Kinderzegen vastgelegd in een baby-boek

Merkwaardig eigenlijk, die menselijke gewoonte om monumenten op te richten voor degenen die ons ontvallen zijn. Grafstenen, straatnamen, standbeelden en andere gedenktekens hebben in zekere zin ten doel de dood te overwinnen, ook nu in onze cultuurkring het religieuze geloof aan een eeuwig leven verregaand is teruggeweken. De ontslapene moet voortleven, althans in symbolische zin. Voorwaarde voor een monument is meestal wel dat de met een gedenkteken geëerde inderdaad de geest heeft gegeven, al zijn er uitzonderingen.

Denk aan de schrijver Victor Hugo, die in de jaren voor zijn overlijden in 1885 in Parijs al aan de boulevard Hugo woonde. Of aan Saparmurat Niyazov (1940-2006), de dictator van Toerkmenistan, die nog bij leven in de hoofdstad Asjchabad een verguld standbeeld van zichzelf liet plaatsen, dat met de stand van de zon meedraaide. En aan president Donald Trump natuurlijk, die alles op alles heeft gezet om zijn naam toe te voegen aan de gevel van het Kennedy Center, en zijn nagedachtenis wil eren met een onder zijn leiding gebouwde triomfboog in Washington, hoger dan de Arc de Triomphe in Parijs.

Er bestaan ook, meer discreet, monumentjes voor (hopelijk) nog levende personen die al meteen aan het begin van het leven van de aldus herdachte tot stand komen. Dat is het baby-boek, waarin de ouders van een nieuw-geborene de eerste wederwaardigheden van hun spruit vastleggen, met tekst of met foto’s of beide. Ileen Montijn (jaargang 1952) heeft voor haar boek ‘Later zul je dit lezen’ enkele tientallen van zulke babyboeken uit de periode 1890-1960 bijeengebracht. Het resultaat is een fascinerend staaltje zeden- en mentaliteitsgeschiedenis.

Baby-boeken bestonden – en bestaan, want bij Bol.com kun je ze nog steeds vinden – in soorten en maten: voorbedrukte werken met kant-en-klare, meestal nogal sentimentele illustraties waaraan je eigen inhoud kunt toevoegen, of voor de gelegenheid aangepaste foto-albums of schriften. De basisgedachte is steeds dezelfde: de o zo banale maar tegelijkertijd overweldigende gebeurtenis van de komst van een kind voor de toekomst te fixeren. Het baby-boek is, net als andere monumenten, een manier om de tijd stil te zetten. Het is, zo niet een poging de dood te slim af te zijn, dan toch tenminste een poging de vergankelijkheid te slim af te zijn.

De manier waarop het baby-boek gevuld wordt, verschilt van geval tot geval. De boektitel ‘Later zul je dit lezen’ heeft betrekking op de baby-boeken waarvan de auteur – vaak de moeder, minder vaak de vader – zich tot het kind in een niet nader gespecificeerde toekomst wendt – kennelijk in de gedachte dat deze gebaat is met inlichtingen over een periode van zijn leven waaraan hij als adolescent of volwassene geen actieve herinnering kan hebben. Maar er zijn ook baby-boek-schrijvers die in de derde persoon over het kind schrijven, of in de ik-vorm als in een dagboek.

Ileen Montijn is de auteur van een reeks boeken op het gebied van wat wel de geschiedenis van ‘materiële cultuur’ genoemd wordt. De bekendste daarvan is vermoedelijk ‘Leven op stand’ uit 1998, over het leven in de ‘betere kringen’. Uitgaande van de beschrijving van spullen weet Montijn in veel boeken door te stoten naar een serieuze mentaliteits-geschiedenis. Dat is in Nederland een vrij zeldzaam genre: boeken op het gebied van materiële cultuur blijven – waneer ze tenminste niet over archeologie gaan – vaak in nostalgie steken.

De grote uitzondering die me te binnen schiet is ‘De storm die wij vooruitgang noemen’ van Arianne Baggerman – tot mijn verbazing is het door de moeder van deze historica in 1959 geïnitieerde babyboek een van de werken die Montijn in handen heeft gehad. Het is een van de baby-boeken waarin de auteur zich geenszins beperkt tot sentimentaliteiten: aan de hand van bonnetjes en tabellen wordt een beeld gegeven van de economie rond de pas-geborene.

Er zijn meer baby-boeken waarin cijfers een rol spelen, maar dan gaat het meestal om staatjes waarin het gewicht van de kleine wordt bijgehouden, of de cadeau’s die de bezoekers aan het kraambed hebben ingebracht. Een baby levert ook veel zorgen op, en angst speelt in sommige baby-boeken een rol: het kind eet niet goed, het huilt om onduidelijke redenen of valt ten prooi aan een van de vele kinderziekten die in omloop zijn, en waartegen in de meeste gevallen pas vanaf de jaren vijftig inenting mogelijk is – met uitzondering van pokken, waartegen al eerder preventie bestaat, met die krasjes die ik me nu nog goed kan herinneren. (Overigens komt in ‘Later zul je dit lezen’ tot mijn aangename verrassing ook mijn eigen kinderarts ter sprake, de Amsterdamse arts (en verzetsheld) Philip Fiedeldij Dop (1911-1991), die het werk van de legendarische Dr. Spock blijkt te hebben vertaald).

Veel baby-boeken getuigen ongewild van de preutsheid in grote delen van de Nederlandse samenleving – in weerwil van de ook nu nog veel gehoorde verzekeringen dat de nationale cultuur traditioneel zo vrijmoedig en seksueel tolerant is. In een samenleving waarin het woord ‘zwanger’ in veel kringen al taboe was, komen de details van een bevalling in de meeste baby-boeken niet of nauwelijks aan de orde. Baby-boeken zijn een uiting van ‘beschaving’, minder van openhartigheid. Soms zijn de verhalen hartverscheurend: bij kinderen die doodziek zijn bijvoorbeeld, of bij Joodse kinderen die tijdens de Bezetting bij pleegouders worden afgegeven om ze aan deportatie te onttrekken.

Ileen Montijn verwondert zich er in ‘Later zul je dit lezen’ over, dat vóór haar niemand op het idee is gekomen een monografie te wijden aan baby-boeken. Die vormen immers, zo blijkt, een buitengewoon interessante bron op zowel de materiële cultuur, als de gewoonten, gebruiken en gevoelens van Nederlanders rond geboorte en baby’s. Montijn constateert aan het eind van haar studie ook terecht dat – ofschoon de door haar bestudeerde periode niet nog niet zo heel ver achter ons ligt – er op dit gebied erg veel is veranderd – op medisch gebied met name.

Maar wordt er in de Nederlandse samenleving nu ook anders aangekeken tegen nieuw-geborenen – ‘tot baby gemaakten’, zou je bijna zeggen – dan vóór 1960? Daar zou ik wel een anthropologische studie over willen lezen. Misschien bestaat die al, maar ik ken hem niet.

Of er, voor wat betreft de materiële cultuur veel te verwachten valt van de academische wereld waag ik, op grond van een oppervlakkige verkenning op internet, eigenlijk te betwijfelen. De Leidse (inmiddels emeritus-)hoogleraar Pieter ter Keurs (jaargang 1956) begon in 2011 met de veelbelovende oratie ‘Materiële cultuur en vergankelijkheid’, maar richtte zich in het vervolg van zijn loopbaan toch vooral op het verschijnsel van de verzameling, en post-koloniaal erfgoed.

Dat laatste is ook de focus van het aan het Wereldmuseum verbonden ‘Research Center Material Culture’, een van de entiteiten waarin het Koninklijk Instituut voor de Tropen is opgegaan en dat, voor zover dat op hun website is na te gaan, niets organiseert behalve nogal obligate teksten over het verdorven kolonialisme. Maar wat baby-boeken betreft gloort er hoop: op een website van Tilburg University vraagt een postdoctorale student, Pauline Dirven, om baby-boeken uit de periode 1916-1976, in verband met een studie van de vakgroep ‘History of Health and Healing’.

Maar niets kwaads over de buiten-academische inspanningen op het gebied van materiële cultuur. De boeken van Ileen Montijn zijn daarvan een goed voorbeeld, net als instellingen als het Museum van de Twintigste Eeuw in Hoorn, talloze Heemschut-achtige stichtingen en gezelschappen, en blogs en Facebook- en Instagram-groepen over de meest uiteenlopende onderwerpen, van Amsterdamse trams tot brutalistische architectuur. Ileen Montijn heeft trouwens ook een eigen blog, ‘Ilog’ genaamd. Wie haakt naar interessante beschouwingen over doopjurken, hoge hakken, dicht tafeldekken, gesluierde sculpturen, rompertjes, garen of hoeslakens, grijpt daar zijn kans.

Ileen Montijn: Later zul je dit lezen. Nederlandse babyboeken 1890-1960. Walburgpers 2026.

De genoemde oratie van Pieter ter Keurs is hier te vinden: https://scholarlypublications.universiteitleiden.nl/handle/1887/19710?rep=01&m=9940739832502711

De genoemde oproep voor babyboeken uit de periode 1916-1976 staat hier: https://www.historyhealthhealing.nl/gezocht-babyboeken-uit-1916-1976/

Het weblog van Ileen Montijn is hier te vinden: https://ileenmontijn.nl/ilog/

Afbeeldingen: 1. Een babyboek met op de kaft: ‘Baby’s Boek. Uitg.Mij. W. de Haan N.V. Utrecht’ met een kleurenprentje van een baby in een bedje omgeven door voorjaarsbloemen. Op het bedje de initialen “R.C.” wat staat voor Rie Cramer die de illustraties in het album verzorgde. In het boek is een met zwart-wit foto’s geïllustreerd verslag neergeschreven van de geboorte en de ontwikkeling van de eerste twaalf maanden van Johan Rudolf Oscar Schansman inclusief geboortekaartje. Tijdens de bezetting door Japan van Nederlands-Indië werd zijn vader als krijgsgevangene geïnterneerd, maar bleef hij met zijn moeder buiten het kamp door de Javaanse familieband. Tijdens de Bersiap kwamen zij wel terecht in een kamp achter de Theresiakerk te Malang. Halverwege 1946 werd het gezin herenigd. Het album heeft zij al die tijd kunnen bewaren; 2. Een babyboek met op de kaft in een rond kader de afbeelding van een baby in de armen. Hieronder staat: “als het kindje binnenkomt baby-boek”. Op het titelblad is een lok haar in een kunststof zakje geplakt. Verder staat naast de titel gedrukt: “met illustraties van Jos. Pluim Mentz. N.V. Boekhandel en drukkerij Visser & Co. Batavia – Bandoeng”. Het boek begint met de personalia: “Naam: Steven Victor. Geboren op: 10 maart 1942. Uur: 00.25. Te: Bandoeng. Namen van Vader en Moeder: Theodorus Alphonsus Kockx. Janna Rikkelman. Namen van de Getuigen bij de aangifte van de Burgerlijke Stand: Steef aangegeven door de chin. vroedvrouw, die Steef ter wereld heeft helpen brengen of het geregistreerd is is onbekend”. Hieronder de handtekeningen van de vader en de moeder. Hierna volgt een met potlood geschreven verslag door de moeder van de ontwikkeling van baby “Steef”. Dit verslag is vrijwel geheel in steno geschreven. (Beide afbeeldingen, alsmede de beschrijvingen komen van de website van het Museon Omniversum in Den Haag).

Geef een reactie

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑