
Toen ik klein was, in de jaren vijftig, waren er wel eens mensen die, staande voor een abstract schilderij, van Karel Appel bijvoorbeeld, zeiden: dat kan mijn kleine broertje ook. Dat was, en is niet waar natuurlijk: inderdaad kan iedereen met verf naar een doek smijten, maar kunst, in de zin van de juiste snaar raken, is iets anders. Toch schuilt er iets verleidelijks in de gedachte dat het maar weinig had gescheeld, of je had net zo geniaal kunnen zijn als Appel, of net zo’n beroemde fotograaf als Ed van der Elsken, van wie hierboven een duidelijk niet in scene gezette, eerder slordige foto is afgebeeld die niettemin misschien wel een van zijn beroemdste is – daarover later meer.
Maar wat ik me nog niet had gerealiseerd had, totdat ik ‘La désinvolture est une bien belle chose’ van Philippe Jaenada las, is dat je met zo’n zelfde nonchalance ook een fantastisch boek kunt schrijven. De titel is wat dat betreft een programma: ‘désinvolture’ betekent zoiets als achteloosheid, lichtzinnigheid, nonchalance. Het is niet dat Jaenada er bewust op uit is om de taal, of de litteraire conventies op zijn kop te zetten, zoals eerder de opzet was bij de ‘écriture automatique’ van de surrealisten of de ‘nouveau roman’. Stilistisch is de auteur eerder een laagvlieger – opvallend in de tekst is het grote aantal overwegingen en opmerkingen dat tussen haakjes is geplaatst, en daarbinnen zelfs nog bij-overwegingen die weer apart binnen haakjes staan. En toch heb ik het boek met rode oortjes in ijltempo uitgelezen, bijna 500 pagina’s nota bene.
Uitgangspunt is een groep jonge Fransen die in het begin van de jaren vijftig rondhingen in de Parijse wijk Saint-Germain-des-Prés, en die Jaenada ‘les Moineaux’ noemt omdat ze vaak te vinden waren in het café ‘Chez Moineau’ , 22 Rue du Four (nu verdwenen), omdat je daar goedkoop kon eten, couscous met name. Deze informele groep is vereeuwigd door de destijds nog in het geheel niet beroemde Nederlandse fotograaf Ed van der Elsken (1925-1990), in een fotoboek waarvoor je nu antiquarisch honderden euros moet neertellen: ‘Love on the left bank’ (in het Nederlands ook bekend als ‘Een liefdesgeschiedenis in Saint-Germain-des-Prés’). Van der Elskens foto’s van een bohémien-achtig milieu waarin hij tussen 1950 en 1954 zelf vertoefde, hebben de vorm van een soort fotoroman, waarin een hoofdrol wordt gespeeld door Vali Myers (1930-2003), een van oorsprong Australische, flamboyante kunstenares en danseres.
Myers is echter niet degene uit de groep voor wie Jaenada zich in het bijzonder interesseert. Het gaat hem vooral om Jacqueline Harispe, bijgenaamd Kaki, op de foto van Van der Elsken de tweede van links aan tafel in Chez Moineau. Op 20-jarige leeftijd, op 28 november 1953 heeft Kaki zelfmoord gepleegd door zich uit een hotelraam te gooien. Haar minnaar, een Amerikaanse GI die na de bevrijding in Parijs was blijven hangen, wist haar nog bij haar slipje vast te pakken, maar dat scheurde. Bij de aanvang van het boek weet Jaenada niet veel meer over Kaki dan dat zij in de winter van 1952 mannequin bij Dior was geweest. (Tekst gaat door onder de afbeelding).

Bij Saint-Germain-des-Prés in de jaren vijftig denk je nu vooral aan de existentialisten, Juliette Gréco, Les Frères Jacques, Sartre en Beauvoir etc. Maar dat was absoluut niet de ambiance waarin de ‘Moineaux’ verkeerden. Toch was er ook in hun midden iemand die beroemd zou worden, zij het niet zo beroemd als Sartre en Beauvoir: Guy Debord (1931-1994), auteur van het geruchtmakende ‘La société du spectacle’ uit 1967, een wat aan Herbert Marcuse herinnerend essay op Marxistische grondslag over culturele consumptie, dat nu leest als een vingeroefening voor de beweging van mei 68. Uit het boek van Jaenada leer ik dat er in deze kring ook nog twee romans geschreven zijn, door auteurs waarvan ik absoluut nog nooit gehoord had: ‘Les bouteilles se couchent’ van Patrick Straram en ‘La tribu’ van Jean-Michel Mension.
Dat deze romans nog steeds in druk zijn komt door het verband met Guy Debord, die zich de stichter mocht noemen van maar liefst twee litterair-politieke stromingen, directe erven van Dada en Surrealisme: ‘l’Internationale lettriste’ en ‘l’Internationale situationiste’, beide bewegingen die een heel nieuwe civilisatie nastreefden. De Nederlandse kunstenaar Constant (Nieuwenhuys, 1920-2005), bekend van ‘New Babylon’, maakte van het Situationisme deel uit.
Het zijn dus niet deze ‘sterren’ waar Jaenada’s belangstelling in de eerste plaats uitgaat, al spuit hij in het boek alles wat hij over ieder van de ‘Moineaux’ heeft uitgevonden en dat is heel erg veel. Geholpen door vrienden en sympathisanten van de schrijver die toegang hebben tot allerlei staats-, privé- en justitiële archieven, en door eigen nasporingen op internet, onder andere in ‘Gallica’, de databank van de Franse Nationale Bibliotheek die enigszins te vergelijken is met het Nederlandse ‘Delpher’, ontstaat geleidelijk een beeld van Kaki en haar omgeving. Het is een leven, vooral voor de meisjes, van van huis weglopen, in opvangtehuizen ter observatie worden opgenomen en weer ontsnappen, van in het rond slapen (al dan niet tegen geldelijke vergoeding), heel veel goedkope rode wijn drinken en nachten stukslaan in de café’s van het zesde arrondissement, waarvan sommige (in tegenstelling tot ‘Chez Moineau’) nog bestaan: ‘Le Mabillon’ bijvoorbeeld (tegenwoordig een behoorlijk foute tent, als je mij vraagt).
Van Kaki komt Jaenada onder andere te weten dat ze op het moment van haar zelfmoord een acht maanden oud kind had (vader onbekend), dat haar vader in de jaren dertig lid geweest was van La Cagoule, een rechtse terreurbeweging, en enorm fout was geweest tijdens de Duitse bezetting en in de gevangenis was gestorven, en dat haar moeder door prostitutie het hoofd boven water hield. Waarom precies Kaki zich van het leven heeft beroofd, blijft inmiddels onduidelijk – misschien is dat ook wel het soort vragen waarop je nooit een antwoord kunt krijgen. Wel wordt duidelijk hoe keihard en op het oog vreugdeloos het leven van de bohème van de ‘Moineaux’ was, in deze eerste naoorlogse jaren. Het sprookje dat de eerste decennia van je leven de meest onbezorgde, zo niet gelukkige van je leven zijn, spat bij Jaenada uiteen.
De auteur spuit zijn informaties niet in een lineaire uiteenzetting, maar in de volgorde waarbij ze bij hem op zijn MacBook binnenkomen, tijdens een reis per huurauto langs de grenzen van Frankrijk: vanaf Duinkerken, langs Bretagne en de Atlantische kust, de Pyreneeën, de kust van de Languedoc en de Côte d’Azur, de Alpen, de Elzas en de Ardennen. Hij maakt die reis in de winter, wanneer er nauwelijks toeristen zijn en de meeste café’s en restaurants dicht of bijna verlaten. Het relaas, doorspekt met autobiografische bijzonderheden, is doortrokken van een diepe melancholie die af en toe aan Simon Carmiggelt doet denken: slechte whisky (een eerste levensbehoefte van de auteur) in café’s die betere tijden hebben gekend en alleen eten in restaurants die veelal eveneens een desolate indruk maken. En dan die vreselijke stadjes. Noem het masochisme, maar ik heb het boek verzwolgen.
Philippe Jaenada: La désinvolure est une bien belle chose. Mialet-Barrault Éditeurs, Parijs 2024.
Afbeeldingen. 1. Chez Moineau, Parijs 1953. (Ed van der Elsken, Nederlands Fotomuseum). Jacqueline Harispe is de tweede van links; 2. Politiefoto van Jacqueline Harispe (1950, na arrestatie wegens een diefstal); 3. Portret van Vali Myers (uit ‘Love on the left bank’ van Ed van der Elsken, Nederlands Fotomuseum).


Dank voor dit fraaie artikel, Raymond. Zeer boeiend.
LikeLike