
Op een hoekje van de Arc de Triomphe in Parijs – een monument voor de uit naam van de Franse revolutie gewonnen veldslagen – staat: Alkmaer. Maar weinig Nederlanders weten vermoedelijk waar dat op slaat: niet op iets wat in Alkmaar zelf gebeurd is, maar in de buurt, in 1799. Het gaat om een episode die meestal de ‘Slag bij Castricum’ genoemd wordt, maar die je ook ‘de Slag bij Bergen’ zou kunnen noemen, want daar verloren honderden Russische kozakken het leven. Ze waren – tegen betaling overigens – aangeleverd door de Russische tsaar ter ondersteuning van de invasie van voornamelijk Britse troepen die zich ten doel stelden een eind te maken aan de in 1795 uitgeroepen Bataafse Republiek, de eerste Nederlandse eenheidsstaat, en de verdreven stadhouder Willem V weer aan de macht te helpen – een heuse contra-revolutie dus.
Deze episode is – net als veel andere uit de periode tussen de Bataafse revolutie van 1795 en de stichting in 1813 van het Koninkrijk der Nederlanden waarin wij nog altijd leven – grotendeels uit beeld geraakt. Zoals de historicus Joost Rosendaal opmerkt in zijn grensverleggende studie ‘Het Oranjecomplot’ heeft het er soms de schijn van dat nog slechts regionale historici zich interesseren voor de gebeurtenissen in 1799, die internationaal voornamelijk bekend staan als een episode uit de talrijke ‘Coalitie-oorlogen’ die onder Engelse leiding werden gevoerd tegen het revolutionaire- en later Napoleontische Frankrijk.
Rosendaal laat in zijn boek – ondertitel: De strijd om Nederland in 1799 – echter overtuigend zien dat het er wel degelijk om ging de ‘oude orde’ van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden te herstellen of deze eventueel door een nieuwe versie van de Unie van Utrecht wat te hervormen – zolang Oranje maar aan de macht zou zijn. Waarom aan de gebeurtenissen van 1799 vanaf de twintigste eeuw nog maar zo weinig aandacht is besteed, laat zich raden: de beoogde contra-revolutie werd een cuisante mislukking, die bovendien de erfprins Willem Frederik, die op het slagveld in Noord-Holland strijd geleverd had, ertoe bracht de ambities van zijn familie in de Nederlanden aan de wilgen te hangen. Toen in 1813 de geschiedenis een geheel andere wending nam, en hem als koning Willem I de kroon van het kersverse Koninkrijk werd aangeboden, was de animo om herinneringen op te halen aan de vernedering van 1799 uiterst gering.
Rosendaal, bijzonder hoogleraar aan de Radboud Universiteit te Nijmegen, is zonder twijfel de juiste historicus om het beeld over 1799 te corrigeren. Eerder al schreef hij voortreffelijke boeken over het ‘Bataafse experiment’, de Bataafse (en Patriotische) beweging in het algemeen en de Staatsregeling van 1798, de eerste democratische Nederlandse grondwet. Die boeken vormen een bijdrage aan de strijd tegen de collectieve amnesie die lang heeft bestaan rond de periode 1781-1813, die soms doet denken aan een burgeroorlog en rijk is aan gebeurtenissen waaraan later niet zonder schaamte kon worden teruggedacht, vooral na de opkomst van het moderne nationalisme in de negentiende eeuw.
Neem de onderdrukking door Pruisische troepen van de Patriotse democraten in 1787, leidend tot een massale emigratie, op uitnodiging van de Pruisische gade van stadhouder Willem V. Of de smadelijke vlucht van de stadhouder zelf naar Engeland in 1795, terwijl het volk in de steden om de Vrijheidsboom danste. Of het gemak waarmee Napoleon eerst in 1806 zijn broer Lodewijk kon aanstellen tot koning van Holland, om enkele jaren later heel Nederland in te lijven bij het Franse Keizerrijk. In dat rijtje onverkwikkelijke gebeurtenissen past dus ook het jaar 1799, waarop we nu dankzij Rosendaal een nieuwe kijk hebben. (Tekst gaat door onder afbeelding)

Want 1799 behelsde veel meer dan die invasie in Noord-Holland waaraan – eerste tegenslag – de Pruisische koning geen medewerking had willen verlenen. Pruisen stond weliswaar op goede voet met de stadhouder en was hem in 1787 dus zelfs met troepen te hulp gekomen, maar er was in 1799 een kans op een langdurige vrede – of althans wapenstilstand – met Frankrijk en dat was een kans die de Pruisische koning zich niet wilde laten ontgaan. Bovendien was Oostenrijk, rivaal van Pruisen binnen de wereld van het Heilige Roomse Rijk, wél met oorlog met Frankrijk en de Pruissen dachten daarmee op den duur garen te kunnen spinnen.
De strijd om Nederland vond overigens niet alleen in Noord-Holland plaats. Er was ook een invasiemacht die vanuit de Duitse landen de Republiek binnentrok, en er in slaagde om in plaatsen als Westervoort, Enschede, Rheden, Groenlo, Almelo, Hengelo en Winterswijk voor kortere tijd ‘de wet te verzetten’, zoals dat vroeger in de Republiek heette: de Bataafse bestuurders werden afgezet ten behoeve van een terugkeer van de oude, Oranje-gezinde elite of, als dat niet mogelijk was, gedwongen symbolisch te breken met de Bataafse omwenteling. Dan moest de in 1795 geplante Vrijheidsboom worden omgehakt en liefst verbrand, en van de kerktoren of/en het raadhuis een oranje- of prinsenvlag worden uitgestoken.
Het ‘complot’ uit de boektitel bestond erin dat gezanten van de Oranje-partij al voor de invasie hadden onderzocht welke leden van de plaatselijke elites te vinden zou zijn voor het overnemen van het gezag in een plaats en er op verschillende plaatsen ook lieden waren die van de ophanden invasie op de hoogte waren. Gezanten van de Oranje-partij kwamen ver, tot in het Land van Maas en Waal. Maar Den Haag – het politieke zenuwcentrum van de oude Republiek – bleef onbereikbaar. De omwenteling in de steden bleek van korte duur: de Oranje-partij beschikte niet over voldoende troepen om veel territorium te controleren en het hoofd te bieden aan de Bataafse Gewapende Burgerwacht en de in de Bataafse Republiek gelegerde Franse troepen.
De contrarevolutionairen waren er bovendien van uitgegaan dat de nieuwe omwenteling kon rekenen op brede steun in de bevolking en talrijke overlopers, al was het maar omdat er in brede kring bezorgdheid bestond over mogelijke invoering van dienstplicht, en onvrede over de slechte economische omstandigheden. Maar van zulke actieve steun was nauwelijks sprake, ook later niet toen in Noord-Holland steden werden gedwongen zich voor de contra-revolutie uit te spreken.
Met vaak verbluffende gedetailleerdheid weet Rosendaal de gang van zaken in steden te beschrijven. De situatie is van plaats tot plaats anders – een algemeen patroon valt moeilijk te ontdekken. Je zou misschien verwachten dat katholieken en doopsgezinden, die in de oude Republiek politiek rechteloos waren geweest maar in de Bataafse Republiek vrijelijk hun godsdienst konden belijden en in stadsbesturen en vertegenwoordigende lichamen zitting konden nemen, vierkant stelling zouden nemen tegen de Orangistische contrarevolutie. Maar dat was lang niet altijd het geval – menige pastoor bijvoorbeeld zag het Bataafs bewind als een uitvloeisel van de goddeloosheid die van het revolutionaire Parijs bezit had genomen.
Omgekeerd was lang niet iedereen binnen de Nederduits Gereformeerde kerk – binnen de oude Republiek de enig volwaardig toegelaten confessie – even gecharmeerd van een eventueel herstel van de oude trits God-Nederland-Oranje. Er waren (net als later in de negentiende eeuw) zeker dominees en gemeenteleden die verlangden naar een herstel van het oude, calvinistische monopolie in staatszaken. Maar andere gemeenten konden zich wel vinden in de meer religieus-tolerante sfeer van de Bataafse Republiek. Opvallend is de grote rol die in de Bataafse stadsbesturen werd gespeeld door Doopsgezinden. Aan de Orangistische kant bevonden zich nogal wat proletariërs die – net zoals dat vaak was geweest in de oude Republiek en in het Koninkrijk van de negentiende eeuw weer zou zijn – in Oranje een strijdmiddel tegen de regenteske ‘hoge heren’ zagen. In deze kring ging er tijdens de verschillende stadia van de omwenteling ook nogal wat jenever doorheen – met voorspelbare gevolgen. (Tekst gaat door onder de afbeelding)

Rosendaal doet uitvoerig verslag van de militaire verwikkelingen in Noord-Holland die voor hedendaagse begrippen zeer bloederig zijn: ongeveer een kwart van de invasiemacht van meer dan 40.000 man ligt in de Noord-Hollandse grond begraven, waaronder enkele duizenden Russische kozakken waarvoor in 1901 in Bergen een monument is opgericht. De veldtocht begon voor de invasiemacht veelbelovend, dankzij verraad bij de Bataafse vloot bij Den Helder. Maar daarna was de opmars een moeizame zaak, onder andere door het slimme gebruik van de verdedigers om polders te laten onderlopen, zodat het Noordzee-strand een van de weinige plaatsen was van waaruit je zuidwaarts kon optrekken. Amsterdam werd evenmin bereikt als Den Haag.
Net als in het oosten des lands werd ook in Westfriese plaatsen als Alkmaar, Medemblik, Enkhuizen, Hoorn en De Rijp kortstondig de wet verzet, onder meer of minder enthousiasme van de lokale bevolking en bestuurlijke elite. Om Amsterdam af te knijpen en de controle over de Zuiderzee te krijgen, breidden de invasoren hun acties ook uit naar Friese steden als Harlingen en Stavoren – met name in Lemmer kreeg de bevolking het door de oorlogshandelingen zwaar te verduren. Hier waren vooral de Engelsen actief. Het lijkt soms alsof de door de stadhouder ingebrachte manschappen nauwelijks een rol speelden en van de leiderschapskwaliteiten van erfprins Willem Frederik, die in tegenstelling tot zijn vader deelnam aan de invasie, hadden de Britten een lage dunk.
Het waren ook de Engelsen die bij het intreden van de herfst tot de conclusie kwamen dat de zaak verloren was en besloten dat het tijd werd Nederland te verlaten. De Bataafse generaal Herman Willem Daendels (1762-1818), stellig een van de meest intrigerende Nederlanders uit de vaderlandse geschiedenis, en zijn superieur, de Franse generaal Guillaume Marie Anne Brune (1763-1815) konden zich overwinnaars noemen – de laatste werd daarvoor drie dagen achtereen in Amsterdam gehuldigd. Op 19 december was er in heel de Republiek een feestdag in verband met de afgeslagen aanval op de Bataafse Republiek.
‘Het Oranjecomplot’ staat vol boeiende details. Het gespierde jargon bijvoorbeeld, waarin politieke tegenstanders elkaar verwensingen toevoegden. Of de aan de Orangistische kant gesmede plannen om, nu men toch bezig was de oude orde te herstellen, meteen maar door te pakken en de in de loop van de Opstand tegen Spanje uit elkaar gedreven zeventien Nederlanden uit de tijd van Karel V weer in één staat te herenigen – een plan dat mede was ingegeven door een boerenopstand tegen de Fransen in de zuidelijke Nederlanden maar op weinig enthousiasme onder de katholieke clerus kon rekenen. Of het plan om voor de ‘nieuwe’ versie van de oude Republiek terug te grijpen op de Pacificatie van Gent uit 1567.
Met stijgende verbazing neem je als lezer ook kennis van de verwikkelingen op Ameland, dat – wist ik niet – vóór 1795 niet tot de oude Republiek had behoord maar tot het Heilige Roomse Rijk en eigendom van de Oranjes was geweest. Het verzetten van de wet op het eiland was een gecompliceerde zaak, onder andere door de gecompliceerde bevolkingssamenstelling: behalve calvinisten ook katholieken en twee verschillende soorten doopsgezinden, elk met eigen buurtschappen. Omdat Ameland een eiland was, kwam men er pas met grote vertraging achter dat de oorlog voorbij en de Bataafse orde hersteld was, zodat de vrijheidsboom derhalve weer in ere kon worden hersteld.
Joost Rosendaal: Het Oranjecomplot. De strijd on Nederland in 1799. Boom 2025
Afbeeldingen: 1. Engelse troepen in de Langestraat te Alkmaar op 3 oktober 1799. Op de Grote Sint-Laurenskerk is de Oranje-vlag gehesen, terwijl Oranje-klanten bezig zijn met het omhakken van de Vrijheidsboom die het symbool was van de Bataafse omwenteling van 1795. (Tekening van A. Stroo, Collectie Regionaal Archief Alkmaar); 2. Detail van de Arc de Triomphe in Parijs; 3. De slag bij Bergen op 19 september 1799. Gezicht op het slagveld in het centrum van Bergen. Links Franse huzaren te paard, rechts Frans-Bataafse infanterie. In het midden Britse en Russische troepen voor de Ruïnekerk. Rechts de herberg ‘de Jager’. (Prent uit 1799 door Pieter Gerardus van Os (1776-1839) (Rijksmuseum Amsterdam); 4. Prentbriefkaart van het 1901 te Bergen vanwege de Russische staat opgerichte monument voor de aldaar op 19-9-1799 gesneuvelde Russische kozakken. Omdat het monument, zoals vaker bij dit soort gedenktekens, geacht wordt op Russische grond te staan, hebben enkele Bergenaren op deze plek een protestbetoging gehouden na de Russische aanval op Oekraïne in februari 2022. (Editeur J.H. Schaefer. Nr. Be.20.)


Plaats een reactie