De Albanese schrijver zit in de Rostand

(9-4-2017)

Ahmet Zogu, een legeraanvoerder die zichzelf in 1928 tot Koning Zog I van Albanië had uitgeroepen, had tijd over van het regeren en derhalve ampele gelegenheid tot een verhouding, in de jaren dertig, met een sterdanseres van de Parijse Folies Bergères, de van oorsprong Russische Tanja Visjirova. Zie de oude pagina’s uit Life hierboven. Meer weet ik er niet van – alles wat je er op internet over vinden kunt, is in het Albanees, en dat ben ik niet machtig. Ik ken het verhaal uit het nieuwste boek van de Albanese schrijver Ismail Kadare, dat net in Franse vertaling is verschenen: Matinées au café Rostand.

Hij komt daar vaak, weet ik, want ik heb hem vaak zien zitten in het Café Rostand, tegenover de ingang van de Jardin du Luxembourg. Ik ben hem er zelfs wel eens een hand gaan geven, een beetje tegen mijn gewoonte in om beroemde mensen in het openbaar met rust te laten – maar ik heb hem in de loop der jaren twee keer geïnterviewd en hem leren kennen als een alleszins beminnelijke man. En natuurlijk als de auteur van een zeer omvangrijk en bewonderenswaardig, voor een groot deel uit kloeke romans bestaand oeuvre. Boeken als Nis der schande, of Stenen stad waren ook in Nederland in de jaren tachtig en negentig populair.

Ik was er niet helemaal van overtuigd dat Kadare mij herkende, toen ik hem in zijn vaste café de hand ging geven – informerend naar zijn welzijn en onder vertoon van de eerbied die wij grote schrijvers verschuldigd zijn. Hij nam mijn complimenten waardig aan, want hij weet natuurlijk wel dat hij een groot schrijver is, en sterker nog: hij is vermoedelijk de enige Albanees die de gemiddelde Westerling uit het hoofd kan noemen, de inmiddels al lang overleden koning Zog I, en de in 1985 gesneefde communistische dictator Enver Hoxha wellicht uitgezonderd. Kadare is, kun je rustig zeggen, de enige nog levende wereldberoemde Albanees. Dat blijkt echter geen eenvoudige opgave, de enige wereldberoemde nog levende Albanees zijn.

Kadare (geb. 1936) is al beroemd sinds de jaren zestig, sinds zijn eerste roman Generaal van het dode leger. Albanië was toen al meer dan 15 jaar een van de vervelendste, en meest geïsoleerde politiestaten van Europa. Kadare heeft het grote geluk gehad dat een aan de Franse uitgeverij Fayard verbonden literator met kennis van het Albanees, Jusuf Vrioni, zijn talent onderkende en begon zijn romans in Franse vertaling uit te brengen. Dat gaf Kadare een zekere bescherming, ook al omdat de dictator Hoxha zelf voor de Tweede Wereldoorlog in Parijs had gestudeerd en daardoor een zekere achting had voor de Franse cultuur. Kadare was zelfs een van de heel weinige Albanezen die heel af en toe zijn land mocht verlaten om in Frankrijk als een bewijs voor de superioriteit van de Albanese cultuur te worden geëtaleerd.

Dat nam niet weg dat Kadare – net als de rest van de bevolking van dit ongelukkige Balkan-land – regelmatig moest vrezen dat hem in de dictatuur op de een of andere manier de mond zou worden gesnoerd, omdat de dictator plotseling van humeur veranderen zou. Leven in zo’n land is een vorm van acrobatiek – balanceren tussen de luimen van de dictatuur en de, in Kadare’s geval, hoogwaardige romankunst. Hoe hij dat deed, kun je goed zien aan de in de jaren zeventig verschenen roman De schemering der steppegoden – naar mijn persoonlijke smaak zijn briljantste boek. Het gaat over de tijd, begin jaren zestig, dat dictator Hoxha nog niet gebrouilleerd was met de Sovjet-Unie en de kant van communistisch China had gekozen, en Kadare als jonge auteur een jaar had kunnen studeren aan het Moskouse Gorki-instituut, samen met andere schrijvers uit heel de communistische wereld.

Hoxha brak met Moskou omdat de destalinisatie onder Chroesjtsjov hem niet beviel – aan de harde hand waarmee de klassenstrijd in de Albanese bergen gevoerd werd, mocht immers niet getornd worden. Net als Mao bleef Hoxha trouw aan het stalinistisch ‘model’ en de Sovjet-Unie was van de ene op de andere dag een land waar het ware socialisme door een groepje slappe reformisten werd verraden. De schemering der steppegoden is geconcipieerd op een manier die deze visie – in de ogen van de dictator – ondersteunde. Maar tegelijkertijd is het een geweldig boek, dat laat zien hoe in de Sovjet-Unie en onder de studenten van het Gorki-instituut inderdaad een cynisch ongeloof in de beweerde zegeningen van het socialisme troef was – een monument voor de halfhartige geestelijke toestand van defaitisme, die toen in heel door de communisten beheerst Oost-Europa al was ingetreden.

Ofschoon de meeste enthousiaste lezers in het Westen dat niet hebben gemerkt, zijn de meeste romans van Kadare zó geschreven, dat ze in schijn de thesen van de dictator, die door de jaren heen nogal eens veranderden, leken te ondersteunen – de in de Ottomaanse tijd spelende boeken geven in hun subtekst dan een flatterend beeld van de actuele partijlijn, of beelden juist de klassenvijand als beesten af. Kadare’s genie bestaat er voor een belangrijk deel in, dat het toch prachtige – zij het enigszins traditionele – romans zijn. Wat natuurlijk ook hielp, was dat Kadare een vurig Albanees nationalist was (en is), die de stelling huldigt dat de Albanezen, als afstammelingen van het mythische volk der Illyriërs, de oudste bewoners van de Balkan zijn. Met alle superioriteits-aanspraken van dien, die door de omringende Balkan-volkeren, ten prooi aan hun eigen filosofie van superioriteit, onbegrijpelijkerwijs niet worden gehonoreerd. 

Een en ander betekende echter niet, dat Kadare’s positie onder Hoxha comfortabel en veilig was. Hem viel zelfs enkele jaren verbanning uit de hoofdstad Tirana ten deel. In 1985 stierf Enver Hoxha, en in landen als het communistisch Albanië of het hedendaagse Noord-Korea is dat een angstig gegeven, want je weet niet wat het resultaat zal zijn van de machtsstrijd aan de top. Het viel ook niet mee: net als Mao in China liet Hoxha een machtige, bloeddorstige weduwe na, die terzijde werd gestaan door een uit de geheime dienst omhoog gekomen nieuwe dictator, Ramiz Alia. Beiden waren vastbesloten met alle mogelijke middelen de bestaande verhoudingen in Albanië te continueren. Een eind was niet in zicht.

Net als de rest van Albanië had Kadare, als vooraanstaande en onafhankelijke geest die bovendien bewonderaars had in het milieu van de klassenvijand in het Westen, goede redenen om voor zijn leven te vrezen. En toen hij in 1989 een van zijn zeldzame bezoeken aan Frankrijk mocht brengen, heeft hij er politiek asiel aangevraagd en gekregen. Hij kreeg zelfs een huis, aan de Boulevard Saint-Michel, om de hoek bij dat Café Rostand. Het moment bleek echter slecht gekozen – een paar maanden later viel in Tirana de dictatuur, als uitvloeisel van de omwenteling in heel Oost-Europa van die jaren. Als Kadare nog een paar maanden gewacht had, was hij vermoedelijk een van de leidslieden van de democratische omwenteling geweest, een baken in het zwaar gedemoraliseerde Albanië, waar met de staat in de jaren negentig ook de economie instortte.

Maar omdat hij in de uren des gevaars de benen had genomen, konden zijn rivalen en vijanden hem nu vrij gemakkelijk neerzetten als een lieveling van het oude regime met een bevoorrechte positie, die dan ook nog de wijk had genomen toen het hem te heet werd onder de voeten. Kadare heeft in de jaren negentig wel vier autobiografische boeken geschreven om uit te leggen dat hij geen collaborateur van het oude regime geweest was, maar slachtoffer, net als iedereen. Hij heeft ook geprobeerd zich als een vurig patriot in de markt te zetten, die de Groot-Albanese gedachte verkondigde (bijvoorbeeld ten tijde van de Kosovo-crisis) en luid protesteerde als in films of in de pers naar zijn mening laatdunkend werd gedaan over de Albanezen. Maar het hielp niet – de Albanese intellectuele en politieke elite van nu in Tirana bestaat natuurlijk geheel uit mensen die zich vroeger met de dictatuur hebben geaccomodeerd – dat kon ook niet anders, als je wilde overleven. Maar niemand wil dat nu meer van zichzelf weten, en Kadare is een handig zwart schaap: de bevoorrechte, die de benen heeft genomen. De meest beroemde Albanees ter wereld speelt in Albanië nauwelijks een rol van betekenis.

Matinées au café Rostand is – het spijt me – niet zo’n heel goed boek. Het bestaat uit soms rommelige, of voor niet-Albanezen onduidelijke beschouwingen over het heden en verleden van de auteur en Albanië. Veel van stukken zijn al wat ouder, en soms eerder gepubliceerd in Albanese tijdschriften. Eén anekdote heeft me echter zeer getroffen – naast het verhaal van Koning Zog en zijn favoriete naaktdanseres dan. Kadare gold vele jaren als een van de meest kansrijke kandidaten voor de Nobelprijs voor de literatuur. In zijn jongste boek vertelt hij hoe hij in Parijs een ontmoeting heeft met de Franse schrijver Patrick Modiano, een notoir teruggetrokken man met een ontzagwekkend oeuvre. Bij die ontmoeting, schrijft Kadare, hebben ze elkaar beloofd dat ze de Nobelprijs zullen winnen. Modiano heeft hem, nogal onverwacht, gehad. Kadare wacht. Bij mijn jongste bezoek aan Parijs zat hij niet op zijn vaste plek in de Rostand. Ik hoop maar niet dat het te laat is.

Ismail Kadare. Matinées au café Rostand. Fayard 2017.

Afbeeldingen. Boven pagina’s uit Life in de jaren dertig. Onder Kadare voor de Albanese adelaar. 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: