Het andere beloofde land

(2-10-2016)

De mensen op de foto hierboven, ergens in de jaren twintig in Moskou, nemen de trein naar het beloofde land, bijna aan het eind van de Transsiberische spoorweg: het joodse thuisland dat, naar de naam van zijn hoofdstad, bekend staat als Birobidzjan en officieel – nog steeds trouwens – Joodse Autonome Provincie heet. De Russisch-Amerikaanse journaliste Masha Gessen – eerder bekend van aardige boeken over Poetin en Pussy Riot – heeft er een wederom leuk boek aan gewijd, Where the jews aren’t. 

De geschiedenis van dit tweede ‘joodse land’ naast Israël is niet erg algemeen bekend, en met goede redenen. Opgezet en propagandistisch verkocht als een emanciperend project voor en van Sovjet-joden, bevrijd van het antisemitisme en de juridische achterstelling die hun in tsaristisch Rusland ten deel waren gevallen, is de geschiedenis van Birobidzjan vooral een treffende illustratie van terreur en onderdrukking in de geschiedenis van de Sovjet-Unie – van alle Sovjet-burgers, maar toch weer vooral van joden.

In tsaristisch Rusland mochten joden zich alleen in bepaalde gebieden in het Westen van het rijk vestigden – alle zogeheten shtetl, die de hele Negentiende eeuw een centrum van joodse cultuur zijn, liggen daar. Na de Oktober-revolutie van 1917 verandert dat. Relatief veel joden zijn trouwens volgelingen van Lenin, omdat het communisme immers sociale emancipatie belooft – een feit dat door Russische nationalisten van nu graag in antisemitische zin wordt gememoreerd.

Zo’n emancipatie heeft voor de Tweede Wereldoorlog ook daadwerkelijk plaatsgevonden – joden traden toe tot de bevolking van grote steden, het Sovjet-bestuursapparaat, de wetenschap, noem maar op. De meesten van hen wilden niets liever dan assimileren en hebben dat ook gedaan. Maar vanaf het begin was er ook een andere kant van de medaille. De staat van Lenin wilde breken met de slechte roep van het Russische Rijk een ‘gevangenis der volkeren’ te zijn. Dus kregen alle nationale minderheden – behalve een vermelding in hun paspoort dat zij Rus, jood, Oekraïner, zigeuner, Tsjetsjeen, Tsjoeksje, Duitser of lid van een andere van de ruim honderd erkende nationale eenheden waren – ook in meerdere of mindere mate de instrumenten van een nationaal bestaan toebedeeld. Dat waren meestal een krant en een nationaal theater in de eigen taal. Maar in veel gevallen kwam er ook een – althans in theorie – eigen staatkundige eenheid.

In het joodse geval was er, in de ogen van Lenin en zijn maten, nog een bijzonder probleem. Gezien de wettelijke beperkingen die aan het joodse leven in het tsarenrijk waren gesteld, leefde het joodse proletariaat in de shtetl meestal van handel, vaak kleinschalig. Handel was in het algemeen geen economische activiteit waarvoor in de Sovjet-staat waardering bestond – in het huidige Rusland is dat nog een beetje zo, trouwens. Dus werden er plannen gesmeed om het joodse proletariaat planmatig te heroriënteren op als meer productief en eervol beschouwde economische activiteiten: industrie, en vooral landbouw, dat voor de meeste joden bepaald terra incognita was.

We spreken hier over een tijd, de jaren 1920, waarin Israël als staat nog niet bestond, en de Zionistische beweging onder de joden in de diaspora nog maar een van vele politieke bewegingen was die een betere toekomst beloofden. Zo valt het te verklaren dat er onder joden, zowel in de Sovjet-Unie als in bijvoorbeeld de Verenigde Staten, eigenlijk wel enthousiasme bestond voor de Sovjet-benadering. Het jiddisj, zo werd vastgesteld, was de nationale taal van de Sovjet-joden. Op de Krim werden joodse kolchozen gesticht (een verhaal apart) en Amerikaanse joodse organisaties hielpen enthousiast mee met konvooien als op de foto hierboven. Aanvankelijk kwamen er ook duizenden joden van buiten de Sovjet-Unie, om mee te helpen met de opbouw van het joodse thuisland in het Verre Oosten van de Sovjet-staat.

Die laatsten hebben het niet lang volgehouden. Het nieuwe thuisland aan de grens met China bleek een moerasgebied, waar zich tot die tijd wat verdwaalde Mongolen en Kozakken met jagen en vissen met moeite in leven hadden gehouden. Zoals vaker bij moerassen, was het er vergeven van de muggen.  Maar de joodse Sovjet-burgers, veelal onbemiddeld, hadden natuurlijk weinig mogelijkheden om de trein terug te nemen. Zo goed en zo kwaad als het ging, stichtte men dus de beoogde landbouwbedrijven en soms een fabriekje. De materiële toestand in heel de Sovjet-Unie was in de jaren twintig en dertig natuurlijk slecht, op een manier die zelfs Russen van nu zich maar moeilijk kunnen voorstellen. Maar in het joodse thuisland was het, zoals Gessen in haar boek goed laat zien, vermoedelijk nog erger: de huisvesting bestond decennia-lang uit houten barakken, er was in de dorpen nauwelijks plaveisel, en misoogsten en honger waren aan de orde van de dag. Op officieel niveau ging de opbouw van de joodse nationale eenheid echter onverdroten door, met nieuwe joodse migranten, een eigen krant (de nog steeds bestaande Birobidzjaner Sjtern) en in 1934 dan de officiële status als Joodse Autonome Provincie. (’Oblast’ dus, voor de kenners). ‘Republiek’ ging de Sovjet-top kennelijk wat te ver.

In 1934 moest het grote drama nog beginnen. Zoals bekend ontketende Stalin de grote terreur waaraan tussen 1936 en 1938 miljoenen Sovjet-burgers ten offer vielen. Birobidzjan vormde hier geen uitzondering – de politieke kaders in de provincie werden min of meer gedecimeerd. Hetzelfde ideologische programma waarmee Birobidzjan door de communistische partij was gesticht, bleek nu omgezet in een handzame grond voor repressie: nationalistisch particularisme van bougeois-snit, gericht op het drijven van een breuk tussen joden en de rest van de Sovjet-samenleving en sabotage van het socialisme.

Masha Gessen vertelt het verhaal van Birobidzjan niet vanuit de institutionele invalshoek (daarvoor ken ik een beter boek, zie hieronder) maar meer persoonlijk: vanuit haar eigen geschiedenis – zij emigreerde in de jaren tachtig met haar ouders van Moskou naar de VS – en vooral vanuit de geschiedenis van de jiddische schrijver David Bergelson (1884-1952). Diens levensverhaal vormt een goede samenvatting van de tragische geschiedenis van het jodendom onder Lenin en Stalin. Hij was in 1917 in Kiev de oprichter van een avantgardistische jiddische Kultur Lige, maar verhuisde – wellicht vanwege de talrijke pogroms in de burgeroorlog – naar Berlijn, waar hij zich in leven hield met het schrijven in Amerikaanse jiddische bladen. Ergens eind jaren twintig gaat hij echter alsnog geloven, dat de patronage van de jiddische cultuur in de Sovjet-Unie de enige manier is om de joodse cultuur te behouden en te voorkomen dat er voor joden nog een andere weg bestaat dan volledige assimilatie aan de cultuur van hun land van vestiging.

In 1933, als in Berlijn Hitler aan de macht komt, besluit Bergelson naar de Sovjet-Unie te emigreren, een stap waarvan geen weg terug was. Hij bezoekt Birobidzjan, dat hij in bijdragen aan de Amerikaanse communistische joodse pers al menigmaal in extatische termen had beschreven, maar blijft wijselijk zo veel mogelijk in Moskou wonen. De terreur van 36/37 doorstaat hij. In 1941 is hij een van de oprichters van het Joods Antifascistisch Comité, dat poogt joden in binnen- en buitenland te mobiliseren in de strijd tegen Hitler-Duitsland. Direct na de oorlog neemt de bevolking van het uit de openbare aandacht verdwenen Birobidzjan plotseling spectaculair toe, schrijft Gessen. Talrijke joden die na het drama van de Nazi-inval in Oekraïne en West-Rusland proberen terug te keren naar hun inmiddels door anderen ingenomen woning of hun verwoeste stad of dorp, worden door de lokale autoriteiten administratief naar Birobidzjan doorverwezen. 

Ofschoon het Joods Antifascistisch Comité natuurlijk volstrekt de instemming had van Stalin en de partij, wordt het lidmaatschap Bergelson en vele andere prominente leden ervan toch fataal. In 1948 laat Stalin de voorzitter ervan, de in heel de USSR beroemde acteur Salomon Michoels op straat in Minsk vermoorden. Daarna ontketent Stalin een campagne tegen ‘kosmopolieten’ – een term waarmee, zo weet iedereen dan, joden worden bedoeld. Het beroemdste deel van die campagne is het zogeheten Artsencomplot – met veel publiciteit omgeven beschuldigingen tegen een groep joodse artsen, die zouden hebben geprobeerd Stalin om zeep te helpen. Maar iets minder bekend is de vervolging van twaalf prominente jiddische schrijvers, waaronder Bergelson. De beschuldigingen en vaak door folter afgedwongen bekentenissen klinken bekend: wat ooit een met instemming van de autoriteiten ondernomen poging was joden in de ganse wereld voor de Sovjet-zaak te mobiliseren, heet nu plotseling een geval van nationalistische scheurmakerij, landverraad en spionage. 

In maart 1953 overlijdt Stalin gelukkig. De joodse artsen worden vrijgelaten, maar voor Bergelson is het te laat. Hij is, na een proces achter gesloten deuren voor een militaire rechtbank, eind 1952 geëxecuteerd, samen met tien andere jiddische schrijvers. Gessen maakt zich in haar boek tot tolk van degenen die menen dat, als Stalin niet onverwacht dood was gegaan, de wereld een tweede Holocaust had beleefd – met grootscheepse executies en deportaties. Dat lijkt alleszins denkbaar, al valt iets wat niet is gebeurd natuurlijk niet te bewijzen. Deze gedachte evenwel, en in ieder geval de plotselinge opkomst van een virulent staats-antisemitisme heeft er mede voor gezorgd dat in de naoorlogse Sovjet-geschiedenis het nooit meer goed is gekomen tussen de staat en de joden. Het is een van de diepere gronden voor de grootscheepse joodse emigratie uit de Sovjet-Unie en Rusland – eerst moeizaam in de jaren zeventig en tachtig en onbelemmerd na de opening van de grenzen rond 1990.

In 2004 kreeg Birobidzjan van de staat een nieuwe synagoge – overigens het eerste stenen joodse godshuis in de geschiedenis van de Joodse Autonome Provincie. Beetje laat – er wonen nauwelijks nog joden.

Masha Gessen: Where the jews aren’t. The sad and absurd story of Birobidzhan, Russia’s jewish autonomous region. Nextbook, 2016.

Een meer institutionele en politieke geschiedenis van Birobidzjan is te vinden in: Henri Slovès. L’État juif de l’union soviétique. Les presses d’aujourdhui. 1982.

Afbeeldingen. Boven: de trein met joodse migranten naar het joodse thuisland in de Sovjet-Unie vertrekt van het Moskouse Jaroslav-station, vermoedelijk ergens in de jaren twintig. Onder: de leden van de Amerikaanse kolchoze van Birobidzjan aan de dis, in 1934. Helemaal onder: de nieuwe synagoge van Birobidzjan. 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: