Het jaar 1913 – een schuldig genoegen

Groot doorzettingsvermogen kon de Hongaarse aristocraten-dochter Romola de Pulsky (1891-1978) zeker niet ontzegd worden. Maandenlang reisde zij de Ballets Russes achterna, om in contact te komen met de sterdanser van dit gezelschap,  Vaslav Nijinsky (1889-1950). Nijinsky was, naar het oordeel van tijdgenoten, de grootste danser die ooit geleefd heeft. En net als bij de actrice Sarah Bernardt, eind XIXde eeuw in de ogen van tijdgenoten grootste actrice ooit, moeten we het met die getuigenissen doen – podiumkunst is de vergankelijkste aller kunsten, zelfs foto- of filmregistraties kunnen de indruk niet terughalen, die de kunstenaar op de planken wist te maken.

Romola de Pulsky wist vermoedelijk wel dat Nijinsky een homoseksuele verhouding had met Sergej Diaghilev, de fameuze grondlegger van de in heel Europa gevierde Ballets Russes. Maar als goed katholiek vertrouwde zij er wellicht op dat het met de seksuele oriëntatie van Nijinsky wel weer goed zou komen, zodra zij zich over hem ontfermen kon. Ze reisde de Ballets Russes overal achterna op hun tournees en slaagde er zelfs in als leerling-ballerina in de troep te worden opgenomen. Maar hoeveel aangrenzende hotelkamers en treincoupé’s zij ook wist te reserveren, om zo dichtbij haar idool te zijn als mogelijk was – Nijinsky betoonde zich slechts vriendelijk- afstandelijk. Diaghilev had bovendien iemand in dienst, die dag en nacht een oogje in het zeil hield bij zijn voornaamste ster en minnaar.

De Pulsky’s kans kwam in 1913, toen de Ballets Russes een tournee door Zuid-Amerika ondernamen en Diaghilev geen zin had in deze tijdrovende, vermoeiende onderneming. De Hongaarse had een eersteklas hut genomen aan boord van de oceaanstomer, en wel een van waaruit ze de deur van Nijinsky’s hut terdege in de gaten kon houden. Kort na aankomst in Buenos Aires trouwden ze, op 10 september 1913, tot grote woede van Diaghilev, die Nijinsky prompt ontsloeg. Daarmee was het ook meteen gedaan met de kunst van Nijinsky: beroofd van zijn context bij de Ballets Russes, als getrouwd man en vader, wilde het met de dans na 1917 niet meer lukken. De laatste dertig jaar van zijn leven bracht de arme man in of op de drempel van psychiatrische inrichtingen door. De diagnose was schizofrenie.

Het verhaal van De Pulsky en Nijinsky is een van de vele fraaie anekdotes in het nieuwe boek van de Duitse historicus/galeriehouder/uitgever Florian Illies, 1913 – Was ich unbedingt noch erzählen wollte.  Het is zijn tweede boek al in deze trant: 1913 – Der Sommer des Jahrhunderts was wereldwijd een enorme hit in de boekhandel. Dat verscheen in 2013, als een herinnering aan het laatste jaar voor de Eerste Wereldoorlog. Ik heb het destijds ook gelezen, en wel met veel plezier, al kan ik mijn exemplaar nu nergens meer terugvinden – enigszins freudiaans wellicht.

Want op een bepaalde manier bevalt me niet hoe Illies te werk gaat, terwijl ik zijn boeken wel met smaak lees. Dat maakt de lectuur in zekere zin tot een ‘guilty pleasure’, een schuldig genoegen. Het is een beetje als bij het lezen van de Privé in de wachtkamer van de tandarts – leuk blad met goede verhalen, denk je dan, ook als ze niet waar zijn. Maar buiten die wachtkamer wil je er niet mee gezien worden. Nou goed, deze vergelijking is misschien een beetje overspannen: ook de laatste van Illies is voorzien van een uitvoerige bibliografie, vol serieuze studies en bronnen waar zijn  anekdotes vandaan komen. 

Maar het blijven ook niet meer dan anekdotes want de schrijver ziet er verder geheel vanaf om een kader te geven voor zijn prachtige verhalen, of het jaar waarin ze spelen expliciet nader te duiden of te omschrijven. Die duiding is echter impliciet wel degelijk aanwezig. De lezer wordt uitgenodigd zich in te leven in mensen en omstandigheden die soms verrassend modern aandoen, en in een verdwenen wereld die zeker niet minder dynamisch of mondiaal-voelend was dan de onze, en – maar dat is natuurlijk vooral of onder andere het gevolg van het soort materiaal dat Illies in zijn boek heeft opgenomen – aanzienlijk sexyer, seksueler misschien zelfs wel. En over dat alles hangt de doem van de komende oorlog, die aan deze interessante, bruisende wereld een eind zal maken. Dat geeft alle verhalen een weemoedige, welhaast decadente bijklank.

Dat mag natuurlijk, zo omgaan met de geschiedenis. Ik denk ook niet dat Illies’ beeld per se verkeerd is. Maar aan de andere kant is het wel een beetje jammer om al dat materiaal gereduceerd te zien tot een soort rariteitenkabinet, een nostalgische potpourri. Het is natuurlijk enig om te lezen dat Gabrielle D’Annunzio – die in zijn leven meer dan 3000 vrouwen heeft bezeten – in Parijs een verhouding had met Markiezin Luisa Casati, de rijkste vrouw van Italië – hij kon haar geld goed gebruiken. Wie trouwens eerder dit jaar in het Rijksmuseum in Amsterdam, op de expositie High Society, het portret heeft gezien dat Giovanni Boldoni in 1908 van de markiezin gemaakt heeft, is bereid om voetstoots te geloven hoe zij in 1913 elke avond een wandelingetje rond haar hotel, de Ritz, maakte: niet in gezelschap van een greyhound (zoals op het schilderij), maar van een gedresseerde krokodil.

Enfin honderden verhalen, de een nog leuker dan de ander, al lijken die over onze landgenote Mata Hari een beetje bleekjes uitgevallen. Maar daar staat dan weer de schildering van de 50ste verjaardag van de beroemdste Duitse dichter van 1913, de thans vrijwel vergeten Richard Dhemel, tegenover. Stefan Zweig, Thomas Mann, Arthur Schnitzler, Hugo von Hoffmannstal, Henry van de Velde, Walter Rathenau – de lijst van prominenten die niet aan de feestdis wilden ontbreken neemt geen einde. 

Maar historici die proberen patronen en context te genereren zijn mij toch liever. Om enigszins te bekomen van Illies’ song and dance heb ik daarom nog Das Zeitalter der Nervosität van Joachim Radkau nog eens ingekeken, een al uit 1998 daterende studie over de uitvinding in 1880 van de Neurasthenie als ziektebeeld (door de Amerikaanse neuroloog George M. Beard) en over de manier waarop het ‘zenuwlijden’ en zenuwachtigheid in de jaren voor 1914 een belangrijke rol gaan spelen in de openbare gedachtenwisseling over het karakter van die tijd, zijn krachten en zwakten.

Het door Radkau geschetste beeld is geenszins eenduidig. De alom om zich heen grijpende nervositeit gold veelal als een zwakte, een teken van decadentie – als iets wat niet alleen genezen kan of moet worden, maar zelfs overwonnen met daadkracht of door de macht te geven aan die lieden die er geen last van hadden. In die zin kun je denken dat de nervositeit, als tijdsverschijnsel, wellicht een van de verklaringen is voor de in onze ogen onbegrijpelijke lichtvaardigheid waarmee Europeanen in 1914 tegen elkaar ten strijde trokken – als een overwinning op de onzekerheid of vermeende decadentie van het eigen tijdsgewricht, als een louterend en kracht schenkend ritueel. 

Maar niet in alle gevallen gold de nervositeit als iets louter negatiefs. Er waren er ook die dachten dat het een uiting was een nieuwe, interessantere wereld van industrie, handel en communicatie. De tijd ging steeds sneller, de opgaven aan het individu en de invloeden waaraan hij bloot stond namen steeds verder toe – logisch dat deze ontwikkelingen ook hoger eisen stelden aan de zenuwen van de mens. En dat een enkeling daarin wellicht niet kon meekomen, of zelfs een gevoel van walging of verzet voelde opkomen, tja, dat krijg je. Maar in veel gevallen wilde men, ook bij het bedwingen of juist uitleven van de zenuwen, juist een kind van zijn tijd zijn. De zenuwachtigheid was een onontkoombaar bijverschijnsel van wat we nu ‘de moderniteit’ noemen. 

Ofschoon je je natuurlijk altijd moet hoeden voor al te uitgesproken historische analogieën, valt het niet zwaar om in Radkau’s boek toch parallellen met de huidige tijd te ontdekken – niet als ijzeren sleutels op onze hedendaagse werkelijkheid, maar als stof tot overpeinzing. Per slot van rekening is mij zo’n benadering toch liever dan de Schwärmerei van Illies.

Florian Illies: 1913 – Was ich unbedingt noch erzählen wollte. S. Fischer Verlag, 2018.

Illies’ eerdere boek is vertaald als: Florian Illies, 1913, het laatste gouden jaar van de Twintigste Eeuw. (Vert. Jan Bert Kanon), Uitgeverij Atlas Contact 2013.

Joachim Radau: Das Zeitalter der Nervosität. Carl Hanser Verlag, 1998.

Afbeelding boven: het fatale huwelijk tussen Romola de Pulsky en Vaslav Nijinsky, Argentijns krantenknipsel uit 1913. Afbeeldingen onder: Giovanni Boldoni (1842-1931), La Marchesa Luisa Casati with a greyhound (1908); Duitse soldaten op weg naar het slagveld in 1914 (foto DPA) 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: