Amsterdam is altijd in wording, en niet altijd volgens het plan

Dat mijn ouders – met mij erbij – in 1960 Amsterdam ontvluchtten voor een frisse doorzonwoning in Amstelveen heb ik altijd betreurd. Zij ook, vermoed ik. In ieder geval veranderde hun leven sinds dat moment van een gezellig bestaan met vrienden in de grote stad, in een geatomiseerd leven in een voorstad waar ze, zoals ik wel eens in een boekje heb beschreven, zeer ongelukkig werden. In ieder geval heb ik, zo snel als ik kon – en dat was in 1987 – gezorgd dat ik weer in Amsterdam kwam te wonen, na Amstelveen, Leiden (voor studie) en Rotterdam en Moskou (voor werk). Het klinkt een beetje pompeus, maar het liefste zou ik te zijner tijd de laatste adem willen uitblazen in de stad waar ik in 1951 aan de Koninginneweg het levenslicht zag.

Wonen in dezelfde stad waar je deels bent opgegroeid ligt niet perse voor de hand. Ik kom ook eigenlijk maar zelden mensen tegen die net als ik geboren zijn in Amsterdam en er nog wonen – en heel vaak gaat het daarbij om Amsterdammers met een Turkse of Marokkaanse achtergrond trouwens. Die indruk klopt wel ongeveer met de vele interessante gegevens in ‘De stad’ van Marcel van Engelen, een werkelijk geweldig boek over de geschiedenis van Amsterdam van 1980 tot vandaag, vooral vanuit stedenbouwkundig opzicht. Elke tien jaar, las ik daar, wordt ruwweg de helft van de stadsbevolking uitgewisseld. Zoals meer grote steden in de wereld is Amsterdam een doorgangsstation.

Dat neemt niet weg dat ik de stad Amsterdam heel erg als de mijne zie. Het larmoyante geleuter van extreem-rechtse mannetjes die zeggen dat ze door de immigratie hun stad of straat niet meer herkennen, zegt me helemaal niets: ik herken die straten, voor zover ze er in de jaren vijftig al waren, uitstekend en denk bijvoorbeeld vaak aan mijn grootouders, als ik ergens loop of fiets waar ik ooit met een van hen heb gelopen. Daarmee is natuurlijk niet gezegd dat er niets veranderd is in al die jaren. Zo is de stad veel groter en vooral veel welvarender geworden – iets wat overigens voor meer steden in Nederland geldt. Dat heeft, over een langere periode bezien, soms vreemde gevolgen: dat appartement dat mijn ouders in 1960 ontvluchtten, omdat het met kolenkachels moeizaam verwarmd werd, op de derde etage zonder lift was en zo gebouwd dat de buren bij elkaar over de gang liepen, is nu heel veel geld waard, in een van de meest gewilde delen van de stad.

Hoe het allemaal zo gekomen is, wordt door Van Engelen op uiterst onderhoudende wijze verteld. Een van de vele kwaliteiten van het boek is dat de auteur zijn structurele geschiedverhaal weet te koppelen aan de biografie van tal van anderszins wat in vergetelheid geraakte figuren, zoals wethouder Michael van der Vlis (1944-2018), groot voorvechter van de compacte stad zoals we die nu kennen, waarin stedelijke functies als wonen en bedrijvigheid, cultuur etc. dicht op elkaars huid zitten. Die stad is nu op weg naar één miljoen inwoners, terwijl de moderne stad zoals die de bestuurders in de jaren vijftig en zestig voor ogen stond, waarbij oude buurten moesten wijken voor kantoren en autowegen, er maar 350.000 moest krijgen.

De oostelijke en westelijke eilanden, de Jordaan, de Pijp, de Nieuwmarktbuurt, de Dapperbuurt – het kon in de ogen van de eerste generatie naoorlogse stadsplanners allemaal tegen de vlakte. De moderne stad moest in hun ogen een ‘city-functie’ hebben, met veel kantoren dus en een goede bereikbaarheid middels brede autowegen. Wijken die in de negentiende eeuw en eerder waren opgetrokken als behuizing voor arbeiders en dergelijke, en vaak in slechte staat verkeerden, konden weg en hun bewoners verhuizen naar Hoorn, Purmerend, Alkmaar of (later) Almere. Totdat er tegen dit streven verzet kwam, met name van krakers vanaf eind jaren zestig, werd dit beleid ook inderdaad uitgevoerd. Kattenburg, een zeventiende-eeuwse volkswijk die je alleszins met de Jordaan kon vergelijken, ging integraal tegen de vlakte – zelfs voor een integrale documentatie van de verdwenen wijk met foto’s was geen belangstelling. Eenzelfde lot trof Wittenburg en het (minder bewoonde) Oostenburg.

De duidelijkste sporen van deze plannen vind je vandaag de dag terug in de verkeersas Wibautstraat-Weesperstraat-Valkenburgerstraat-IJtunnel, waarmee de stadsbestuurders van vandaag, die de auto graag uit de stad zouden willen terugdringen, zo in hun maag zitten. En natuurlijk is er op het eiland Vlooienburg, waarop sinds mensenheugenis de Waterlooplein-markt is, bijna alles afgebroken voor die – het spijt me – afschuwelijke Stopera.

Extra schrijnend is dat deze drastische ingrepen mede mogelijk werden gemaakt door de deportatie van de vele Joodse Amsterdammers in deze buurten. Ik herinner me hoe ik met mijn moeder in de tram zat in de Weesperstraat, vlak voordat deze aan beide zijden werd afgebroken. Mijn moeder legde uit hoe bouwvallig de verlaten huizen waren, waaruit na het afvoeren van de bewoners, tijdens de Hongerwinter 44-45 vaak alle hout gesloopt was. Die deportaties vormen ook op een andere manier nog een punt van overweging, als ik aan mijn status als Amsterdammer denk ik. (Wat ik gelukkig niet dagelijks doe, trouwens). Mijn beide ouders waren tweede of derde generatie Amsterdammers, wat betekende dat zij – ofschoon niet-Joods en ook niet plat-Amsterdams pratend – in het dagelijks leven allerlei van oorsprong jiddisje woorden gebruikten: Mokum, goochem, majem , adenoje, koensjt, jajem etc. Ik kon dat dus ook als kind, maar heb het met de jaren afgeleerd omdat bijna iedereen daarop reageert als een soort aanstellerij. Maar enfin, dit terzijde. (Tekst gaat door onder de afbeeldingen).

Wat het boek laat zien is met name dat de bruisende, dynamische stad van nu in belangrijke mate niet door visionaire stadsplanners tot stand is gekomen, maar juist tegen hun inzichten in. Heel lang bleven ook de politici van PvdA en CPN vasthouden aan de grootscheepse afbraak van oude wijken, en het omvormen van de stad tot een ‘city’ van voornamelijk kantoren, naar Amerikaans en Duits model. Op den duur heeft het taaie verzet van de Amsterdammers echter succes gehad: Kattenburg, eenmaal afgebroken, is geen kantoor- maar een (saaie) woonwijk geworden. De negentiende-eeuwse Pijp staat er nog steeds en is gewilder dan ooit, en hetzelfde geldt voor de Dapper-buurt, de Indische buurt, de Jordaan, de Baarsjes en de Oosterparkbuurt waar heel veel oude bebouwing is vervangen, maar waar de woonfunctie, in combinatie met kleinschalige bedrijvigheid, nog steeds dominant is, en het oude stratenplan behouden.

Maar ook later gingen de zaken vaak heel anders dan de vroede vaderen zich hadden voorgesteld. Zo lieten ze Rem Koolhaas een prachtig plan maken voor de vestiging van prestigieuze ondernemingen aan de zuidkant van het IJ, maar moesten noodgedwongen instemmen met de wens van die ondernemingen om hun kantoor te bouwen aan de zuidkant van de stad, op wat we nu de Zuidas noemen. En dan was er de hoogbouw in de Bijlmer, bedoeld als een prestigieus avantgarde-projekt, maar inmiddels voor meer dan de helft afgebroken en door laagbouw vervangen, omdat het gebrek aan belangstelling in een breed milieu voor deze hoogbouw van de Bijlmer een sociaal probleemgebied maakten.

Amsterdam had altijd al een traditie van stadsplanning. De befaamde zeventiende-eeuwse grachtengordel getuigt daarvan en in Amsterdam-Zuid is er tot op de huidige dag het plan-Berlage waarnaar nog steeds architectuur-enthousiasten uit de hele wereld komen kijken. En er is meer: de Spaarndammerbuurt met zijn huizen in de stijl van de Amsterdamse School bijvoorbeeld, en hoogst interessante wijken in Noord. Die wijken staan bijna allemaal nog recht overeind, en hetzelfde geldt grosso modo ook voor de diverse zogeheten ‘tuinsteden’, zowel die in West als in Noord. Noord is trouwens een verhaal apart, waaraan Van Engelen terecht een apart hoofdstuk wijdt: in 1980 kon niemand nog het faillissement voorzien van de werven van ADM en NDSM en andere zware industrie langs de oevers van het IJ. Op die eertijds gesloten terreinen ritselt het nu van alternatieve bedrijvigheid en bouwplannen. Noord – sinds mensenheugenis beschouwd als een stuk stad dat er eigenlijk niet bij hoorde, is nu helemaal ‘in’. De ponten die de verbinding met de rest van de stad moeten bieden, kunnen de drukte met de dag minder aan. Het IJ ontwikkelt zich steeds meer tot het hart van de stad.

Ik heb hierboven beschreven hoe ik de stad waar ik geboren ben en nog woon als een continuüm ervaar, maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat er geen grote veranderingen zijn, ook in mijn beleving. Voor het eigenlijk centrum geldt dat er zo veel toeristen en dagjesmensen rondlopen dat de vaste bevolking de neiging gaat vertonen dat centrum te mijden. Er is, mede door de golven van liberalisatie van de woningmarkt in de laatste decennia, een groeiende kloof tussen Amsterdammers met een bescheiden inkomen die in sociale huurwoningen wonen, en degenen met een riant inkomen die inmiddels zo’n beetje de enigen zijn die zich nu de hallucinatoir gestegen huur- en koopprijzen in Amsterdam kunnen veroorloven. En de aantrekkingskracht van de stad op meer-vermogenden neemt voortdurend nog toe, al was het maar omdat Amsterdam allang geen arbeidersstad meer is, en een magneet vormt voor hoogopgeleide en duur betaalde kenniswerkers uit binnen- en buitenland.

Problemen zijn er dus te over, maar zelf heb ik er een heilig vertrouwen in dat Amsterdam een grote toekomst tegemoet gaat, of daarin zelfs al is aangekomen. Niet voor niets wordt er over de huidige tijd wel als ‘de derde Gouden eeuw’ van Amsterdam gesproken, na die in de zeventiende eeuw en de periode 1880-1914, waarin de stad ontwaakte uit eeuwen van achteruitgang en verval en een moderne stad werd, zoals dat eigenlijk een eeuw later weer is gebeurd. Ik kwam een paar maanden geleden op het avondspitsuur met een bus van Connexion vanuit IJmuiden de stad binnen via Westpoort, om bij station Sloterdijk de tram te nemen naar Oost, waar ik woon. Ik was daar vele jaren niet geweest, en keek mijn ogen uit: al die mensen, al die gebouwen, de stad van mijn leven maar dan helemaal nieuw. En levendig – wat meer zou ik kunnen wensen?

Marcel van Engelen: De stad. Het verhaal van Amsterdam, van 1980 topt vandaag. De Bezige Bij 2024.

Het boekje over mijn ouders waaraan ik hierboven refereer is:
Raymond van den Boogaard: Mijn lieve ouders. Prometheus 2011.

Afbeeldingen: 1. Kattenburg tijdens de afbraak in 1965. (Beeldbank SERC); 2 en 3. De Weesperstraat in de jaren twintig en nu. (Beeldbank gemeente Amsterdam).

Plaats een reactie

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑