Het vergruisde beeld van de Parijse Commune, en onze pandemie

De pandemie doet iets met de tijdsbeleving. Aan het jaar 2020 lijkt maar geen einde te komen. Vaste bakens in onze beleving van dit onzalige jaar – de zomervakantie, de ochtendspits, het kerstdiner met de familie, het dansfeest op Oudejaarsavond – vallen weg of staan tenminste sterk onder druk. Er is alleen nog maar dat, voorshands vage, moment van verlossing in de toekomst: de dag waarop we voor het vaccin in aanmerking zullen komen en de flirt met de dood, die de pandemie voor velen is, zal eindigen.

Maar dan nog: er blijven veel onzekerheden. We beleven een historisch moment waarop veel vaag is, van de toekomst van de economie (en daarmee onze baan) tot de politieke context van ons bestaan. Hoe vergaat het onze democratie als zoveel landgenoten zich tot obscurantistische complottheorieën en narcistische volksmenners voelen aangetrokken? Of als de Verenigde Staten niet langer een baken van vrijheid en democratie zullen zijn? Of de desintegratie van de Europese Unie zich voortzet? Of internationale samenwerking tegen klimaatverandering een lege huls blijft?

Historisch gezien passen deze gevoelens van onzekerheid beter bij een oorlog, dan bij een pandemie. Pandemieën in het verleden zijn verrassend snel in vergetelheid geraakt. De Spaanse griep in 1918 kostte zo’n 38.000 Nederlanders het leven. Je hoorde er tot voor kort nauwelijks iemand over. Nog verder uit ons hedendaags bewustzijn verdwenen zijn de drie cholera-epidemieën die Nederland in de XIX-de eeuw troffen – de laatste in 1866 – en eveneens tienduizenden slachtoffers maakten. Zulke gebeurtenissen leken, tot voor kort, zozeer tot een andere, voorbije wereld te behoren dat het nauwelijks meer de moeite loonde er bij stil te staan.

Het is natuurlijk heel goed mogelijk dat over een jaartje, als iedereen is ingeënt, ook Covid-19 snel vergeten wordt en nauwelijks nog een rol zal spelen in onze belevingswereld. Vergeleken met bovengenoemde epidemieën valt het aantal slachtoffers nu trouwens ook reuze mee. Toch is er ook een duidelijk verschil tussen 1866, 1918 en nu: veel meer dan destijds beheerst de ziekte nu het openbare leven en lijkt een kristallisatiepunt voor allerlei economische, politieke en sociale conflicten. Dat was een eeuw en langer geleden eigenlijk nauwelijks het geval – wie nu in oude kranten op Delpher het verloop van de epidemieën van destijds probeert te vinden, moet redelijk lang zoeken.

Hoe valt dit verschil te verklaren? Niet uit het verloop van de ziekten zelf – ook de Spaanse griep en de cholera maakten geen halt voor stands- en klassenverschillen. De verklaring ligt, denk ik, eerder in de hoge mate van maatschappelijke integratie in een samenleving als de Nederlandse: heel de natie, arm of rijk, hoog-opgeleid of wat minder, kijkt met dezelfde nieuwsgierigheid uit naar de persconferenties van de premier, en heeft een opinie over het gedrag van de medemens in de supermarkt. En deze integratie, waarbij digitale- en andere massamedia een grote rol spelen, bestaat ook mondiaal. De bewoners van alle landen kijken naar elkaar, als afschuwwekkend (de VS) of juist aantrekkelijk (Nieuw-Zeeland, zelfs China) voorbeeld.

Het platform waarop maatregelen worden genomen, besmettings- en overlijdensstatistieken worden gepubliceerd en debat plaatsvindt over de gepastheid en gevolgen van maatregelen is bijna steeds nationaal. Wat zou dat voor gevolgen hebben voor de toekomst? Er zijn goede redenen te bedenken waarom de pandemie ook binnen de Nederlandse natie tot allerlei spanningen en desintegratie zal leiden: in een situatie van afnemende welvaart zullen de verschillen tussen arm en rijk groter worden, en in het verlengde daarmee de sociale- en politieke tegenstellingen, is een veel gehoorde stelling. Maar dat hoeft natuurlijk niet zo te zijn: misschien leeft de nationale obsessie met Covid-19 van nu wel voort in een nieuwe maatschappelijke consensus over de wereld na de pandemie.

De toekomst volgt nu eenmaal niet één op één uit het heden en verleden. Dat is een teleurstelling voor wie denkt of hoopt dat de mensheid of de natie zouden moeten leren uit dat verleden. Maar ja, er zijn nu eenmaal vele ‘verledens’, in de zin van verschillende en steeds veranderende zienswijzen. Dat is wat de historicus Jan Romein, ten aanzien van de Opstand tegen Spanje, kort na de Tweede Wereldoorlog zo mooi ‘het vergruisde beeld’ heeft genoemd. Hoe verder de kennis over een historische gebeurtenis of ontwikkeling voortschrijdt, des te lastiger wordt het om er nog een duidelijke gemeenschappelijke visie, of consensus over te hebben – laat staan om er ‘lessen’ uit te trekken.

Dit alles heb ik mij bedacht bij lezing van ‘Commune(s) 1870-1871’ van de Franse historicus Quentin Deluermoz. Dat boek gaat over de Commune van Parijs, een volksopstand en aanzet tot een nieuwe wereld die slechts 72 dagen heeft geduurd, maar waarover meer studies bestaan dan een mens in zijn leven kan lezen. Toch lijkt Deluermoz aan dit geweldige corpus nog iets origineels te hebben toegevoegd, na acht jaar bronnenstudie. En wel middels een in het boek consequent volgehouden verwondering en nieuwsgierigheid naar de vraag hoe individuen wier spoor – soms zeer vaag – in de archieven opduikt, hebben gehandeld en hoe ze hun plaats in de gebeurtenissen, en daarmee in de geschiedenis hebben opgevat. Want net als Nederlanders nu, tasten de Parijzenaars van 1870-1871 in het duister ten aanzien van hun toekomst.

In 1870 is het oorlog, met Pruissen. De Franse keizer Napoleon III, in 1851 door een staatsgreep aan de macht gekomen, heeft in de jaren zestig geleidelijk meer liberale elementen toegelaten in de staatsstructuur. Frankrijk moderniseert – en in Parijs begint de transformatie van de stad tot de metropool met brede boulevards zoals we hem nu kennen. Dat Napoleon III zich in 1870 tot een oorlog met Pruissen laat verleiden, hangt vermoedelijk samen met overmoed. De oorlog verloopt voor Frankrijk catastrofaal: Elzas en Lotharingen worden door de Duitsers veroverd en zullen tot 1918 Duits blijven. Napoleon III wordt na een verloren slag bij Sedan krijgsgevangen genomen. De Franse, zogeheten ‘Derde’ republiek wordt uitgeroepen, die in januari 1871 de capitulatie tekent.

Wanneer de wettige Franse regering, tijdelijk zetelend in Versailles, in maart poogt om greep te krijgen op de nog steeds door de Duitsers omsingelde hoofdstad, weigert de Nationale Garde van de stad – het dienstplichtigenleger, zeg maar – de overdracht van de op de heuvel van Montmartre opgestelde kanonnen. Dat is het sein tot een soort lokale revolutie, waarin linkse krachten van velerlei snit – Proudhonisten, Jacobijnen, Anarchisten en aanhangers van de Internationale Arbeiders-Associatie (de Eerste Internationale) -een poging doen om een populistisch regime op poten te zetten, de Commune. Op 21 mei 1871 wordt de stad door regeringstroepen heroverd, de zogeheten ‘Bloedige week’ die gekenmerkt wordt door massa-executies van beide zijden. Ook steken de ‘communards’ veel openbare gebouwen in brand.

De Commune heeft dus maar iets meer dan twee maanden bestaan, maar is desalniettemin door vriend en vijand achteraf als een gebeurtenis van kapitale betekenis gezien. Ter linkerzijde heeft de bekende filosoof Karl Marx, op dat moment in Londen woonachtig, daaraan niet weinig bijgedragen. Heet van de naald in 1871 publiceerde hij zijn zeer goed verkochte pamflet ‘The civil war in France’, waarin de Commune wordt voorgesteld als een model voor een toekomstige proletarische staat – zij het een negatief model want Marx verwijt de communards niet hun eigen instituties te hebben gevestigd maar te hebben volstaan met een alternatieve bemanning van de burgerlijke machtsstructuren.

Op allerlei manieren is ter linkerzijde de Commune in de decennia na de ondergang tot heldenepos en lichtend voorbeeld opgepompt, met de communards – die na mei 1871 bij duizenden werden veroordeeld of moesten emigreren – als martelaren voor de schone zaak. De lezing van het gebeuren verandert daarbij nogal eens: voor anarchisten en libertair-socialisten is de Commune een treffend staaltje van arbeiders-zelfbestuur, voor communisten een mislukking waarvoor de Russische revolutie van 1917 de genoegdoening is geweest. (Over linkse beeldvorming rond de Commune bestaat trouwens een geweldig leuk boek van de Nederlandse historicus Dennis Bos, ‘Bloed en barricaden’).

Maar ook voor ‘rechts’ is de Commune een constituerende mythe in de beginjaren van de Derde Republiek. De veronderstelde anarchie en zedeloosheid die in de stad geheerst zouden hebben, vormen een aansporing voor de jonge democratie om een staat met gezag te vestigen, die tegelijkertijd niet blind is voor de wensen en noden van de arbeidende bevolking. Na 1880 komen er in die Derde Republiek vaker duidelijk republikeins gezinde krachten aan de macht die – zonder zich op de Commune te beroepen – traditioneel ‘linkse’ doeleinde nastreven, zoals ‘sociale rechtvaardigheid’ en natuurlijk de in 1905 in een klinkende wet neergelegde scheiding tussen kerk en staat die anno 2020 in Frankrijk nog steeds voor debat zorgt. Zo bezien is de voornaamste vrucht van de Commune dus haar tegendeel – de gecentraliseerde, moderne republiek die Frankrijk nog steeds is.

Deluermoz poogt zich in zijn bronnenonderzoek zoveel mogelijk te onttrekken aan latere beeldvorming over de Commune. Hij suggereert ook dat deze revolutie meer een opstand van handwerkers en kleine burgerij was dan van de arbeidersklasse – minder dan de revoluties van 1830 en 1848 in ieder geval. Wat het dan wél was, blijft een beetje mistig – een civilisatie-model, krijg je de indruk, want Deluermoz is een groot bewonderaar van Norbert Elias.

En ofschoon ter linkerzijde de mythe van de Commune wellicht naar eigen behoefte is uitgewerkt en gevormd, laat de historicus zien dat het experiment van de 72 dagen wel degelijk messianistische trekken had. De revolutionairen zagen zichzelf als een uitdrukking van een ‘République universelle’, die de wereld tot voorbeeld kon strekken, en gezien moest worden in de tradities van de Franse revoluties sedert 1789. Het voorbeeld leidde echter tot heel verschillende gevolgtrekkingen in de wereld – in Algerije bijvoorbeeld, of op Martinique of in Latijns-Amerikaanse landen. De Commune van Parijs was overigens geenszins de enige in 1871. Er waren er ook in Lyon, Marseille en soms kleinere plaatsen, met een van die in Parijs soms heel verschillend verloop.

Soms ga ja als lezer haast de mate betreuren waarin Deluermoz het beeld van de Commune vergruist. De zorgvuldige, semantische benadering van de materie levert ook niet op alle pagina’s een leesbaar verhaal op. Maar op een bepaalde manier weet de historicus, denk ik, recht te doen aan de geleefde werkelijkheid van 1871: de interpretaties en lessen zijn voor latere beschouwers, de tijdgenoot van 1871 leeft in een soort mist waarin de betekenis en toekomst der dingen nog niet duidelijk is, maar er wel gehandeld moet worden. In dat opzicht is de Commune van Parijs, net als veel andere crises, een antecedent voor de bezorgdheid waarmee wij in 2020 proberen te bedenken wat de stille straten van nu betekenen voor onze toekomst.

Quentin Deluermoz: Commune(s) 1870-1871. Une traversée des mondes au XIXème siècle. Seuil 2020.

Dennis Bos: Bloed en barricaden. De Parijse Commune herdacht. Wereldbibliotheek 2014.

Afbeeldingen. 1. ‘De geëmancipeerde vrouw verspreidt het licht in de wereld’. Litho van Eugène Gérard uit 1871. (Musée Carnavalet). Afgebeeld is een zogeheten ‘pétroleuse’, een van de woeste vrouwen die geacht werden tijdens de herovering van de stad in mei 1871 met petroleum brand te hebben gesticht in belangrijke gebouwen, zoals het afgebrande Hôtel de Ville. De ‘pétroleuses’ hebben in werkelijkheid niet bestaan – ze waren anti-revolutionaire propaganda, van duidelijk anti-feministische strekking. 2. Het Hôtel de Ville, na de brand. 3. Een van de talrijke barricades in de stad, bedoeld om de nog altijd vlakbij de stad gelegerde Duitse troepen, en die van de regering in Versailles tegen te houden. In sommige wijken werd elk huishouden geacht materiaal voor de eigen barricade bij te dragen. 4. Leden van de Nationale Garde bij door de communards in beslag genomen kanonnen. Op deze plaats, de Butte Montmartre, zou later de pompeuze kerk ‘Sacré Coeur’ verrijzen. De plannen voor dat bouwwerk bestonden al onder Napoleon III, maar bij de inwijding in 1878 werd het gepresenteerd als een symbolische genoegdoening voor de anti-klerikale politiek van de Commune, die de meeste godshuizen had gesloten en talrijke priesters had laten vermoorden.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: