Week van mythe en waarheid

Misschien was dit voor velen wel de week van de waarheid. Nooit eerder heb ik zoveel mensen in mijn omgeving horen zeggen dat het met de wereld definitief de verkeerde kant op gaat. De voornaamste schuldige daarbij is, net als in 2025, de Amerikaanse president Donald Trump. Elke keer denk je: gekker en gevaarlijker dan nu dan nu kan het niet worden. Maar dan opeens staat hij grijnzend en gelukkig als een kind op de foto met een medaille voor een Nobel-prijs die hem niet toekomt, of kondigt hij aan desnoods met militaire middelen Groenland te willen veroveren, terwijl de vreemdelingenpolitie ICE als een soort SA de straten van Minneapolis onveilig maakt en af en toe een tegenstander neerschiet. De reeks aanslagen op de Amerikaanse beschaving en de internationale rechtsorde is zonder einde.

Het is allemaal zó veel, dat ik er tegen het einde van deze week een zekere immuniteit tegen had ontwikkeld. Aan het begin van de week was dat anders, al kwam dat vermoedelijk ook omdat ik nu net in deze dagen was begonnen aan de nieuwste roman van de Britse schrijver Ian McEwan: ‘What we can know’. Die roman begint als een dystopie: in de wereld van 2119 zijn alle somberste voorspellingen uitgekomen. Er zijn kernoorlogen geweest, de stijging van de zeespiegel en door de mens veroorzaakte tsunami’s hebben van Groot-Brittannië een eilandenrijk gemaakt, Nigeria is een grootmacht terwijl op de aardbol altijd wel ergens een oorlog woedt, de wereldbevolking is met de helft geslonken.

Van de welvaart zoals die een eeuw eerder bestond is weinig over. Brood en proteïnecake bepalen het povere menu. Smartphones behoren tot het verleden, maar kunstmatige intelligentie bestaat nog – al is de toegang tot de daarvoor benodigde databanken – onmisbaar hulpmiddel hij de oplossing van alle, ook de meest intieme vragen – gerantsoeneerd. Hoofdpersoon – althans aan het begin van het boek – is een literatuurwetenschapper die op zoek is naar een verloren gegane gedichtencyclus van een zekere Francis Blundy, ‘A corona for Vivien’, aan het begin van de 21ste eeuw geschreven voor de 54-ste verjaardag van zijn echtgenote en naar verluidt hoogtepunt in zijn werk. Het verloren gegane manuscript zou ook een profetische waarschuwing hebben bevat voor de rampen die in de eeuw erna de mensheid zouden treffen.

De werkelijkheid – die in de roman dan – blijkt aanzienlijk banaler. De kracht van het boek is wat mij betreft vooral dat het weliswaar een dystopische roman lijkt, maar toch vooral een schildering van ons huidige tijdperk is, vanuit een imaginair standpunt in de toekomst. En zoals de boektitel al aangeeft, gaat het er dan vooral om wat we kunnen weten van het verleden.

McEwan raakt aan een kennistheoretisch probleem waarover ik ook wel eens heb nagedacht: wat zijn de effecten van de wonderbare vermenigvuldiging van gegevens die het gevolg is van digitalisering? Wie pakweg tien jaar geleden een biografie van iemand wilde schrijven, moest het doen met papieren archieven, publicaties en brieven en andere persoonlijke papieren, voor zover die bewaard waren gebleven en niet – zoals zo vaak – waren vernietigd door de betrokkene of diens nazaten. Eventueel waren al die documenten gedigitaliseerd.

In het digitale tijdperk echter, zo wordt ons voorgehouden, gaat niets verloren. Dit blogje is daarvan een bescheiden voorbeeld. De Nederlandse KB heeft – tot mijn vreugde – laten weten mijn schrijfsels hier te archiveren. Maar er is meer: ik zet dit blog meestal in de nacht van zaterdag op zondag op WordPress en binnen enkele minuten zijn er dan zeven of acht hits in de Verenigde Staten. Aangezien het me weinig waarschijnlijk lijkt dat in de VS trouwe lezers klaar zitten om zo snel mogelijk kennis te nemen van wat ik nu weer heb geschreven, moet ik aannemen dat het hier om databanken gaat die mijn stukjes op de een of andere manier in hun geheugen zetten.

Maar het digitale geheugen zorgt er ook voor dat allerlei andere, niet voor publicatie bestemde uitingen voor eeuwig bewaard blijven. Onlangs zocht ik in oude emails naar een wisseling van berichten met een inmiddels overleden literair auteur en stuitte toen geheel per ongeluk op zeer persoonlijke mails van iemand die jaren geleden mij zijn inmiddels volkomen achterhaalde zielenroerselen had toevertrouwd. Die mails had ik trouwens in een verkeerd mapje gezet. En dan gaat het hier nog om de archieven van een van de twee mailadressen waarop ik nog steeds mijn zaken afhandel. Hoeveel persoonlijks is er bewaard in het mailsysteem van de krant, waartoe ik vanaf de dag van mijn pensioen geen toegang meer heb?

Het probleem van overdaad aan gegevens – meestal onbenullig en betekenisloos natuurlijk – speelt niet uitsluitend ten aanzien van personen. In de geschiedwetenschap is sinds een aantal decennia ‘mentaliteitsgeschiedenis’ in zwang – ik heb in dit blog bijvoorbeeld wel eens aandacht besteed aan (Franse) studies over onderwerpen als de gevoelens van omstanders bij een executie, of vrouwen in de eerste huwelijksnacht, beide in de negentiende eeuw. Ook dit soort studies berusten in zekere zin op een prettige schaarste aan bronnen: hoeveel publicaties en collecties er ook inmiddels gedigitaliseerd mogen zijn, een relevante bron vinden voor zulke onderwerpen blijft zoeken naar een speld in een hooiberg en des te leuker als je wat vindt.

Maar wat als in de toekomst het aantal gegevens dat voor historisch onderzoek moet worden doorgenomen schier oneindig zal zijn, omdat iedereen iedereen de hele dag mailt of appt? Is het dan nog mogelijk onderzoekshypotheses te formuleren en relevante conclusies te trekken? Je zou natuurlijk kunnen opperen dat AI daar nu juist goed in is: orde brengen in enorme hoeveelheden gegevens. Maar geschiedbeoefening zoals we die nu kennen gaat uit van wat wel ‘het eeuwigdurende debat’ is genoemd: onze kijk op fenomenen in het verleden verandert voortdurend, in functie van onze preoccupaties in het heden. Is AI daartoe ook in staat? Of ontwikkelt geschiedbeoefening zich tot een soort exacte wetenschap met onomstotelijke uitkomsten? Sommige historici wilden dat bereiken toen ik in de jaren zeventig van de vorige eeuw studeerde – geen essays meer maar harde feiten, liefst met cijfers. Inmiddels lijkt dat een gelukkig uitgestorven benadering – een beschaving kan niet zonder een aarzelende verwerking van haar verleden.

Zo geeft ‘What we can know’ ruimschoots stof tot overdenking, al blijken in de roman de profetische gaven van de dichter en zijn verdwenen manuscript niets meer dan een mythe in een zee van banaliteit. Blijft natuurlijk de vraag wat meer in het algemeen de plaats is van de intellectueel in de bedreigende gekte die zich aan het begin van 2026 van de wereld meester lijkt te maken, en die het eind zou kunnen betekenen van wat wij voor beschaving hielden.

Persoonlijk heb ik veel baat bij mijn abonnement op ‘Le grand continent’, een Franse, door Giuliano da Empoli opgerichte ‘thinktank’ die het hedendaagse fascisme, of hoe je de ideologische modes van nu wilt noemen, in kaart poogt te brengen. Met veel plezier las ik op die site bijvoorbeeld een interview met de psycho-analytica Élisabeth Roudinesco over die foto waarop je Trump, als een kind zo blij, ziet staan met de in goud ingelijste medaille van de Nobelprijs voor de vrede, die hij bezit maar niet gekregen heeft. Trump denkt dat hij hem wel echt gekregen heeft – als elke autoritaire heerser leeft hij in zijn zelfontworpen mythe, denkt Roudinesco. Daarom is hij ook zo gevaarlijk.

Ian McEwan: What we can know. Jonathan Cape 2025.
Ook in Nederlandse vertaling (van Harm Damsma en Niek Miedema: Wat we kunnen weten. Uitgeverij De Harmonie 2025.

‘Le grand continent’ is te vinden op https://legrandcontinent.eu/fr/

Plaats een reactie

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑