Sarajevo als voorbeeld voor Den Haag

‘Benoemen’ is het codewoord waarmee extreemrechtse politici die in Den Haag nu de dienst proberen uit te maken, zichzelf bevrijden van kwellende fatsoensnormen en weer eens lekker te keer gaan tegen bevolkingsgroepen die geschikt zijn als zondebok. Met wat een zucht van opluchting lijkt, schuiven zij voorzichtigheid en terughoudendheid aan de kant, om eens lekker uit te halen over wat er naar hun idee zoal opgeslagen ligt in het dna van groepen medeburgers. ‘De remmen zijn los’, zoals Rosanne Hertzberger, een van de Kamerleden van NSC die er deze week de brui aan gaf, terecht gezegd heeft. De vier partijen die het huidige kabinet steunen, gaan echter door – het politieke probleem, voor zover ze dat zien, vernauwend tot de vraag of er wel of niet discriminerende dingen in de ministerraad zijn gezegd. Zij laten niet los en terecht, vanuit hun standpunt: groepen medeburgers tegen elkaar opzetten is een politiek verdienmodel.

Waar hebben we dat nog meer gezien in de recente geschiedenis? Een van de beste, zo niet dé beste documentaire op het thans in Amsterdam lopende IDFA, het internationale festival voor documentaires, laat dat zien: ‘Home game’ van Lidija Zelović. De film is het autobiografische verhaal van een vrouw die op 22-jarige leeftijd uit de Joegoslavische stad Sarajevo in Nederland in ballingschap belandde. Later voegden haar ouders zich bij haar. ‘Home game’ is een zeer intieme en bij tijd en wijle zeer geestige film, over de vele paradoxen en problemen van iemand die door een zowel gelukkig als ongelukkig toeval haar land moet opgeven en aarden in een nieuw land.

Maar onder alle humor schuilt ook een grote angst: dat het hier in Nederland dezelfde kant opgaat als begin jaren negentig in Joegoslavië. Voor de gemiddelde Nederlander lijkt dat misschien een lichtelijk buitenissig perspectief, maar door de toevallige omstandigheid dat ik als journalist de Joegoslavische oorlogen van de jaren negentig heb meegemaakt, kan ik me daar zeer goed in verplaatsen. Joegoslavië was een multinationale staat met grote regionale verschillen in welvaart, mentaliteit en soms ook taal, waarin niettemin de verschillende naties over het algemeen vredig met elkaar en door elkaar heen leefden. Zelović was als kind in het geheel niet bezig met de vraag of zij nu Kroaat of Servische of wat dan ook was – en hetzelfde gold trouwens voor heel veel Joegoslaven, vooral in steden als Sarajevo. Voor haar, en eigenlijk voor de meeste Joegoslaven, vooral ook degenen die onder ons in Nederland leven, was de oorlog een volstrekte verrassing – een even wrede als redeloze ontwikkeling.

In de naoorlogse ‘Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië’ van Josip Broz Tito was groepsnationalisme een bij tijd en wijle zwaar bestraft vergrijp: de vriendschap der volkeren binnen één staat was de norm. Daar waren ook goede gronden voor: nationalisten van velerlei slag hadden in Joegoslavië – een door de overwinnaars van de Eerste wereldoorlog uit delen van het Habsburgse- en Ottomaanse rijk samengestelde staat – de context van de Tweede wereldoorlog benut om elkaar op grote schaal uit te moorden en in kampen op te sluiten. Maar Tito stierf in 1980 en al spoedig daarna kwamen er politici naar voren die dachten politiek garen te kunnen spinnen bij het oprakelen van nationalistische trauma’s. Een van de eersten was Slobodan Milosević, die de Serviërs in de provincie Kosovo ophitste met een gedachte die tegenwoordig in Den Haag ‘omvolking’ heet: dat zij numeriek bedreigd werden door de Albanese bevolking die hen uit hun historische woonplaats zou verdrijven.

Maar al spoedig waren er in meer hoofdsteden van de Joegoslavische deelrepublieken politici van allerlei ethnische achtergronden die de nationalistische kaart speelden, en dreigende taal uitten naar minderheden binnen hun eigen deelrepubliek. De in Nederland veel geciteerde opmerkingen over opvattingen en kenmerken die bij anderen endemisch zouden zijn, hadden in dat discours moeiteloos gepast: Serviërs zijn zus, Kroaten zo, Bosnische moslims enzovoorts. Na een jaar oorlog in Slovenië en Kroatië kwam Bosnië-Herzegovina aan de beurt, waar voornamelijk Serviërs, Kroaten en mensen met een moslim-achtergrond op vrijwel onontwarbare wijze door elkaar woonden. Iedereen in Joegoslavië wist dat een poging om in Bosnië-Herzogovina tegen de zin van een van deze groepen de onafhankelijkheid uit te roepen, tot een bloedbad zou leiden. Maar toch gebeurde dat, met de bekende gevolgen, waaronder vier jaar beleg van Sarajevo en moordpartijen als bij Srebrenica.

De vergelijking tussen Sarajevo 1992 en Nederland nu zoals Lidija Zelović die maakt, gaat in veel opzichten mank. Er is nogal een verschil tussen een betrekkelijk onderontwikkelde bergstaat met sterk gewelddadige tradities (die overigens konden samengaan met een alledaagse vreedzame coëxistentie en een beleving van wat we nu ‘diversiteit’ zouden noemen) en een economisch hoog-ontwikkeld land met democratische tradities. Maar er is helaas dus ook die overeenkomst: de groeiende rol van politici die het pacificeren van potentiële conflicten in de samenleving zien als een manifestatie van lafheid en die ageren tegen de onderdrukking van ‘gezonde’ gevoelens van afkeer en haat. En dit alles ten eigen bate: je kunt er de grootste partij mee worden.

In ‘Home game’ herleidt de filmmaakster het begin van haar angst, dat het in een ander land nóg eens gaat gebeuren, tot de opkomst van Pim Fortuyn, begin 2002. Ook daarin kan ik de filmmaakster goed volgen: zelf heb ik in Fortuyn nooit iets anders gezien dan een wat aanstellerige, en bij tijd en wijle zelfs hysterische man met een goed gevoel voor het ‘Volksempfinden’. En ik kon het misschien weten, want ik had als politiek redacteur van NRC Handelsblad met hem te maken en had ook al die merkwaardige boeken van hem gelezen. Enfin – slechte herinneringen, en tegelijkertijd ook interessant natuurlijk.

Ik dacht in 2002 al dat Joegoslavische toestanden misschien niet zo ver van ons in Nederland aflagen als ik in de jaren negentig nog had gedacht. Maar dat ze zo dichtbij zouden komen als nu, in 2024, had ik niet kunnen vermoeden. Er was de spiegel van een Bosnische vluchteling/medeburger in Amsterdam voor nodig, me dat te laten inzien.

Afbeeldingen: 1. Vrouw met boodschappen in het centrum van Sarajevo trekt sprintje om buiten het zicht van snipers te komen. (AP, Michael Stravato); 2. Still uit ‘Home game’ (Conijn Film).

Plaats een reactie

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑