Een Nederlander in de Stadsschouwburg van Odessa, in 1906

Het Algemeen Handelschblad van 23 september 1906 bevatte een opmerkelijke toneelrecensie. De Nederlander Jonas Wertheim deed daarin verslag van een opvoering, in het Russisch, van het toneelstuk ‘Ghetto’ van de Nederlandse auteur Herman Heijermans, in de Stadsschouwburg van de Russische havenstad Odessa. Alles aan en rond dit artikel is opmerkelijk en fascinerend, en niet zelden raadselachtig. In het boek ‘Drie joodse herkomsten’ hebben Anne-Ruth Wertheim en Rudi Künzel nu een groot aantal feiten rondom dit krantenartikel uit 1906 naar boven gehaald.

Om te beginnen zijn er de persoon van Jonas Wertheim en zijn vrouw, Heintje Wertheim-van Gelder. Beiden zijn geboren in Amsterdam, in respectievelijk 1879 en 1878, in een joods milieu. Beiden hebben echter het Jodendom expliciet vaarwel gezegd, en staan als ‘Remonstrants’ in het bevolkingsregister. Na een tijdje te hebben gewerkt als leraar MO Boekhouden, kreeg Jonas een betrekking bij Levensverzekeringsbank De Algemeene, die filialen in Rusland had, waaronder eentje in Odessa.

Odessa, een havenstad aan de Zwarte Zee en gesticht aan het einde van de XVIII-de eeuw, is rond 1900 een van de meest multiculturele steden die ooit hebben bestaan – een ‘melting pot’ van Russen, Joden, Armeniërs, Grieken, Turken, Oekraïners, Roemenen en wat je in Oost-Europa nog meer aan ethnische identiteiten kunt bedenken. Het Odessa van die tijd kan misschien nog het best met New York in diezelfde periode worden vergeleken. Kosmopolitischer van mentaliteit dan Odessa, zal geen enkele plek in Rusland ooit zijn geweest, of nog worden.

Niet in de laatste plaats was dat te danken aan de Joodse culturele invloed ter plaatse. Tsaristisch Rusland (waartoe Odessa toen behoorde, tegenwoordig ligt de stad in Oekraïne) kende een restrictief vestigingsbeleid voor Joden, die hoofdzakelijk verbannen waren naar de uiterste westkant van het imperium. In de ‘boomtown’ Odessa golden voor Joden echter geen beperkingen. Hun aandeel in de stadsbevolking lag bij de 30 of 40 procent, en Odessa kreeg de naam een ‘Jeruzalem aan de Zwarte zee’ te zijn, waar alle religieuze en politieke schakeringen van het Jodendom zich konden ontplooien – van vrome chassidische sekten tot atheïstische sociaal-revolutionairen.

Odessa kende geen Joods ghetto in juridische zin, maar wel een wijk waar overwegend arme Joodse proletariërs woonden, Moldavanka. De sociale positie van Joden in Odessa was misschien niet zo heel veel anders dan in vooroorlogs Amsterdam: over het algemeen vrij traditionalistisch ingestelde armeren woonden op een kluitje en bleven het liefst onder elkaar, terwijl tegelijkertijd een Joodse middenklasse en een laag van gegoeden razendsnel assimileerde – in het onderhavige geval door het aannemen van Russische of algemeen-Europese culturele normen. Dat ging overigens geenszins zonder ethnische spanningen. Net als in Frankrijk bijvoorbeeld komt tegen het einde van de XIX-de eeuw in Rusland een nieuw soort virulent nationalisme op, dat zich onder andere kenmerkt door uitgesproken antisemitisme. Samen met sociaal-economische spanningen leverden zulke ideeën de voedingsbodem voor een reeks pogroms in Odessa – die in 1905 had maar liefst 400 Joden het leven gekost. Niet zo heel lang daarna dus bezocht Jonas Wertheim in de plaatselijke Stadsschouwburg een voorstelling van Heijermans ‘Ghetto’. (Tekst gaat door onder afbeelding).

‘Ghetto’ van Herman Heijermans dateert uit 1898 en was internationaal uiterst succesvol. De Russische versie die Wertheim in Odessa ziet, is op zijn beurt gebaseerd op een in boekvorm verschenen Duitse vertaling, die de eenmalige recensent van het Algemeen Handelschblad tijdens de voorstelling op schoot heeft. Het was, al sinds de Nederlandse première, ook een omstreden stuk omdat de manier waarop in ‘Ghetto’ wordt gesproken over Joden en Joodse tradities door sommigen als antisemitisch werd ervaren. Kennelijk in verband daarmee heeft Heijermans het stuk in 1905 deels herschreven op een manier die aangeeft dat Heijermans niet alleen kritiek heeft op het Joodse geloof en de daarvan afgeleide gebruiken en tradities, maar ook op andere religies, met name het Christendom. Wat daarbij aan het licht treedt, zijn de socialistische overtuigingen van de gevierde auteur, en de daarbij behorende neiging religie als ‘opium voor het volk’ te beschouwen.

‘Ghetto’ draait om de confrontatie tussen een Joodse jongeman, ‘Rafaël’, en zijn vader, een blinde lompenkoopman. Rafaël wenst te breken met het Joodse milieu, het geloof en de tradities waaruit hij voortkomt. Het Jodendom, meent hij, is een soort psychisch ghetto, een geestelijke gevangenis waardoor de achterstelling van Joden in de wereld eeuwig gecontinueerd wordt. Rafaël wil vrij zijn en dat leidt tot een hooglopend generatieconflict met zijn oude vader, die een Joods meisje als bruid voor zijn zoon heeft uitgezocht. Rafaël daarentegen wil trouwen met het niet-joodse dienstmeisje van de familie. Een reeks hooglopende twistgesprekken, en misverstanden leiden tot het vertrek van Rafaël en – althans in de versie van 1898 – de zelfmoord van de niet-joodse Rosa.

Je zou redelijkerwijs kunnen veronderstellen dat Jonas Wertheim zich door de problematiek in ‘Ghetto’ persoonlijk aangesproken gevoeld heeft. Tenslotte hebben zijn vrouw en hij radicaal gebroken met het Jodendom, mede uit sociale overwegingen kennelijk, en het lijkt erop dat zij in dat kader ook beiden radicaal hebben gebroken met hun eigen families. In zijn recensie laat Jonas Wertheim – ofschoon hij in de ‘ik’-vorm schrijft – daarover echter niets los. Erg gecharmeerd is hij niet van de voorstelling, die hem kennelijk niet realistisch genoeg is. Het milieu van de Joodse lompenkoopman wordt veel te chique op het toneel gezet, meent hij, en sommige acteurs gooien er met de pet naar. Ook het kennelijk door het Russische toneelgezelschap zelf bedachte, alternatieve einde vermag hem niet te behagen: Rafaël wordt door zijn eigen volksgenoten doodgeknuppeld, voordat hij zijn stap naar de vrijheid kan zetten. Het is maar goed, schrijft Wertheim, dat weinig toeschouwers in Odessa schijnen te weten dat ‘Ghetto’ een Nederlandse stuk is. Want de kwaliteit van het gebodene doet de Nederlandse cultuur geen eer aan.

Wel besteedt de recensent aandacht aan de maatschappelijke kontekst waarbinnen deze voorstelling in Odessa plaatsvindt. Wertheim beschrijft dat er in de zaal zeer heftig gereageerd wordt op bepaalde gedeelten in de tekst, kennelijk met name die waarin Rafaël het Jodendom als een geestelijke gevangenis beschrijft. Alsof het een opera was, vragen delen van het publiek dan ook om herhaling van stukken tekst, ‘bis, bis’ roepend – iets waarop de acteurs, tot Wertheims opluchting, niet ingaan. De reacties in de zaal relateert hij aan de kennelijk nog steeds gespannen sfeer in Odessa sinds de pogrom van het jaar daarvoor. De Joodse tradities en zelfbeperkingen waartegen het stuk van Heijermans zich richt, zijn in Odessa en omgeving veel meer gemeengoed dan onder Joden in West-Europa, constateert hij. Toch blijven veel vragen onbeantwoord: is de beroering in de Stadsschouwburg het werk van toeschouwers die Heijermans boodschap onderschrijven, of juist van toeschouwers die deze aanval op Joodse tradities verafschuwen? Of wellicht beide? En wie waren die toeschouwers eigenlijk, die een toneelstuk in het Russisch over Joodse problematiek gingen bezoeken, terwijl Odessa ook Jiddisj-talige theaters kende? 

De carrière van Jonas Wertheim in Odessa verliep voorspoedig, zo voorspoedig zelfs dat hij na een jaar of wat werd overgeplaatst naar de Russische hoofdstad, Sint-Petersburg. Daar bevond zich sinds jaar en dag een bloeiende Nederlandse kolonie, zoals nog altijd te zien is aan de voormalige Nederlands-Hervormde kerk aan de Njevski-propekt. Wanneer de Wertheims zich in deze jaren nog steeds als Joden beschouwd hadden, was er wellicht een probleem geweest, want in tegenstelling tot Odessa was Sint-Petersburg verboden terrein voor Joodse vestiging. De Wertheims golden echter kennelijk als Nederlanders zonder meer. Hun beide zoons, schrijven de auteurs van ‘Drie joodse herkomsten’, hoorden voor het eerst dat zij van joodse origine waren toen ze na de Oktoberrevolutie van 1917 met hun moeder Rusland ijlings moesten verlaten en naar Nederland gingen. 

Jonas Wertheim probeerde het nog enige jaren uit te zingen in Sint-Petersburg – vermoedelijk in de hoop dat de revolutionaire toestand tijdelijk zou zijn. Dat was geen eenvoudige opdracht: als lid van het financiële establishment gold hij voor de bolsjeviki die de macht hadden gegrepen als een ‘bourgeois’, een klasse die geliquideerd moest worden. Wertheim heeft over zijn ervaringen in het revolutionaire Sint-Petersburg in 1938 een boek het licht doen zien, dat – afgaande op de in ‘Drie joodse herkomsten’ afgedrukte fragmenten – erg de moeite waard moet zijn: ‘Hollanders in den greep van de Tsjeka’. 

Sinds het Petersburgse avontuur stond het leven van het echtpaar Wertheim in het teken van pech en tragiek. Op den duur wist Jonas Wertheim weer een betrekking te bemachtigen bij een financiële instelling, die hem, met zijn buitenlandse ervaring, afvaardigde naar Berlijn. Daar woonde het gezin in 1933, ten tijde van de machtsgreep van de Nazi’s en moest toen vluchten: in tegenstelling tot de Russische overheid had het Nazi-bewind geen boodschap aan Joden die hun Jodendom vaarwel hadden gezegd. Voor Hitler c.s. gold iemand die ‘Wertheim’ heette gewoon als Joods. Berooid keerde het echtpaar terug naar Nederland. Na de Duitse inval van 1940 behoorden Jonas en Heintje Wertheim tot de groep van vele honderden Nederlanders die de werkelijkheid van de Nazi-bezetting niet wilden afwachten en zelf een eind aan hun leven maakten.

Anne Ruth-Wertheim en Rudi Künzel hebben over het zowel razend interessante als tragische bestaan van dit echtpaar een veelheid van gegevens opgeduikeld – een Russische krantenrecensie van dezelfde opvoering van ‘Ghetto’ in Odessa bijvoorbeeld. De meeste vragen over het echtpaar Wertheim blijven ondanks al die documentatie onbeantwoord. Dat geldt met name voor hun verhouding tot het Jodendom. Was hun overgang naar de Remonstrantse kerk bijvoorbeeld de reden dat ze beiden geen enkel contact meer onderhielden met hun familie? Het antwoord op die, en vele andere vragen hebben Jonas en Heintje in 1940 in hun zelfgekozen dood meegenomen. Dat geldt ook voor die toneelrecensie uit 1906: waarom dat stuk precies op dat moment in Odessa op het repertoire van de Stadsschouwburg verscheen en wat Jonas Wertheim bewoog om daarover een stuk voor een Amsterdamse krant te schrijven – we weten het niet.

‘Drie joodse herkomsten’ is, ondanks het fascinerende verhaal van het echtpaar Wertheim, geen goed boek. Het is, om te beginnen, uiterst onbeholpen geschreven en staat vol onnodige herhalingen en ahistorische uitwijdingen. Tot twee keer toe kenschetsen de auteurs de politieke instelling van het echtpaar als rechts van de huidige VVD, alsof er in het interbellum geen rechts-liberale partij bestond. Enigszins bizar is ook dat de auteurs het echtpaar kwalijk lijken te nemen dat ze niet voldoende begrip hadden voor de standpunten van de proletariërs tijdens de revolutie in 1917.

Maar het voornaamste probleem met ‘Drie joodse herkomsten’ is nog wel dat het de auteurs er niet primair om te doen is, het leven van het echtpaar Wertheim te reconstrueren, al is Anne-Ruth Wertheim een van hun kleinkinderen. Zoals de boektitel al aangeeft hebben we hier te maken met een vergelijkende studie naar drie gevallen waarin Joden afstand doen van hun Joodse identiteit, of daar althans naar streven. De drie casus zijn het echtpaar, de schrijver Herman Heijermans en de fictieve figuur ‘Rafaël’ uit ‘Ghetto’. Om in een essay met vrucht zulke ongelijksoortige grootheden te vergelijken, moet je als schrijver van goede huize zijn, en dat zijn de auteurs van dit boek helaas niet. Zo begeven zij zich in een nogal warrige polemiek met Hans Goedkoop, die in 1996 promoveerde met een alom geroemde biografie van Herman Heijermans.

Hoewel de auteurs nogal verhullend te werk gaan bij de presentatie van hun gevolgtrekkingen, lijkt hun voornaamste belangstelling uit te gaan naar de vraag, of een mens zelf zijn identiteit naar eigen keuze kan samenstellen, oftewel: of een Jood kan ophouden een Jood te zijn, wanneer hij daarvoor kiest. Of dat kan is één ding, of dat moreel aanvaardbaar is een tweede. In ‘Drie joodse herkomsten’ wordt – zonder dat geheel duidelijk wordt of dit het standpunt van de auteurs is – melding gemaakt van een redenering onder ‘zelfbewuste’ Joden, dat Joden die voor hun Jood-zijn niet willen uitkomen, eigenlijk de antisemieten in de kaart spelen en in morele zin derhalve als medeplichtig aan de Holocaust beschouwd kunnen worden.

Het is het volste recht van de auteurs, er zulke opinies op na te houden. Het is echter onjuist zulke opvattingen te laten doorgaan voor historische analyse. Het geloof aan de grote importantie van ‘identiteit’ en verontwaardiging over een mogelijk verlies daarvan zijn verschijnselen van deze, onze tijd en kunnen niet zonder meer naar de eerste helft van de XX-ste eeuw worden overgebracht. Natuurlijk heeft de Jodenvervolging onder de Nazi’s de kijk op Joden en hun cultuur veranderd, maar om aan de hand daarvan menselijk optreden van voor 1940 te wegen, gaat te ver – dat in het boek ter verdediging van Heijermans wordt opgemerkt dat deze al in 1924 is overleden, is wat dat betreft een teken aan de wand.

Het echtpaar Wertheim had, wat ook hun beweegredenen waren , het volste recht afstand te willen doen van hun Joodse identiteit, zoals Nederlanders van katholieke en protestants-christelijke origine dat in de jaren zestig en zeventig van de XX-ste eeuw massaal deden met hún religieuze en sociale identiteit. Dat de Wertheims in 1940 moesten vrezen voor vervolging was niet hun eigen schuld, maar het werk van misdadige geesten die er verwrongen ideeën van rassenwaan op na hielden. De auteurs van ‘Drie joodse herkomsten’ bedoelen het vast niet slecht, maar Jonas en Heintje Wertheim hadden een beter monument verdiend.

Anne-Ruth Wertheim en Rudi Künzel: Drie joodse herkomsten. Heijermans’ Ghetto, in 1906 opgevoerd in Odessa. Uitgeverij Verloren 2021.

Afbeeldingen: Odessa rond 1900, met de Stadsschouwburg aan de Rue Richelieu.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: