Vermoeid door de geschiedenis

Deze zomer, toen het aantal besmettingen in Nederland gering was, hoorde je nog wel eens zeggen: ‘ik heb het helemaal gehad met Corona’. Spreker wilde dan meestal tot uitdrukking brengen dat hij het moe was – een leven van voorzichtigheid en voorzorgsmaatregelen. Iedereen haakte naar een terugkeer naar het leven vóór de epidemie, waarin andere moderne vormen van vermoeidheid bestonden: de ‘burnout’ bijvoorbeeld. Vreemde term, als je er over nadenkt: een begrip uit de fysieke wereld – ‘uitgebrand’ – ter aanduiding van een psychisch gevoel van uitputting.

Nu Nederland voor Corona weer ‘hot spot’ is geworden – op het moment dat ik dit schrijf scoren alleen Spanje, Frankrijk en Tsjechië hoger, per hoofd van de bevolking – lijkt de vermoeidheid ten opzichte van de pandemie weer afgenomen: ik hoor tenminste nu niemand meer zeggen dat hij ‘het ermee gehad heeft’. Andere gevoelens lijken de overhand te nemen: bezorgdheid of zelfs angst – zoals blijkt uit de toegenomen bereidheid mondkapjes te dragen – en voor een kleine minderheid rabiate verdringing – zoals blijkt uit de talrijke irrationele samenzweringstheorieën die je bijvoorbeeld in Twitter kunt terugvinden.

Vermoeidheid is – met andere woorden – geen objectief en onomstotelijk gegeven, maar een door cultuur en conventie bepaald verschijnsel. Je mag aannemen dat de homo sapiens altijd wel soms het gevoel moet hebben gekend aan het einde van zijn krachten te komen. Maar de manier waarop dit verschijnsel is beschreven, onderkend en erkend, is door de eeuwen en culturen heen sterk aan verandering onderhevig.

De Franse historicus Georges Vigarello – eerder onder andere bekend van aardige boeken over de geschiedenis van het menselijk lichaam en de viriliteit – heeft zich nu ten doel gesteld een geschiedenis van de vermoeidheid te schrijven. In ‘Histoire de la fatigue, du Moyen-Âge à nos jours’ beschrijft hij aan de hand van een indrukwekkend aantal voorbeelden – van obscure dagboeken en documenten tot aan hoge literatuur – hoe in de Westerse (vooral Franse) cultuur over vermoeidheid wordt geschreven, en welke begrippen worden gehanteerd bij de omschrijving van het verschijnsel.

Voor wat de Middel-Eeuwen betreft, is vermoeidheid geen verschijnsel op zich. De medische wetenschap van die tijd berust sterk op de wetenschap der ‘humeuren’, vloeistoffen die de staat van het menselijk lichaam zouden bepalen. In verslagen van middeleeuwse riddertoernooien komt vermoeidheid bijna uitsluitend in de vorm van de overwinning ervan aan de orde: winnaar wordt degene die het langst doorgaat met nieuwe aanvallen.

Pas in de XVII-de en XVIII-de eeuw komt daar geleidelijk een tweede element bij, door de ontdekking van het menselijk zenuwstelsel. Belangrijk in dit verband is dat vermoeidheid tot in de moderne tijd nauwelijks in sociale termen wordt geschreven: of boeren en andere lieden van mindere stand wellicht vermoeid of uitgeput raken, is niet of nauwelijks een punt van overweging. Behalve misschien in penitentiaire zin: dat de galeislaaf tot de uitputting roeien moet, en dat dit weinig aangenaam voor hem is, is natuurlijk niemand ontgaan.

Voor het ontstaan van onze opvattingen over vermoeidheid kunnen we eigenlijk pas terecht in de XIX-de eeuw. Vermoeidheid wordt pas een object van zorg en studie met de intrede van het verschijnsel ‘fabriek’. Een industrieel ondernemer moet immers weten hoe hij de arbeidskracht van zijn arbeiders kan optimaliseren. De wetenschap werpt zich nu op de vermoeidheid – met de uitvinding van het begrip ‘calorie’ en onderzoeken naar gezonde-, althans wenselijke voeding. Ook de uitvinding van de lopende band, waarbij de arbeider nog slechts een beperkt aantal handelingen verricht, als een schakel in een groter geheel maar zonder zicht op het totaal-product, moet worden bezien in het kader van een economie van de vermoeidheid.

In het verlengde daarvan komen, heel geleidelijk, ook meer ethische opvattingen op in het publieke debat over vermoeidheid: over kinderarbeid, over beperking van de arbeidstijd, over slavernij. Moraal, incasu de zorg om het lichamelijk en geestelijk welzijn van de massa gaat hier niet vooraf aan de regulering van de arbeid en vermoeidheid, maar volgt daar op.

Na de erkenning van ‘vermoeidheid’ als een zelfstandig verschijnsel in het arbeidsleven vindt het begrip vervolgens ook ingang in literatuur en geestesleven. Een schrijver als Marcel Proust, nauwelijks te bewegen om van zijn sofa af te komen, lijdt aan vermoeidheid als ‘spleen’ of ‘melancholie’. Vermoeidheid wordt hier een verrukkelijke manifestatie van decadentie, een gevoel van afkeer en verwerping van de moderne, stoffelijke wereld.

Vigarello’s studie is erg interessant, al zou de lezer misschien wensen dat de auteur, naast de analytische behandeling van vele duizenden tekstpassages, ook wat meer algemene conclusies had getrokken. Aan het einde gaat Vigarello ook nog in op de vermoeidheid in het Corona-tijdperk – en terecht want de geschiedenis van vermoeidheid is nog lang niet uitgeschreven.

De erkenning van vermoeidheid, en de wettelijke beperking van het aantal arbeidsuren hangen samen met de grootscheepse verplaatsing van economische arbeid uit de huiselijke kring naar fabriek en kantoor, publieke plaatsen dus. Sinds een aantal jaren is echter een tegenbeweging bespeurbaar- met al die zzp’ers die vanuit huis werken. Corona lijkt deze tendens te versterken: zelfs de regering spoort iedereen aan vanuit huis te werken en kantoren en andere bedrijfsgebouwen links te laten liggen. Het lijkt aannemelijk dat de inmiddels door bijna iedereen ontwikkelde vaardigheden omtrent het voeren van zoom-gesprekken en dergelijke ook na de pandemie effect zullen sorteren.

Er zijn aan die gedeeltelijke terugkeer van de thuisarbeid natuurlijk ook grote voordelen verbonden. Voor de ondernemer: minder huur van dure bedrijfsruimte. Voor de werknemer: minder vermoeiend geforens. En voor de samenleving: minder klimaat-bedervende transportbewegingen in de spitsuren.

Maar er worden ook, minder goed quantificeerbare, nadelen van thuiswerken genoemd. Gebrek aan sociaal contact bijvoorbeeld. En ook de vermoeidheid die het gevolg is van een nimmer-eindigende confrontatie met de eigen huisgenoten en het wegvallen van duidelijk omschreven arbeidstijden. Computer, Zoom en Whatsapp staan immers 24 uur per etmaal klaar voor de nijvere mens. Nieuwe vormen van vermoeidheid steken de kop op. Vermoeidheid gaat nog een grote toekomst tegemoet.

Georges Vigarello: Histoire de la fatigue. Du Moyen-Âge a nos jours. Seuil 2020.

Afbeeldingen. Boven: Giorgio de Chirico – De vermoeidheid van de troubadour (1930). Onder: Edgar Degas – Les passeuses (de strijksters) (1884); Edvard Munch – Arbeiders bij het verlaten van de fabriek (1913)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: