
Reformatorische christenen spelen niet langer een grote rol in het Nederlandse culturele en intellectuele leven. Dat is wat merkwaardig, als je goed nagaat. Ons land, en daarmee onze Nederlandse cultuur zijn immers in niet onbelangrijke mate gegrondvest op een mede door de Reformatie geïnspireerde Opstand tegen Spanje aan het einde van de zestiende eeuw. Of die Opstand nu voornamelijk religieus was, of eerder ingegeven door economische of vrijheidslievende overwegingen was ten tijde van de Republiek al een twistpunt en is dat in het moderne Nederland van na 1813 ook min of meer gebleven. Pogingen van orthodox protestants-christelijke zijde om Nederland tot een soort op de Schrift gebaseerde theocratie om te bouwen – laatstelijk onder leiding van de grote Abraham Kuyper (1837-1920) – zijn op niets uitgelopen – nu ja even afgezien van de zogeheten ‘verzuiling’ die voorzag in ‘soevereiniteit in eigen kring’. Maar ook die verzuilde samenleving heeft inmiddels het loodje gelegd, in versnelde mate sinds de toenemende secularisering van het christelijk deel der natie in de jaren zestig van de vorige eeuw.
Des te meer aanleiding dus om zuinig te zijn op de weinige uitgesproken reformatorische intellectuelen die ons land nog rijk is, en dan in het bijzonder op diegenen onder hen die voor hun religieuze overtuiging uitkomen en tegelijkertijd in de publieke sfeer een grote rol spelen. Dat geldt zeker voor de historica Beatrice de Graaf (1967), faculteitshoogleraar geschiedenis der internationale betrekkingen aan de Universiteit Utrecht en lid van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen. In bredere kring is zij vooral bekend als terrorisme-expert. Eerder was zij hoogleraar geschiedenis in Leiden en zij is lid van de Christenunie. Het christelijk volksdeel – waartoe schrijver dezes overigens geenszins behoort – heeft, net als de rest van Nederland trouwens, reden om trots op haar te zijn: zij is een ‘femme savante’ die haar mannetje staat.
De Graaf heeft in december 2024 in Leiden de 53-ste Huizinga-lezing uitgesproken, waarvan de tekst – na enige vertraging – nu ook in de boekhandel verkrijgbaar is en de aan kerkvader Augustinus ontleende titel ‘Wij zijn de tijden’ draagt, met als ondertitel ‘Geschiedenis in crisistijd’. Augustinus bedoelde te zeggen dat de mens zelf verantwoordelijk is voor goede en slechte tijden. De Graaf neemt de Huizinga-lezing te baat voor een soort bemoediging van de toehoorders. In deze donkere tijden van desinformatie, politiek oproer en oorlog houdt zij haar gehoor voor dat het zaak is juist nu verhalen te ontwikkelen die getuigen van ‘amor mundi’, en ‘handelingsperspectief’ bieden. De Graaf wil – om het wat platter te zeggen – in donkere tijden een sprankje hoop en optimisme bieden. Zulks in flagrant contrast tot de vorige reformatorische christen die ooit de Huizinga-lezing heeft gegeven, in 1994 alweer: Arie van Deursen (1931-1911), hoogleraar geschiedenis aan de (van oorsprong stijf-gereformeerde) Vrije Universiteit in Amsterdam, schilderde het toenmalige tijdsgewricht in somber zwart.
De Graaf gaat niet expliciet in op die Huizinga-lezing van Van Deursen, behalve dan met de opmerking van Van Deursens betoog zozeer door pessimisme gekenmerkt werd dat het gehoor bedrukt uit de Leidse Pieterskerk kwam. Met haar boodschap van hoop en vertrouwen heeft ze dat kennelijk een beetje willen goedmaken. Toch grijpt naar mijn mening haar lezing meer terug op die van Van Deursen, dertig jaar geleden, dan de spreker voorgeeft. Net als Van Deursen lijkt De Graaf namelijk Johan Huizinga (1872-1945), naar wie de sinds 1972 bestaande lezing is vernoemd, te willen zien als een in essentie door christelijke geloofsovertuiging bewogen historicus – of liever gezegd cultuur- en tijdscriticus. Want de Huizinga waarin zowel De Graaf als Deursen belang stellen is niet die van historische werken als ‘Herfsttij der Middeleeuwen’ of ‘Homo ludens’, maar de auteur van een tweetal cultuurkritische analyses die Huizinga aan het eind van zijn leven tot een internationale beroemdheid maakten: ‘In de schaduwen van morgen’ uit 1935 en het postuum in 1945 verschenen ‘Geschonden wereld’.
Lang golden onder de meeste historici en andere intellectuelen deze twee boeken als ondergeschoven kindjes. Huizinga is om deze zwartgallige cultuurhistorische bespiegelingen ook menigmaal bespot, in de jaren dertig al en ook na de oorlog, onder andere door de Leidse historicus Henk Wesseling (1937-2018), lang de drijvende kracht achter de stichting die de Huizinga-lezing organiseerde. Wesseling, hoogleraar Algemene geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Leiden, wijdde zelfs in 1996 zijn eigen Huizinga-lezing aan de cultuurkritiek van zijn illustere voorganger Huizinga. De titel van die lezing was ‘Zoekt Professor Huizinga eigenlijk niet zichzelf? Huizinga en de geest van de jaren dertig’ en Wesseling – geen bewonderaar van heilige huisjes – maakt zich daarin nogal vrolijk over het cultuurpessimisme van Huizinga.
Wesseling wierp in zijn tekst de suggestie van Van Deursen van twee jaar daarvoor – dat Huizinga’s negatieve beoordeling van de stand van de cultuur op vrijwel elk terrein (politiek, kunst, seks, noem maar op) christelijk geïnspireerd was – verre van zich. ‘De terugkeer naar een absolute, in het christendom verankerde moraal is onmogelijk’ en Huizinga zag dat terecht in, meende Wesseling: zoiets kon niet meer zijn dan een gedachtenspel, waarvoor Huizinga te intelligent was. De Graaf is het met Wesselings oordeel niet eens. Naar haar mening zijn diepgelovige zinsneden van Huizinga vaak ‘verzwegen’ – behalve dan door twee in haar lezing met name genoemde, niet bijzonder prominente protestants-christelijke auteurs. Ook Wesseling, betoogt zij, heeft niet willen zien hoe ‘Huizinga’s diepe christelijke overtuiging (..) de kern van (diens) cultuurfilosofie en -kritiek was’. Huizinga, aldus De Graaf, nam een ‘leap of faith’, omdat dit de enig mogelijke onderbouwing was voor Huizinga’s ‘hoopvol uitzicht op de verdere weg van onze beschaving’.
In zekere zin maakt De Graaf het hier nog bonter dan Van Deursen in 1994. Want deze vermeed tenslotte nog Huizinga als een christelijk denker in te lijven, anders misschien dan in objectieve zin. Hij vergeleek Huizinga’s cultuurkritische werken namelijk met het befaamde pamflet ‘Bezwaren tegen den geest der eeuw’ van Isaäc da Costa (1798-1860) uit 1823, en constateerde dat er veel gemeenschappelijks was in de geschriften. Da Costa was een tot het protestantisme bekeerde dichter, die begin negentiende eeuw naam maakte met zijn felle aanklacht tegen de toenmalige, sterk door de verworvenheden van rationalisme en Franse revolutie beïnvloede wereld, en pleitte voor een wereld waarin de Schrift weer de richtlijn zou worden.
Da Costa, wiens reactionair manifest zich trouwens nog steeds met plezier laat lezen, geldt als een van de grondleggers van het zogeheten ‘Réveil’, een beweging van zichzelf orthodox voelende calvinisten waarvan – zou je kunnen zeggen – zowel Van Deursen als De Graaf moderne vertegenwoordigers zijn. Het verband tussen Da Costa en Huizinga berust in de lezing van Van Deursen overigens niet op zielsverwantschap, laat staan gemeenschappelijke geloofsovertuiging, maar op de juxtapositie van standpunten. Zij delen sombere afkeuring van de invloed van de massa op het bestuur, van de zedenverwildering en de kunst van hun tijd en zo nog wat meer – een afkeer die, zo wordt in Van Deursens lezing wel duidelijk, ook hemzelf beweegt. De cultuur, aldus Van Deursen, laat zich bij Huizinga ‘niet in parten uiteenslaan. Ze is metafysisch gericht, of ze is niet. Ze is altijd waarde-gebonden. Heffen we die waarde op, dan scheppen we een nieuwe cultuur, en we vernietigen de oude’. En dat laatste gebeurt nu, denkt Van Deursen, getuige ook de titel van zijn lezing: ‘Cultuur van schuivende normen gaat onherroepelijk teloor’.
Ik kan mij die Huizinga-lezing nog zo goed herinneren omdat ik er, als redacteur van NRC Handelsblad sinds 1978, zijdelings bij betrokken was. Onze krant was sinds 1972 een van de organisatoren van de jaarlijkse Huizinga-lezing, die een idee was van de toenmalige chef kunst van de krant, Bert Poll (1927-1990). Zij was een van de dingen waarmee NRC Handelsblad zich wilde onderscheiden van andere, bij het begin in 1970 meestal veel grotere kranten. Andere initiatieven in die richting waren een dagelijkse kunstpagina, een wekelijks Cultureel Supplement, een Achterpagina voor minder serieuze stukken en later een aparte Boekenbijlage, alsmede een vrij consequent doorgevoerde kosmopolitische instelling, waarbij de actualiteiten in het kleine Nederland het in de hoeveelheid aandacht aflegden tegen die uit de grote wereld, zoals tot uitdrukking kwam in een uitgebreid netwerk van buitenlandse correspondenten.
Deze benadering, aanvankelijk door de nog veelal verzuilde concurrent-dagbladen versmaad, werd in de jaren tachtig plotseling een succesformule, waardoor op den duur alle andere min of meer serieuze landelijke dagbladen eveneens cultuur- en boekenbijlagen kregen, en soms zelfs jaarlijkse lezingen. Maar NRC Handelsblad bleef toch de ‘real thing’, mede door een sfeer van grote tolerantie en vrijheid ter redactie, waar veel mogelijk was. De NRC was een beetje chique en intellectualistisch. De Huizinga-lezing liet dat ook zien: enkele honderden, vaak trouwens wat oudere maar hoog gemotiveerde lezers verzamelden zich jaarlijks in de meestal steenkoude Leidse Pieterskerk.
Dat bleef zo doorgaan tot 2014, toen de krant in andere handen was overgegaan. Vanaf 2010 maakten de nieuwe eigenaren korte metten met de redactionele zelfstandigheid. Ook de intellectuele pretenties van de krant waren hun een doorn in het oog: het moest allemaal sneller, toegankelijker en lolliger. De onttakeling van de bijzondere krant NRC Handelsblad ging in etappes, waarbij het kennelijk als snobistische deftigheid ervaren Cultureel Supplement, dat sinds 1970 min of meer als een zelfstandige eenheid binnen de krant had gefunctioneerd, tot onzichtbaarheid werd onttakeld.
Eenzelfde lot trof de eveneens als irrelevante oude meuk beschouwde Huizinga-lezing. Gelukkig heeft het weekblad EW (voorheen bekend als Elsevier) ervoor gezorgd dat de traditie kon worden voortgezet, al is de regel dat de spreker beurtelings een Nederlander en een intellectueel kopstuk uit het buitenland moest zijn, daarbij gesneuveld. Overigens is het streven van de eigenaren na 2010, dat de NRC een ‘gewone’ krant moest worden, met succes bekroond: er werken nog steeds veel goede mensen en het gaat de laatste jaren weer wat beter, maar als geheel is ‘NRC’, zoals het orgaan nu heet, net zo’n op veel plaatsen onbenullig, op de Hollandse binnenkamer gericht geheel als andere landelijke dagbladen in Nederland. Maar dit terzijde.
Het was de gewoonte om, enkele weken voor de in december plaatsvindende Huizinga-lezing, in het Cultureel Supplement aan te kondigen wie de spreker was, met een bon waarmee de lezers zich konden aanmelden voor de immer bomvolle Pieterskerk, en een uitgebreid interview met de spreker. In 1994 was dat dus Van Deursen, en mij viel de eer te beurt de spreker voor de krant te interviewen. Dat was – ik zeg het in alle bescheidenheid – misschien niet zo’n slechte keuze. Door een gril van het lot die hier nu even niet ter zake doet, ben ik – ofschoon ik niet van gelovigen huize ben en is mij ook later in dit leven de genade des geloofs niet deelachtig geworden – in een deel van mijn jeugd in aanraking gekomen met orthodoxe calvinisten. Het in dat milieu gebezigde jargon, de tale Kanaäns, is mij vertrouwd.
Bij de voorbereiding van het interview bleken deze toevalligheden al vlug geen overbodige luxe. De hooggeleerde Van Deursen, zo werd mij te verstaan gegeven, taalde in het geheel niet naar wufte publiciteit in een vraaggesprek met een dagblad, en al helemaal niet wanneer het dagblad in kwestie het liberale, hem antithetische NRC Handelsblad was. Maar tenslotte liet hij zich – niet door mij overigens – overreden met het argument dat zo’n interview de ‘conditio sine qua non’ voor het houden van de lezing was. En wellicht speelde ook een rol dat hij, als diep-gelovige calvinist en roepende in een woestijn van secularisme en zedenbederf, toch stiekem een beetje verlangde naar erkenning in bredere kring en niet, zoals hij zei over zijn ideologische medestander Da Costa, uitsluitend een ‘outcast’ wilde zijn. Bovendien stond hij aan de vooravond van de publicatie van wat rustig zijn meesterwerk mag heten: ‘Een dorp in de polder. Graft in de zeventiende eeuw’, overigens een boek waarin hij pakkend de diepe verbondenheid tussen religie en gemeenschap in dit Hollandse dorp beschrijft.
Je hebt soms interviews, waarbij de geïnterviewde een tikje ongestructureerd uitwijdt over van alles en nog wat, er (terecht) van uitgaande dat de verslaggever de opmerkingen achteraf wel tot een samenhangend geheel zal componeren. Van Deursen daarentegen, die zich overigens niet ‘Arie’ liet noemen maar ‘A. Th.’, grossierde, gezeten in zijn fantasieloze, krappe werkkamer in een kantoortoren van de VU in Amsterdam-Buitenveldert, in stellige, gestructureerde beweringen, waaruit overtuiging sprak. Over verschillende soorten historici bijvoorbeeld: ‘De een is goed op de hoogte van wat er internationaal op de markt komt en denkt ‘daar heb ik interessante nieuwe vraagstellingen en dat ga ik voor Nederland onderzoeken’ en gaat vervolgens met die kennis het archief in. Er zijn anderen die meer van het archief uit denken, en door de kennis van het verleden die ze daar opdoen de vraag als het ware aangereikt krijgen. Zij proberen zich achteraf te verrijken met de literatuur en te zien of ze soms antwoorden kunnen vinden of ook nieuwe manieren om de vragen aan de stof voor te leggen’. Het was niet moeilijk te raden tot welke superieure categorie de hooggeleerde zichzelf rekende.
Vrij opmerkelijk was ook zijn constatering geen typische representant van zijn, de twintigste-, eeuw te zijn. ‘Ik ben indertijd gereformeerd opgegroeid en ik ben niet veranderd. De meeste mensen zijn dat in de afgelopen 25 jaar wel. (..) Waarom zou een mens moeten veranderen? Ik heb mij altijd gehouden aan de normen en waarden waarmee ik ben opgegroeid. En dan zie je een toenemende vervreemding. (..) Terwijl je zelf denkt ‘ik ben nog altijd die ik was, er is aan mij niets veranderd’, raak je meer en meer een vreemdeling in je eigen samenleving’. Die vervreemding, betoogde Van Deursen, was het resultaat van een in de achttiende eeuw begonnen proces, waarbij het grootste deel van de christenheid heeft gepoogd het gedachtengoed van de Verlichting in het eigen christelijk denken op te nemen. In navolging van Da Costa ziet Van Deursen zich als deel van een stroming die dat als een heilloze weg ziet: ‘je kunt niet op twee paarden tegelijk wedden, je moet kiezen tussen geloof en ratio. Een van die twee moet hoger staan in de hiërarchie dan de andere’.
Tekenend voor zijn instelling was ook het antwoord op mijn vraag of hij meende dat de toenmalige samenleving aan verwording ten prooi was: ‘Als ik moet kiezen tussen ja en nee, dan zou ik geneigd zijn bevestigend te antwoorden’, aldus de geleerde enigszins afgemeten. ‘Iedereen moet kunnen zien dat de maatstaven waarmee wij zijn opgegroeid, verdwenen zijn. De vanzelfsprekendheid waarmee in een wereld die zich geleidelijk van kerk en geloof afkeerde christelijke normen, in de zin van burgerlijke normen, lange tijd gehandhaafd zijn, is inmiddels verdwenen. De mensen nemen hun vrijheid en dan blijft er weinig anders over dan een moraal die gedragen wordt door een meerderheid’.
Dat is een gevaarlijke ontwikkeling, meende Van Deursen, in een waarschuwend woord dat ons nu in 2025 nog tot nadenken kan stemmen: ‘Een meerderheid die verder niet door enig ander idee of beginsel gestuurd wordt, kan in principe dus ook alles tot moraal verheffen. Ik verbaas me er wel eens over dat niemand zich daar zorgen over maakt. We hebben in de twintigste eeuw eeuw toch genoeg voorbeelden van landen waar de regels voor goed en kwaad gedrag ingrijpend gewijzigd zijn, met de meest afschuwelijke gevolgen’. In de een-en-twintigste eeuw evenzeer, denkt de hedendaagse krantenlezer dan, bij de jongste inval van de nieuwe Amerikaanse president.
Dat wordt nog wat straks in de Pieterskerk, dacht ik bij het verlaten van de VU-kantoortoren. Het was immers duidelijk dat de gedachtenwereld van de gemiddelde NRC-Handelsblad lezers – in veel gevallen redelijke, liberale en tolerante mensen die zich in de meeste gevallen een kind van hun tijd wisten, heel ver af stonden van Van Deursens benadering. En zo geschiedde: of het gehoor bedrukt de kerk verliet na het aanhoren van Van Deursens eigen bezwaren tegen het tijdsgewricht volgens de methode Da Costa, zoals De Graaf het in haar lezing zei, weet ik niet meer. Maar wel dat het geleerde betoog op weinig begrip stuitte. Het waren ook optimistische jaren, die jaren negentig, waarin het met de wereld de goede kant leek op te gaan. Een toch tamelijk zwartgallige boetepreek maakte in die context niet zo heel veel indruk.
Van Deursens betoog zorgde zelfs voor enige reuring in de kolommen van de krant. De Amsterdamse hoogleraar in de nieuwe geschiedenis Maarten Brands (1933-2018) wond zich in een opiniestuk voor NRC Handelsblad vreselijk op over Van Deursens lezing. Brands ontkende niet dat Huizinga meende dat waarden en normen niet in het ‘hier en nu’, maar slechts op metafysische wijze voldoende sterk verankerd konden zijn, maar de vergelijking tussen Huizinga en Da Costa is grotesk, meende Brands. ‘Huizinga wordt hier ingelijfd voor een programma dat hem vreemd was. Het is een vrome vloek in het liberale gezicht van Huizinga’. Brands, die Van Deursen uitmaakte voor ‘gereformeerde paneelzager’, meende ook dat aan deze het podium van de Huizinga-lezing niet geboden had mogen worden: ‘Dat NRC Handelsblad zo’n ondoordacht publiek pleidooi voor geloofsabsolutisme helpt organiseren en daarna afdrukt, is mijns inziens slechts een van de vele bewijzen van de grote verwarring die ons wereldje beheerst: anything goes. (..) Huizinga moet van beide – dit type pleidooi èn het anything goes – gegruwd hebben”.
Op dit laatste verwijt ging Wesseling in een ingezonden brief in: ‘Meent Brands nu werkelijk dat het betoog van Van Deursen zo stuitend was dat deze krant voor de eerste keer in 25 jaar de Huizinga-lezing niet had mogen publiceren?’ Aan de inhoud van Van Deursens ging Wesseling – overigens (full disclosure) mijn eigen leermeester aan wie ik veel te danken heb – verder voorbij. Wat hij zelf van Huizinga’s cultuurkritische boeken vond werd echter twee jaar later overduidelijk uit zijn eigen Huizinga-lezing die – in tegenstelling overigens tot die van De Graaf en Van Deursen – zeer humoristisch van toon was. Aan eventuele religieuze inspiratie bij de cultuurcriticus Huizinga besteedde Wesseling nauwelijks aandacht. Hij zag ‘In de schaduwen van morgen’ en ‘Geschonden wereld’ toch vooral als pretentieus geleuter van iemand die zichzelf en het ‘geestelijk lijden van de wereld’ uit de ondertitel van de Schaduwen iets te serieus neemt, maar daarmee tot zijn eigen verbazing een internationale bestseller scoort. De historicus Huizinga is, volgens Wesseling, een groot man maar de cultuurcriticus Huizinga kan gerust als een min of meer vermakelijk bijverschijnsel van zijn tijd worden weggeborgen.
Het kan verkeren. Nog geen dertig jaar later duikt bij de Graaf de metafysicus Huizinga weer op, zij het nu niet zozeer als gesel van de huidige wereld, maar als bron van hoop en vertrouwen in donkere tijden. Wie had dat kunnen denken.
Beatrice de Graaf: Wij zijn de tijden. Geschiedenis in crisistijd. Huizinga-lezing 2024. Uitgeverij EW 2025 (Tweede druk)
De Huizinga-lezing van A. Th. van Deursen is uitgegeven als ‘Huizinga en de geest der eeuw’, Uitgeverij Bert Bakker. De tekst komt ook voor in het digitale archief van NRC (€): https://www.nrc.nl/nieuws/1994/12/10/cultuur-van-schuivende-normen-gaat-onherroepelijk-7249099-a897539 Ook te vinden op Delpher, NRC van 10-12-1994. Het genoemde interview met Van Deursen van 11-11-1994 staat eveneens in het NRC-archief (€), evenals de reacties van Brands, en weerwoord daarop van Wesseling en Van Deursen zelf. Van Deursens boeken zijn helaas alle out of print.
Wesselings ‘Huizinga en de geest van de jaren dertig’ van 13-12-1996 is onder andere opgenomen in de bundel ‘Alles naar wens. Tien voordrachten over cultuur, geschiedenis en politiek’, Uitgave Bert Bakker 1998, en is eveneens oproepbaar in het NRC-archief (€): https://www.nrc.nl/nieuws/1996/12/14/huizinga-en-het-lijden-aan-de-tijd-7335548-a165447#/handelsblad/1996/12/14/#108
Een schat aan materiaal over Huizinga zelf is te vinden op de site ‘Huizinga online’: https://huizinga-online.nl ‘In de schaduwen van morgen’ en ‘Geschonden wereld’ zijn, net als de rest van het werk van Huizinga te lezen op de site van DBNL: https://www.dbnl.org/tekst/huiz003gesc03_01/index.php
Da Costa’s ‘Bezwaren tegen den geest der eeuw’ is te lezen op DBNL: https://www.dbnl.org/tekst/cost002bezw01_01/
Afbeeldingen: 1. In 1954 uitgegeven postzegel met de beeltenis van Johan Huizinga. (Nationaal archief); 2. Huizinga als deelnemer aan een studentenmaskerade in Groningen, 1894 (Literatuurmuseum); 3. Portret van Huizinga uit 1929, door Oswald Wenckebach (1895-1962, collectie Laura Conley-Huizinga, New York).



Plaats een reactie