Nederlandse schrijvers 1750-1900: bedaardheid wordt niet beloond

Lang voordat Multatuli in zijn ‘Max Havelaar’ de staf brak over de menselijke onteringen die waren verbonden aan het Cultuurstelsel in Nederlands-Indië, was er al een vaderlandse auteur die kritische boeken over koloniale verhoudingen het licht deed zien: Jacob Haafner (1754-1809), auteur van onder andere ‘Reizen in eenen palanquin’ (1808). In ‘Romantici en revolutionairen’ het zojuist verschenen boek van Rick Honings en Lotte Jensen over literatuur en schrijverschap in Nederland in de 18de en 19de eeuw, wordt Haafners loopbaan beschreven – een spannend verhaal van omzwervingen in de Oost, van een auteur die wellicht geen anti-koloniaal naar huidige begrippen was, maar wel uiterst kritisch over zending en kolonialisme.

Het verhaal van de in de jaren 1990 ‘herontdekte’ succesauteur Haafner wordt in ‘Romantici en revolutionairen’ gevolgd door dat van een zo mogelijk nog curieuzere figuur, Justus Gerardus Swaving (1784-1835), auteur van ‘Swaving’s reizen en lotgevallen, door hem zelven beschreven’ (1827). Hij was een avontuurlijk man die op de kermis in Haarlem de beeldschone, toen 12-jarige ‘mulattin’ (halfbloed) Wilhelmina Balk tegenkwam, die met haar voogd uit de West naar Nederland was gekomen. Swaving was meteen verliefd, naar eigen zeggen, en bovendien was Wilhelmina, dochter van een planter en vrije zwarte vrouw, steenrijk. Swaving trouwt in 1806 met haar, nog in Amsterdam, en komt in het bezit van een plantage in de Hollandse kolonie Berbice (thans in Guyana). Hier wordt hij feitelijk slavenhouder, maar wel eentje met ‘verlichte ideeën’. In ‘Swaving’s reizen’ verhaalt hij van de slavernij en de slaven – zowel vanuit ethisch als economisch standpunt.

De prominente plaats die deze twee ‘buitenbeentjes’ innemen in ‘Romantici en revolutionairen’ is tekenend voor de opzet van het boek. Dat dient zich aan als een handboek van de Nederlandse literatuur tussen 1750 en 1900, maar leest als – sorry voor het cliché – een roman. Zeker ontbreken de namen niet die mijn generatie nog op school geleerd heeft: Justus van Effen, Hiëronymus van Alphen, Bilderdijk enzovoorts tot en met de Tachtigers en Couperus. Maar de gekozen invalshoek, ook het ‘schrijverschap’ en de sociale positie van de schrijvers (en een behoorlijke portie schrijfsters) te definiëren en te laten zien hoe de functie daarvan in anderhalve eeuw veranderde, blijkt buitengewoon vruchtbaar.

Niet alleen worden de uiteenzettingen over de ‘grote namen’ doorsneden met serieuze uiteenzettingen over auteurs die – buiten de kring van deskundigen – goeddeels vergeten zijn. Ook de behandeling van erkende litteraire grootheden is veelal origineel. Dat geldt bijvoorbeeld voor Louis Couperus, die opduikt in het hoofdstuk over naturalistische romans: zijn ‘Eline Veere’ (1889) in een uiteenzetting over ‘nerveuze vrouwen’ en zijn ‘Langs lijnen van geleidelijkheid’ (1900) als voorbeeld van een anti-feministische roman.

Het tot gelding brengen van vrouwelijke auteurs is een andere grote lijn van deze spannende geschiedenis, en menige schrijfster wordt aan aan de vergetelheid ontrukt. Bijvoorbeeld Dorothea Bohn-Beets, een zuster van Nicolaas Beets, die in 1806 de roman ‘Onze buurt’ het licht deed zien, onder het pseudoniem ‘Een ongenoemde’. Zelfs haar broer wist bij de eerste druk niet wie de auteur was.

Geen neerlandicus zijnde, kan ik maar ten dele bevroeden hoeveel heilige huisjes en gevestigde opvattingen Honings en Jensen in dit werk aan de kant hebben gezet – maar ten opzichte van het beeld van de Nederlandse litteratuur waarmee ik in de vorige eeuw ben opgegroeid, is de afwijking zeer aanzienlijk. Dat is deels – zoals Honings en Jensen ook aangeven – het gevolg van het feit dat – tot voor kort tenminste – de beeld- en smaakvorming ten aanzien van de Nederlandse letterkunde in de 18de en 19de eeuw sterk beïnvloed was door het oordeel van een paar giganten in de Negentiende Eeuw: Potgieter, Huet, de jongelui van De Nieuwe Gids. Wat zij te lullig voor woorden vonden, geldt eigenlijk nog steeds als waardeloos, en dat oordeel gold een aanzienlijk deel van de litteraire productie van de Negentiende Eeuw.

Het uitgangspunt in ‘Romantici en revolutionairen’ – auteurs en hun werken situeren in hun maatschappelijke en cultuurhistorische functie – behoedt Honings en Jensen voor zulk een smadelijke behandeling van na hun leven verguisde auteurs. Zo vinden de ooit aanbeden vaderlandse dichter Hendrik Tollens (1780-1856) en de als prototypische dichter-dominee behandelde J.J.L. ten Kate (1819-1889) hier hun plaats in de vaderlandse cultuurgeschiedenis.

De titel is goed beschouwd wat merkwaardig, want er is in dit boek maar hoogstzelden sprake van een echte Romanticus of Revolutionair. De jonge Beets waande zich wellicht een Nederlandse Byron, maar ontwikkelde zich al snel tot realist en daarna tot dichter-dominee. Rhijnvis Feith (1753-1824) wordt hier niet als een (proto-)romanticus behandeld, maar als een ‘sentimentalist’ – waarbij het sentimentele als een bijvangst van de Verlichting wordt gezien. Revolutionairen zijn er nog veel minder – Herman Gorter (1864-1927), van wie je dat misschien nog zou kunnen zeggen, wordt hier vooral als estheet behandeld.

Het valt op hoe opbouwend, vaderlandslievend en sociaal gestructureerd het litteraire leven in de beschreven anderhalve eeuw is. Dat sluit niet uit dat er af en toe eens iemand een schokkend, zedenbedervend boek schrijft, zoals Jacob van Lennep met ‘Klaasje Zevenstern’ (1866) of Conrad Busken Huet met ‘Lidewyde’ (1868). Maar over het algemeen overheerst toch de constructieve benadering: de auteurs hebben maatschappelijke verbetering en de bijdrage aan nationale beschaving hoog in het vaandel staan.

Het litteraire leven zelf maakt trouwens ook een sterk gestructeerde indruk: dit is een land van kringen en clubjes, van de talloze genootschappen in de 18de eeuw tot de rederijkerskamers in de 19de. Nederlandse auteurs reizen het land door om stichtende lezingen en voordrachten te geven (zoals zij dat trouwens nog steeds doen). Onze vaderlandse letterkunde kent tussen 1750 en 1900 dus duidelijk ook een orale traditie.

Opvallend is dat veel nieuwe genres en litteraire modes die in Nederland hun intrede doen (de historische roman, de Romantiek, het naturalisme etc.) geënt zijn op buitenlandse voorbeelden. Maar dan vaak zonder de scherpe kantjes – met name van de godsvrucht nemen Nederlandse auteurs niet dan met grote aarzeling afscheid, zodat de zondaar die in het buitenlandse voorbeeld een ellendig einde vindt, in de Lage landen al vlug nog net op tijd tot inkeer komt. Deze gematigdheid is wellicht prijzenswaardig – toen, als nu, gold het in dit land toch als minder gewenst om te provoceren, de mensen tegen elkaar op te zetten, te getuigen van in zedelijk opzicht ongewenst gedrag. Tegelijk is deze bedaardheid een recept voor provincialisme. Geen van de behandelde Nederlandse boeken of auteurs heeft ook maar de minste uitstraling gehad voorbij de vaderlandse grenzen, Multatuli’s ‘Max Havelaar’ wellicht uitgezonderd.

Graag had ik aan het eind van ‘Romantici en revolutionairen’ een hoofdstukje gezien met meer algemene gevolgtrekkingen – nu eindigt het boek na 400, zonder overdrijving meeslepende pagina’s nogal abrupt, als ware het toch een beetje een handboek. Je vraagt je na lezing ook af waarom al die litteraire ijver in de beschreven periode niet één of meerdere schrijvers heeft opgeleverd die nog steeds kunnen gelden als nationale auteurs en een lichtend voorbeeld van burgerzin, zoals Victor Hugo in Frankrijk. Wordt braafheid wellicht niet beloond?

Maar het feit blijft: nog nooit zo’n leuke literatuurgeschiedenis gelezen. Je begrijpt ook meteen waarom Nederlandse universiteiten de toeloop van nieuwe studenten neerlandistiek tegenwoordig slechts met de grootste moeite kunnen bijbenen.

Rick Honings & Lotte Jensen: Romantici en Revolutionairen. Literatuur en schrijverschap in Nederland in de 18de en 19de eeuw. Prometheus 2019.

Afbeeldingen: Zuidoost-aziatische tempeldanseres, uit ‘Reize in eenen palanquin’ van Jacob Haafner; Zinnebeeldige prent van Bilderdijk, uit de voor hem opgerichte papieren gedenkzuil (1833). (Beide afbeeldingen uit het besproken boek).

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: