Sierlijke omwegen

Proberen je tegenstander in het debat als persoon uit te schakelen – door censuur, door ontslag, door de vernietiging van diens goede naam – is geenszins alleen een rechtse, of extreem-rechtse onhebbelijkheid. Ook de liberale of linkse factie maakt zich schuldig aan het gebruik van ‘illiberale’ methoden om afwijkende meningen te smoren. Dat is de strekking van de open brief van 150 voornamelijk Amerikaanse intellectuelen die deze week op de site van Harpers Magazine verscheen en natuurlijk onmiddellijk woedende reacties en verdachtmakingen teweeg bracht.

‘A letter on Justice and open debate’ geeft uiting aan een onbehagen dat bij ons in Europa niet helemaal onbekend is, maar toch vooral een Amerikaans probleem. In de beste puriteinse tradities dreigt een ieder die ook maar enigszins vraagtekens dreigt te plaatsen bij de nieuwe leerstukken op het gebied van racisme, de gender-discussie, #metoo etc. op hoge toon naar de mestvaalt van de geschiedenis te worden verwezen. De opinieredacteur van de New York Times moest vertrekken omdat hij een onwelgevallig stuk had geplaatst van een senator die het leger tegen demonstranten wilde inzetten, de oorspronkelijke uitgever van de mémoires van Woody Allen zag na kritiek af van publicatie – om nog maar te zwijgen over de situatie op veel universiteiten waar, naar het schijnt, de leeslijst en de bibliotheek onder druk van progressieve studenten moet worden gezuiverd van boeken die het gewenste beeld niet bevestigen.

Tenminste twee van de ondertekenaars hebben met de liberale onverdraagzaamheid direct te maken gehad. J.K. Rowling wordt door een deel van de fans van haar Harry Potter-boeken voor monster uitgekreten, sinds zij kritische opmerkingen te berde bracht over het progressieve idee dat de vraag of je man, vrouw of transgender bent, uitsluitend afhangt van je eigen keuze. Onze landgenoot Ian Buruma, tegenwoordig hoogleraar aan Bard University, vloog de laan uit als hoofdredacteur van de New York Review of Books omdat hij onvoorzichtig een stuk had geplaatst van iemand die beschreef hoe zijn maatschappelijk bestaan in het openbaar kapot gemaakt was na beschuldigingen van seksueel misbruik.

Maar de lijst ondertekenaren van het manifest is geenszins alleen een lijst van mensen in de zelfverdediging: Martin Amis, Anne Applebaum, Margaret Atwood, Louis Begley, Wynton Marsalis, Yascha Mounk, Naom Chomsky, Kamel Daoud, David Frum, Francis Fukuyama, Steven Pinker, Salman Rushdie, Adam Hochschild, Michael Ignatieff, Garry Kasparov, Daniel Kehlman, Mark Lilla, Gloria Steinem – om maar enkele namen te noemen – richten zich tegen een ‘valse keus tussen rechtvaardigheid en vrijheid’. Er bestaat geen vrijheid van debat zonder tegenspraak, bestrijding van ideeën of zelfs vergissingen, wordt in het manifest betoogd. Maatschappelijke sancties horen in het debat niet thuis.

Dat debat loopt hoog op. Onder de critici van het manifest zou ook de Amerikaans-Russische journalist Masha Gessen kunnen zijn, die een paar dagen eerder in The New Yorker betoogde dat de weigering bij sommige intellectuelen en journalisten om in hun teksten ‘morele helderheid’ te verschaffen, neerkomt op een afwijzing van de ‘nieuwe consensus’ die aan het ontstaan is, bijvoorbeeld over het racistisch karakter van de tot nu toe gangbare ontstaansgeschiedenis van de Verenigde Staten als thuisland van recht en vrijheid.

Niet alle discussies zijn nu eenmaal legitiem, meent Gessen. Als president Trump bijvoorbeeld oppert Covid-patiënten met schoonmaakmiddelen in te spuiten, heeft het weinig zin om daarover voor- en tegenstanders aan het woord te laten. Over sommige dingen kun je alleen maar ‘moreel helder’ zijn, of een heimelijk tegenstander van de ‘nieuwe consensus’. In dezelfde trant als Gessen zijn er lezers van de New York Times die het de krant kwalijk nemen als deze schrijft dat Trump weer eens een ‘race-based’ theorie ten beste heeft gegeven. Zij willen dan ‘racistisch’ lezen, en dat Trump ook in de nieuws- en analyse-kolommen rondweg ‘racist’ genoemd wordt.

Een controverse als door het manifest wordt geëntameerd is wel in het bijzonder Amerikaans, maar het is vermoedelijk zinnig om de vinger aan de pols te houden – zelfcensuur en conformisme bestaan hier ook tenslotte. Een dieperliggende oorzaak is wellicht dat, terwijl – op sociale media bijvoorbeeld – er meer ruimte is dan ooit voor discussie en debat over van alles, de bandbreedte van die debatten afneemt. Je bent voor of tegen, goed of fout, links of rechts etc. en de rest van je standpunt laat zich dan min of meer veronderstellen.

Dat je ook zou kunnen aarzelen of iets niet weten, of van die aarzeling en twijfel een kunst zou kunnen maken, of de lezers of kijkers met enig lustgevoel om de tuin zou kunnen leiden over je bedoeling – kortom dat je zou kunnen kiezen voor vorm in plaats van onomstotelijke en zakelijke inhoud, is in toenemende mate een impopulaire optie. Dat is tenminste de gedachte van de Oostenrijkse filosoof Robert Pfaller (1962) in zijn nieuwe boek ‘Die blitzende Waffen. Über die Macht der Form”. Zakelijk argumenteren in het publieke debat is vaak niet voldoende, meent Pfaller. Om te overtuigen kun je ook gebruikmaken van schoonheid of welsprekendheid en andere vorm-elementen – de ‘glanzende wapens’ uit de boektitel.

‘Die blitzende Waffen’ is geen politiek betoog maar een lange, enigszins meanderende filosofische onderzoeking over de onmisbare rol van vorm – soms zelfs vormelijkheid – in de Westerse cultuur. Al in eerdere boeken is Pfaller van leer getrokken tegen andere culturele elementen van wat hij hier de ‘neoliberale’ cultuur noemt: het recht om te genieten in weerwil van publieke moralisten die een radicaal gezondheids-puritanisme preken, en het behoud van ‘volwassenen-taal’ in het licht van de voortdurende verkleutering in het publieke dedat.

‘Die blitzende Waffen’ waaiert wijd uit als betoog. Nu eens gaat het over de functie en gezagsondermijnende werking van de mop. Dan weer bepleit Pfaller het behoud van min of meer in onbruik rakende, volstrekt niet utilitaire vormelijkheden als het openhouden van de deur voor een dame, en deze laten voorgaan, of het geven van een vuurtje aan een onbekende terwijl deze daar niet om gevraagd heeft. Hoffelijkheid is een code, natuurlijk, en zegt weinig of niets over de intenties, of de machtsverhouding van degene die de deur openhoudt. Maar hoffelijkheid kan wel een schild zijn tegen een al te meedogenloze confrontatie tussen standpunten, en belangen en personen.

In het bijzonder stoort Pfaller dat tegenwoordig velen het vanzelfsprekend vinden dat ‘hun identiteit’ – uitgedrukt in termen van seksuele voorkeur, huidskleur, lichaamsomvang, achtergrond, problematische levensgeschiedenis etc. – in het maatschappelijk leven ‘erkenning’ vindt. Afgezien nog van de vraag dat ‘identiteit’ vaak moeilijk valt te definiëren, sluit de eis van erkenning debat vaak uit. Wat als mogelijkheid blijft is de confrontatie tussen talloze identiteiten die ‘erkend’ moeten worden – wat kennelijk verder gaat dan getolereerd. Zonder vormelijkheid kan die eis alleen maar op een dialoog van doven en confrontatie uitlopen, denkt Pfaller.

Ik moet zeggen dat deze redenering mij wel bevalt. Wat zou mijn eigen identiteit zijn, denk ik wel eens: man, blank, heteroseksueel, tikje ouder, vierde generatie ingezetene van en geboren in Amsterdam (iets wat me overigens met een irrationele, en strikt particuliere trots vervult), bezitter eigen woning, zelfverklaard intellectueel, in het verleden geen wonder van emotionele stabiliteit en zo valt er vermoedelijk nog wel het een en ander te bedenken. Wat in dit lijstje zou ik willen dat maatschappelijk erkend werd en wat zou dat moeten betekenen? Ik geef er de voorkeur aan mij te verschuilen achter een rol – in het onderhavige geval die van een journalist-historicus die een blogje schrijft dat de lezer al of niet overtuigt en dat hij al of niet lezenswaardig vindt. Ik heb er geen enkele behoefte aan als man etc. te worden gezien en benaderd.

Maar wat ik hier opwerp is natuurlijk geen echt probleem. Niet alleen heb ik persoonlijk geen boodschap aan een eventuele erkenning van mijn identiteit – ik heb die ook helemaal niet nodig, als blanke, heteroseksuele, oudere man etc. De onverdraagzaamheid die de opstellers van ‘A letter on justice and open debate’, en ook Pfaller terecht signaleren gaat in eerste instantie uit van degenen die menen in het maatschappelijk leven aan het kortste eind te trekken, omdat zij zwart zijn, of vrouw, of seksueel ‘non-binary’ (zoals dat in de VS merkwaardig heet).

Zo’n emancipatie-streven verschaft, vind ik, tot op zekere hoogte dispensatie van de eisen van redelijkheid en zinnige argumentatie. Het lijdt geen twijfel dat Emily Wilding Davison zich in 1913 beter niet voor het renpaard van de Britse koning had geworpen, maar als argument voor haar zaak – het vrouwenkiesrecht – was het een publicitair werkzame daad zonder weerga. Maatschappelijke strijd voltrekt zich nu eenmaal niet altijd langs lijnen van geleidelijkheid en afstandelijke beleefdheid. We kunnen alleen maar hopen dat bij dit alles openheid en tolerantie zullen overleven en zonodig daarvoor strijden, zoals de 150 ondertekenaars van het manifest doen. Niet alleen vanuit de gedachte dat open debat een democratische waarde is, die in belang uitstijgt boven de conflicten van het moment. Maar ook omdat anders het leven godvergeten saai wordt.

Robert Pfaller: Die blitzenden Waffen. Über die Macht der Form. S.Fischer Frankfurt am Main 2020

Het manifest uit Harpers Magazine staat HIER.

Het genoemde artikel van Masha Gessen uit de New Yorker staat HIER.

Afbeeldingen: Geheugen van Nederland / Archief Spaarnestad.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: