
Maar liefst vier doden en meerdere gewonden vielen toen militairen in de Amsterdamse Sarphatistraat het vuur openden op demonstranten die op 13 november 1918 probeerden zich toegang te verschaffen tot de Cavaleriekazerne op de Amsterdamse Sarphatistraat – het gebouw waarin zich thans de Rijksacademie van beeldende kunsten bevindt. Een menigte van naar schatting drieduizend mensen had zich, na een roerige vergadering in de Diamantbeurs aan het Weesperplein, hoek Nieuwe Achtergracht, naar de kazerne begeven in de hoop, zo niet de verwachting, dat de in de Cavaleriekazerne en in de naburige Oranje Nassau-kazerne gelegerde militairen zich zouden aansluiten bij de proletarische revolutie, zoals dat eerder soldaten in Rusland en Duitsland hadden gedaan.
Deze revolutiepoging, aangevoerd door de SDP-voorman David Wijnkoop, Henriëtte Roland Holst en de christen-socialistische dominee John William Kruyt, is uit de collectieve herinnering in Nederland goeddeels verdwenen, en was dat overigens al kort na de gebeurtenis zelf. In 2018, bij de honderdste verjaardag van het einde van de Eerste Wereldoorlog dat in heel Europa tot een gevoel van het aanbreken van een nieuwe tijd en noodzaak tot grote veranderingen teweeg bracht, ging de aandacht voornamelijk uit naar wat meestal ‘de vergissing van Troelstra’ wordt genoemd. Pieter Jelles Troelstra (1850-1930), leider van de veruit grootste arbeiderspartij in Nederland, de SDAP, hield op 12 november een urenlange redevoering in de Tweede Kamer waarin hij – overigens tot verrassing van de meeste andere voorlieden van de SDAP – leek aan te kondigen dat het moment van een proletarische machtsgreep was aangebroken. Al een dag later moest de SDAP-voorman toegeven zich grotelijks te hebben vergist in het revolutionair potentieel van het moment.
De gebeurtenissen in de Sarphatistraat op 13 november hadden echter een heel eigen dynamiek, en hielden ook niet verband met het optreden van Troelstra. Aan deze in bloed gesmoorde revolutiepoging is nu – voor het eerst, hoe onwaarschijnlijk dat misschien ook klinkt – een uitgebreide historische monografie gewijd: ‘Revolutiekoorts’ van Wouter Linmans. Bronnen voor de ‘revolutie’ in de Sarphatistraat-straat zijn uitermate schaars. Er zijn ook geen foto’s van. Niettemin weet Linmans de gebeurtenis handen en voeten te geven, al kennen we van de naar schatting drieduizend deelnemers slechts van veertig de namen. Ook voor degenen die bij deze revolutiepoging de leiding hadden genomen, betrof het hier een gebeurtenis die misschien maar het liefst gauw vergeten moest worden. Die stilte wordt nu voor het eerst uitvoerig doorbroken.
Heel merkwaardig eigenlijk: elke keer als in Nederland iets gebeurt wat aansluit bij revolutionaire woelingen in de rest van Europa, wordt dat in onze nationale geschiedbeleving min of meer verdonkeremaand. Neem het jaar 1848: op school leerde je dat er in Nederland geen revolutie geweest was en dat koning Willem II min of meer van de ene dag op de andere van autocraat tot democraat was bekeerd door de liberale politicus Thorbecke, die had gewaarschuwd dat zonder grondwetswijzigingen de democratische opstanden in de rest van Europa best eens naar onze lage landen zouden kunnen overslaan.
Wij weten sinds een paar decennia dat dat niet waar is: er waren wel degelijk onlusten, in de vorm van het zogenaamde Damoproer op 24 maart 1848. Ofschoon daarbij geen doden vielen en de schade beperkt bleef tot gesneuvelde ruiten bij fijne luiden her en der in stad, zagen tijdgenoten hier wel degelijk een aanzet tot revolutie in. De historicus Dennis Bos heeft in zijn ‘Waarachtige volksvrienden’ laten zien dat onder andere Duitse handwerkslieden, deels verenigd in een ‘Gemeinde Bund der Kommunisten’, aan de basis stonden van deze gebeurtenis, waarmee het Damoproer meteen ook de eerste basis was voor een marxistisch geöriënteerde arbeidersbeweging, die in later jaren zo’n grote rol zou spelen in het zich moderniserende Nederland.
Overigens geldt zowel voor deze gebeurtenis in 1848, als die van 13 november 1918, dat deze moeten worden bezien in een in Amsterdam bestaande cultuur van regelmatig terugkerende oproeren, waarbij meestal het stedelijke proletariaat zich keerde tegen de gevestigde macht, de ruiten ging ingooien op de grachten en andere betere buurten en die dan meestal met veel geweld door het gezag onderdrukt werden. In de zeventiende eeuw zijn er al sporen van zulke tradities, maar in de zich snel ontwikkelende stad van de negentiende eeuw nemen de onlusten soms grote vormen aan, zoals bij het Kermisoproer van 1876 en het Palingoproer van 1886. Ook aan 13 november 1918 waren andere, veel omvangrijker onlusten vooraf gegaan: het Aardappeloproer van 28 juni 1917 bijvoorbeeld, waarbij op grote schaal was geplunderd en tien doden waren gevallen.
Wat 24 maart 1848 en 13 november 1918 echter tot een geval apart maakt, is dat het hier niet ging om min of meer routineuze, spontane uitbarstingen van (klasse)geweld, maar om een actie binnen een omschreven politiek kader, en dan ook nog met een internationaal cachet. Aan de betoging in de Sarphatistraat was een zeer druk bezochte vergadering vooraf gegaan in de Diamantbeurs, waar revolutionair gemotiveerde marxisten als David Wijnkoop, leider van de links van de SDAP staande SPD, de eveneens tot deze partij behorende Henriëtte Roland Holst en John William Kruyt van de Bond van Christen-Socialisten een meer dan duizendkoppige menigte hadden toegesproken.
Ja zelfs de inmiddels stokoude Ferdinand Domela Nieuwenhuis (1846-1919) was in een rijtuig aangevoerd en betoonde zich een warm voorstander van de naar zijn mening onvermijdelijke revolutie en machtsgreep van de arbeidersklasse. Hij vergeleek zichzelf met Mozes die het Beloofde land had gezien: ‘Nu ik dit mocht beleven, ga ik in vrede heen’. Wijnkoop van zijn kant zag reeds een ‘Commune van Amsterdam’ ontstaan, naar analogie van de befaamde, in bloed gesmoorde Commune van Parijs van 1871 waarover Marx ook zo mooi geschreven had. Die zou, zoals dat onder Lenin ook in Sint-Petersburg was gebeurd, onder leiding staan van een raad (sovjet) van arbeiders en soldaten die zich spoedig daarna in federatief verband zou verenigen met andere raden tot een nieuwe staat. Zulke raden waren inmiddels in tal van Nederlandse steden opgericht.
Het was een plechtig moment – de beloften van meer dan een halve eeuw marxisme leken eindelijk uit tje komen. Zoals de SPD-krant ‘De Tribune’ het op 12 november nog had verwoord in een manifest op de voorpagina: ‘..de tijden zijn nu rijp om de ‘orde’ van het Kapitalisme te vernietigen en de macht te veroveren voor de klasse van den arbeid’.
Daarmee was echter niet gezegd dat de drieduizend betogers die zich vanuit de Diamantbeurs naar de kazernes op de Sarphatistraat begaven om wapens en solidaire militairen op te halen, allemaal doctrinaire marxisten waren. Ter linkerzijde van de SDAP waren tal van revolutionair-gezinde, elkaar niet zelden te vuur en te zwaard bestrijdende groepen en groepjes actief, waaronder vele die zich als anarchistisch beschouwden. De veertig deelnemers aan de opstand die Linmans identificeert en wier biografie hij kan volgen, bieden een rijk geschakeerd beeld aan socialistische overtuigingen.
Die diversiteit in doelstellingen en middelen blijkt ook eigenlijk al ras aan de poort van de Cavalerie-kazerne, waar overigens al in verband met de onrust in het land uit de provincie aangevoerde militaire versterkingen zijn gelegerd. Wanneer de kop van de stoet, met Wijnkoop en Roland Holst en Kruyt, heeft geconstateerd dat de militairen niet van zins lijken zich aan te sluiten, lopen zij door op weg naar de Oranje Nassau-kazerne verderop, in de hoop in deze veel grotere kazerne, van oorsprong het napoleontische Quartier Saint-Charles, medestanders te vinden. Nabij de Muiderpoort wordt hen echter de weg versperd door een peloton militairen.
Achter hen speelt zich inmiddels het drama van de dag af. Een der anarchisten heeft een bijl bij zich, waarmee hij het slot van de kazernepoort onderhanden neemt. Op dat moment geeft een wachtmeester der cavalerie het bevel tot vuren, met vier doden en vele gewonden tot gevolg. Er schijnt ook nog een schot uit de menigte te zijn gelost, en een handgranaat te zijn geworpen – Linmans maakt echter aannemelijk dat deze onklaar was gemaakt door de goede zorgen van een in revolutionaire kringen binnengedrongen politie-infiltrant. Boeiend is ook het optreden van de doodgeschoten Jacobus Strinnholm, die, net als op revolutionaire schilderijen gebruikelijk, zijn hemd open rukt en de militairen ‘schiet dan’ toeroept.
Na dit alles wordt er gedeëscaleerd op een manier die typisch Nederlands, of Amsterdams lijkt: een beetje meegeven, zodat de gemoederen bedaren. De stoet mag langs de Oranje Nassau-kazerne verder lopen naar de Oostelijke eilanden, het Rembrandtplein en de Dam, om tenslotte op het Beursplein te worden ontbonden. Wijnkoop c.s. roepen de menigte daar op om zich de volgende dag weer te verzamelen om de revolutie voort te zetten maar daar blijkt de volgende dag nauwelijks belangstelling voor te zijn. De begrafenis van de slachtoffers op 17 november trekt vele malen meer belangstellenden dan de gebeurtenis zelf. Aan de teraardebestelling op Vredenhof aan de Haarlemmerweg gaat overigens een uitvoerige stoet vanaf Kattenburg door het hele centrum vooraf – ook zonder verankering van het demonstratierecht in de wet zag het Amsterdamse stadsbestuur kennelijk al in dat je zulke manifestaties beter kunt laten gaan.
Door zulke en andere details roept Linmans het beeld op van een dynamische en levendige stad, waar veel armoede wordt geleden maar tegelijkertijd een bloeiend verenigings-, politiek- en cultureel leven bestaat. Ook bij de hoofdstukken over de nasleep van 13 november 1918 valt de lezer van de ene verbazing in de andere: in een ingezonden brief in het dagblad De Telegraaf noemt de hoogleraar Hector Treub Henriëtte Roland Holst – die overigens al spoedig spijt schijnt te hebben gehad van haar voortrekkersrol bij de Sarphatistraat – ‘een gevaarlijke vrouw’, omdat zij de menigte had opgehitst. Treub maakt zich ook vrolijk over het feit dat Henriëtte en haar man Richard Roland Holst zelf een kapitale villa in Laren bewonen – vér van de armelijke onderkomens van het proletariaat waarvoor Henriëtte zegt op te komen. Tegen de verplichting tot armoede voor socialistische voorvechters komen in een brief aan het Algemeen Handelsblad twee vrienden van het echtpaar in het geweer: de historicus Johan Huizinga en de schilder Jan Veth – nochtans zelf geen revolutionairen.
David Wijnkoop wordt nog jarenlang beschimpt en uitgelachen om het glaasje water waarom hij zou hebben gevraagd in het heetst van de strijd op de Sarphatistraat, terwijl hij omringd was door demonstranten die de kazernes wilden plunderen om aan geweren te komen. Mogelijk is dit trouwens een apocrief verhaal. Zijn partij, de SPD, wordt al spoedig wordt omgedoopt tot Communistische Partij in Nederland, CPN. Liever dan de mislukte revolutiepoging in de Sarphatistraat te herdenken, richten de Nederlandse communisten zich liever op een jaarlijkse herdenking van de wél geslaagde Oktober-revolutie in Rusland, en dat zal tot het einde van het bestaan van de CPN in 1991 ook zo blijven. In 1922 ontkent de communist Willem van Ravesteyn zelfs in de Tweede Kamer dat er op 13 november 1918 sprake was van een revolutiepoging. De historische waarheid was al nooit een sterk punt bij de communisten, maar Wouter Linmans heeft er met zijn erg leesbare studie voor gezorgd dat die waarheid recht wordt aangedaan.
Wouter Linmans: Revolutiekoorts. Onrust en oproer in november 1918. Athenaeum-Polak & Van Gennep 2024
Genoemd:
Dennis Bos: Waarachtige volksvrienden. De vroege socialistische beweging in Amsterdam 1848-1894. Uitgeverij Bert Bakker 2001
Afbeeldingen: 1. Ingekleurde prentbriefkaart van de Sarphatistraat met de Cavallerie-kazerne, gezien in westelijke richting. (Wikimedia); 2. Cavallerie-kazerne in de Sarphatistraat-straat te Amsterdam, gebouwd o.l.v. genie-officier P.J. de Waal. (collectie Nederlands Militair Museum). (Beide foto’s vermoedelijk rond 1900-1910)


Plaats een reactie