaardigerwijze ook – voor zover ik weet – de laatste dominee die lid van de Tweede Kamer is geweest. Hij was afkomstig uit een gezin van zogeheten ‘Bonders’ uit de Alblasserwaard – geen milieu waarin men makkelijk over kwesties van doctrine heenstapt. Ook als GroenLinkser was hij er trots op lid van de CPN te zijn geweest, vertelde hij mij. Die partij stond voor machtspolitiek, ‘objectieve bewegingen’ en nam de belangen van arbeiders en anderen serieus, meende Harrewijn. Bij zijn partijgenoten die uit de PSP, de PPR en de EVP afkomstig waren was zo’n oriëntatie vaak ver te zoeken. Op grond van zulke overwegingen was Harrewijn ook een warm voorstander van de Navo.

Ik mocht hem graag, al was mijn betrekking tot hem natuurlijk vooral functioneel: de parlementaire journalist is het er om te doen, een beetje binnen te dringen in de diverse Kamerfracties. Van zijn kant werd de mededeelzaamheid vermoedelijk bevorderd door het gegeven dat ik in Sovjet-tijden correspondent in Moskou was geweest. Dat ik mij, ofschoon correspondent van een krant die in verstokt-communistische kring bij uitstek gold als ‘huisorgaan van het monopoliekapitaal’ (zulk jargon kon je in de jaren zeventig nog volop aantreffen in het blad van de Vriendschapsvereniging Nederland-USSR) had ik mij niet als een begeesterd communisten-vreter doen kennen. Dat maakte mij in Harrewijns ogen natuurlijk nog niet tot een bondgenoot, maar wel tot iemand die begreep waarover hij het had, bijvoorbeeld wanneer hij met eerbied sprak over een oudere generatie Nederlandse communisten die de oorlog had meegemaakt.

Deze natuurlijk nogal zoetsappige benadering van mijn kant van de CPN – de Communistische Partij van Nederland die al in 1909 als SPD was opgericht als een afsplitsing van de meer gematigd-marxistische SDAP – is eigenlijk overheersend in de benadering van de CPN gedurende de laatste decennia van het bestaan van deze partij. Tekenend voor die sfeer is dat er in het gebouw van de Tweede Kamer sinds 1991 zelfs een Marcus Bakkerzaal is, naar de man die vele jaren fractievoorzitter van de CPN geweest pas (en pas in 2009 is overleden). Bakker was op een bepaalde manier misschien een joviale figuur en in ieder geval een goed debater (dat laatste zegt men nu weer over Geert Wilders, trouwens).

Maar hij was ook een doorgewinterde Stalinist die er in opdracht van partijleider Paul de Groot niet voor terugschrok partijgenoten die afweken van de door De Groot bepaalde lijn aan de schandpaal te nagelen en te betichten van allerlei wandaden tegen de partij – ook wanneer ze, anders dan De groot zelf, een toonaangevende rol in het verzet tegen de Duitrse bezetting hadden gespeeld. Een principieel voorstander van de parlementaire democratie was Bakker in geen geval. Je zou het feit dat er naar hem een zaal is vernoemd een hartverwarmend teken kunnen noemen dat onze democratie zelfs kan omgaan met haar vijanden, maar een beetje curieus blijft het wel: tenslotte is er ook geen Meinoud Rost van Tonningenzaal. (Al weet je maar nooit met de groei van extreem-rechtse groeperingen).

De historicus Rob Hartmans, die zojuist een zowel uiterst leesbare- als nuttige geschiedenis van de CPN het licht heeft doen zien, ‘Rode kameraden’, ergert zich ook wel een beetje aan de lankmoedigheid waarmee de partij en haar leden tegenwoordig worden bekeken. In recente geschriften van ex-CPN’ers en hun kinderen bijvoorbeeld, merkt Hartmans op, wordt vaak opgemerkt dat het een beetje zielig was dat CPN’ers door de geheime dienst BVD scherp in de gaten werden gehouden. Maar was dat, gezien de opstelling van de partij als voorvechter van de ‘dictatuur van het proletariaat’ en de gedurende vele jaren in praktijk gebrachte hondentrouw aan Moskou niet alleszins gerechtvaardigd? Nu, achteraf, kunnen we misschien constateren dat de CPN sinds 1948 ongeveer niet meer een werkelijke bedreiging voor de parlementaire democratie gevormd heeft. Maar voor staatsveiligheid geldt een beetje hetzelfde als voor militaire defensie: het zekere voor het onzekere.

Nu met de ophanden zijnde fusie tussen GroenLinks en de PvdA de allerlaatste resten CPN wel zo’n beetje ten grave worden gedragen – de partij hield in 1991 al op te bestaan – valt eigenlijk vooral op hoe gering de bijdrage van de Nederlandse communisten aan de Nederlandse samenleving is geweest en hoe hardnekkig tegelijkertijd de trouw van de communisten zelf aan hun partij was. Het politieke isolement had de CPN voornamelijk aan zichzelf te wijten. Kort na de Bevrijding van 1945 was de partij, mede door haar rol in het verzet en het prestige van de Sovjet-Unie als bevrijder, een belangrijke politieke speler geweest, en het partijblad De Waarheid de grootste krant van Nederland.

Maar van links en rechts beleden plannen voor een politieke ‘doorbraak’ van de vooroorlogse politieke verhoudingen kwam na 1945 al spoedig weinig meer terecht. En al helemáál niet bij de CPN, waar na de heldhaftige verzetsperiode – Hartmans noemt veel voorbeelden van moedige en niet zelden door de Duitse politiediensten (dood)gemartelde CPN’ers – de oude trouw aan Moskou werd hersteld, onder leiding van Paul de Groot die zich al voor de oorlog tot de partijleider had ontwikkeld. Hij had weliswaar tijdens de onderduik zijn vrouw en dochter aan de bezetter verloren, maar had zich verder opmerkelijk rustig gehouden – na aan het begin van de Duitse bezetting, geheel conform de gedachten van het Hitler-Stalin-pact, nog tot een ‘correcte’ houding van de Nederlanders jegens de Duitsers te hebben opgeroepen. (Tekst gaat door onder de foto).

De snelle neergang van de CPN in de naoorlogse jaren hield voor een belangrijk deel toch verband met wat je een sektarische opstelling zou kunnen noemen, die in belangrijke mate verband hield met de door Moskou verstrekte instructies. Zo was de communistische machtsgreep in Praag in 1948 voor veel Nederlanders met communistische sympathieën die geen partijlid waren, ontegenzeggelijk een leerrijk keerpunt. En zo ging het verder met de enthousiaste steun in De Waarheid voor de inzet van Sovjet-tanks tegen de arbeiders van Oost-Berlijn, de boycot aan nationale steun aan de slachtoffers van de Watersnoodramp van 1953 omdat die hele ramp een imperialistisch complot zou om Nederland, nader aan de Verenigde Staten te binden, en natuurlijk de warme steun voor de onderdrukking van de Hongaarse opstand van 1956 en de Praagse Lente van 1968.

Buitengewoon onaangenaam getroffen was De Groot door de zogeheten ‘geheime rede’ van Sovjet-partijleider Nikita Chroesjtsjov op het Twintigste Partijcongres in Moskou in 1956. De Groot was op dat moment wel in Moskou, maar evenmin als andere buitenlandse communistische leiders uitgenodigd voor de desbetreffende zitting. De toespraak, waarin Chroesjtsjov in bedekte termen de terreur onder Stalin aan de orde stelde, werd om die reden in De Waarheid aanvankelijk afgedaan als een vervalsing van Imperialistische geheime diensten. De Groot kon de onttakeling van zijn grote idool niet verkroppen, zodat de CPN in de jaren daarna op meer afstand van Moskou kwam te staan.

Opvallend is trouwens hoe De Groot, totdat hij in 1978 definitief door zijn partijgenoten onschadelijk werd gemaakt (hij was toen erevoorzitter), altijd het gevoel had dat hij als leider van de CPN op ooghoogte met de Sovjet-kameraden kon verkeren, terwijl zijn partij toch een van de kleinere was in West-Europa. Een ander kenmerk van de CPN was haar wantrouwen jegens intellectuelen – althans tot aan de massale intocht van jonge academici en hervormingswerkers in de jaren zeventig. Hartmans gaat uiteraard ook in op de vele zuiveringen die De Groot, in samenwerking met Marcus Bakker, doorvoerde binnen de partij, onder andere die tegen de zogeheten ‘groep-Wagenaar’ in 1957.

Daarvoor werd de geschiedenis van het communistisch verzet in de Tweede Wereldoorlog herschreven en zagen prominente partijleden als Gerben Wagenaar, Henk Gortzak en Frits Reuter zich weggezet als verraders. Volgens beproefd Stalinistisch recht heette het dan dat zij voor de Gestapo of altijd al voor de Britse geheime dienst hadden gewerkt. In een Oostblok-land hadden zulke beschuldigingen tot schijnprocessen en executies geleid – hier te lande bleef het meestal bij sociaal isolement omdat prominente CPN’ers meestal voor en in de partij leefden, en het hun oude kameraden verboden werd nog langer met ze om te gaan. Mechanismen als deze laten de CPN zien als een soort sekte, zoals het hele communisme achteraf de trekken van een geloofssysteem lijkt te hebben vertoond.

Hartmans overzichtswerk opent niet zozeer nieuwe vergezichten, maar is desondanks betrekkelijk uniek in de geschiedschrijving van het Nederlandse communisme. Want bijna alle boeken die de afgelopen decennia over de CPN verschenen zijn – en dat zijn er tientallen – lijden aan het feit dat de auteur zelf betrokken was bij de door hem of haar beschreven gebeurtenissen en niet zelden met deze en gene nog een appeltje te schillen heeft. Daar heeft Rob Hartmans in ieder geval geen last van, al blijft hij de beantwoording van de door hem in de inleiding opgeworpen vraag, waarom de CPN eigenlijk achteraf op zoveel lankmoedigheid in de publieke perceptie kan rekenen, naar mijn smaak grotendeels schuldig.

Een niet geringe verdienste van het boek is verder, dat Hartmans zich niet beperkt tot de geschiedenis van de CPN in en na de oorlog. Gedetailleerd beschrijft hij de plaats van de Nederlandse communisten in de internationale arbeidersbeweging aan het eind van de negentiende eeuw. Smakelijk heb ik gelachen om het gegeven dat in later jaren niet mocht worden benadrukt dat de partij het resultaat was van een scheuring binnen de Nederlandse Sociaal-Democratie op het congres van Deventer in 1909, omdat zulks beledigend zou zijn voor de Sovjet-kameraden, wier Komintern immers pas van 1920 was.

Die vooroorlogse geschiedenis van het Nederlandse communisme is razend interessant en biedt veel aanknopingspunten voor de beoordeling van de CPN later. Het is er een van eindeloze – deels hoogst-theoretische – conflicten en scheuringen, waarbij bijvoorbeeld zelfs initiatiefnemers als David Wijnkoop weglopen en een eigen partij beginnen. Ook is het voortdurend de vraag welke houding men moet aannemen tegenover de vakbeweging, waar deze immers nogal eens de neiging vertoont tot ‘reformisme’, dat wil zeggen het streven naar verbetering van arbeidsomstandigheden onder verwaarlozing van de revolutionaire aspiraties.

Zo komt het bijvoorbeeld dat de SPD en later CPN tot 1940 nauwe banden blijven houden met het NAS, oftewel het Nationaal Arbeids-Secretariaat, dat zijn wortels heeft in negentiende-eeuwse anarchistische en syndicalistische stromingen. En dat terwijl Moskou liever had gezien dat de communisten de leiding van het door Sociaal-Democraten gedomineerde NVV hadden overgenomen. Een zekere afstand tussen Moskou en de CPN-leiding bestond overigens al vanaf de jaren dertig – getuige bijvoorbeeld de van de partijleiding relatief onafhankelijke positie van de fascinerende figuur Daan Goulooze, die de geheime communicatienetwerken met Moskou runde, en door De Groot zeer werd gehaat.

In veel opzichten lijkt 1977 het jaar waarin de CPN definitief tot onbeduidendheid verschrompelde. Bij de verkiezingen was de leus van de partij ‘Van Agt er uit, de CPN erin’: de CPN achtte de tijd rijp voor een soort links eenheidsfront met de PvdA en aanverwante organisaties, waar PvdA-leider Joop den Uyl overigens in het geheel niets van wilde weten. Toen de CPN bij de verkiezingen terugviel van zeven naar twee zetels weten Marcus Bakker en de zijnen dat aan de Molukse treinkaping in Wijster, waarbij Van Agt als demissionair minister van Justitie veel in beeld was gekomen. Die hele kaping was een duivels complot tegen regeringsdeelname van de CPN geweest.

Samen met de lofdichten op Stalin van CPN-huisschrijver Theun de Vries maken zulke episoden zeer duidelijk: de CPN is geschiedenis en morsdood. Bedreigingen van de democratie komen nu uit heel andere hoek.

Rob Hartmans: Rode Kameraden. De Nederlandse communisten, 1909-1991. Omniboek 2024.

Afbeeldingen: 1. Herdenking bij het overlijden van Stalin in de Amsterdamse Apollo-hal, 10 maart 1953 (Dolf Kruger, Nederlands Fotomuseum); 2. Paul de Groot spreekt CPN-congres toe in 1950. (Foto ANEFO [Hartog] / Nationaal Archief); 3. Verkiezingsaffiche 1977. (Geheugen van Nederland).

Een gedachte over “Niemand laat meer een traan om de CPN

Voeg uw reactie toe

  1. Hierboven staat het zinnetje “zoals het hele communisme achteraf de trekken van een geloofssysteem lijkt te hebben vertoond”. Als lezer indertijd van de eerste druk van Karel van het Reve’s meesterlijke boek Het geloof der kameraden vind ik dat woord ‘achteraf’ wat lastig te plaatsen. En dan zwijg ik nog maar van personen als Jacques de Kadt, aan wie het geloofskarakter van de communistische orthodoxie al een eeuw geleden duidelijk was geworden.

    Like

Plaats een reactie

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑