
De Tweede wereldoorlog blijft, in al zijn aspecten, velen bezig houden. Ik las laatst dat het elke dag zeer druk is bij het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging in Den Haag, waar je dossiers kunt inzien van Nederlanders die er na de Bevrijding van 1945 van werden verdacht – niet zelden ten onrechte trouwens – met de Bezetter gecollaboreerd te hebben. Kennelijk zijn er veel Nederlanders die dolgraag willen weten of er in de generatie van hun ouders of grootouders mensen waren die in de oorlog ‘fout’ waren.
Nieuwsgierigheid is over het algemeen een goede eigenschap. Dat ben ik zelf ook wel – als kind herinner ik me dat mijn vader voor mij onbekende heren de hoed oplichtte en dan, ter verklaring, zei: die ken ik uit de oorlog. Niet dat mijn vader fout was geweest overigens, eerder het tegenovergestelde vermoedelijk. Maar hij behoorde tot een generatie die het zo min mogelijk over de oorlog en de Bezetting had. Zijn naam komt gelukkig ook niet voor in het register van het CABR.
Evenmin doet dat trouwens de naam van een van mijn grootvaders die bankier was, en van wie je je eerder kunt afvragen hoe hij de oorlog is doorgekomen. Ik bezit een in de jaren negentig opgedoken stapeltje vooroorlogse biljetten van duizend gulden die – naar ik aanneem want ik kon het mijn vader niet meer vragen – uit de nalatenschap van deze grootvader afkomstig waren. Kennelijk had iemand verzuimd die om te wisselen bij de geldhervorming van september 1945, waarbij alle papiergeld ongeldig werd en je bij het omwisselen moest aantonen dat grote bedragen rechtmatig waren verkregen. Maar waarom? Een vuil zaakje? Of had iemand de biljetten in bewaring gegeven die niet was teruggekeerd? Ik zal het nooit weten, en kan daar uitstekend mee leven.
De Nederlands-Amerikaanse schrijver, historicus en japanoloog Ian Buruma (1951) heeft op geheel eigen wijze het verband tussen zijn eigen familie en de Tweede wereldoorlog onderzocht in ‘Blijf in leven’, een zojuist in Nederlandse vertaling verschenen boek over het dagelijkse leven in de stad Berlijn, na de machtsgreep van de nazi’s in 1933 en in het bijzonder tijdens de oorlogsjaren, 1939-1945. Aanleiding tot zijn onderzoek, gebaseerd op een vrij bescheiden aantal schriftelijke en mondelinge getuigenissen van tijdgenoten, zijn de brieven die Buruma’s Nederlandse vader, in het kader van de ‘Arbeitseinsatz’ gedwongen te werk gesteld in een Berlijnse fabriek, vanuit de Duitse hoofdstad naar zijn ouders zond.
‘Blijf in leven’ – volgens Buruma een courante groet in het Berlijnse sociale leven van de oorlogsjaren – doet enigszins denken aan ‘Year zero. A history 1945’, uit 2013. Ook dat boek was een proeve van wat je informele geschiedschrijving zou kunnen noemen. Het gaf een aangrijpend beeld van het ‘niveau nul’ waarop verschillende door de oorlog getroffen landen in 1945 vanuit het niets weer probeerden op te krabbelen, een situatie die in een land als Nederland door de oudere generatie later met graagte werd verdrongen, net als de oorlogsjaren.
‘Blijf in leven’ is, net als ‘Year zero’ een zeer leesbaar boek, al lijkt de auteur soms niet helemaal te kunnen kiezen of hij nu een alomvattende stadsgeschiedenis van de oorlogsjaren in de zin heeft, of het verslag van de belevenissen van een groep mensen die zijn bronnen zijn. Dat leidt er, geheel begrijpelijk, toe dat we over sommige aspecten van het Berlijnse leven relatief veel vernemen: de verschillende stadia van de jodenvervolging bijvoorbeeld, of de speelfilms waartoe Hitlers propaganda-chef Joseph Goebbels het initiatief had genomen.
Wat die jodenvervolging betreft: in 1933 telde Berlijn 160.000 Joodse inwoners, waarvan er in 1945, een slordige 1500 als onderduiker bleken te hebben overleefd. Het tragische verhaal van al die andere verschilt in grote lijnen niet zo heel erg van dat van de Joden van Amsterdam: hetzelfde ongeloof ten aanzien van de kwade intenties van de autoriteiten soms, hetzelfde onbegrijpelijke fanatisme van de Nazi’s om een stad ‘judenrein’ te maken. Wat de film- en amusementswereld betreft, diept Buruma een mij eerder onbekende filmster van Nederlandse komaf op: Ilse Werner. Een soort ‘running gag’ in het boek is dat Goebbels – altijd bezig met de vraag hoe het moreel van de bevolking te manipuleren – regelmatig dansen in openbare gelegenheden verbiedt, om het dan een paar maanden later weer toe te laten.
Als er iets is wat ‘Blijf in leven’ heel duidelijk maakt, is het dat er van de amusante poel van zonde en vermaak die Berlijn in de jaren twintig van de vorige eeuw was, onder de Nazi’s niets over was. En als in 1942 de geallieerde bombardementen beginnen, wordt leven in belangrijke mate overleven. Dat neemt niet weg dat Leo Buruma, blijkens zijn brieven naar huis, toch ook wel geniet van de grote stad waarin hij tegen zijn zin terecht is gekomen: bioscopen, concerten en de lieftallige Oekraïense Nadja die zijn vriendinnetje wordt en die hij na de oorlog uit het oog verliest.
Bij de beschrijving van het leven in schuilkelders en oorlogsverwoesting denk je als lezer nu onwillekeurig aan steden als Kyiv en Kharkiv, die elke nacht onder vijandelijk vuur liggen. In veel reportages uit Oekraïne klinkt een soort verwondering door: hoe slagen mensen er in, onder zulke omstandigheden hun leven voortgang te laten vinden? Een vergelijkbare verbazing kun je hebben ten aanzien van het leven in een dictatuur of wrede politiestaat – ook iets waarin een in een vreedzame democratie opgegroeide Nederlander van nu zich maar moeilijk kan verplaatsen.
Het antwoord op zulke vragen laat ‘Blijf in leven’ zien: er is geen keus. Beter in leven blijven. En zoals die Nederlanders in het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging vermoedelijk soms ook concluderen: de rotzakken zijn onder ons. Ook het kwaad is alledaags.
Ian Buruma: Blijf in leven. Berlijn 1939-1945. (Vertaald door Alexander van Kesteren). Prometheus 2026
Afbeelding: 1. Straatbeeld Berlijn-Charlottenburg in 1940; 2. Berlijners op de vlucht voor Sovjet-troepen in mei 1945.


Plaats een reactie