PvdA gleed zonder debat richting neoliberalisme

In het najaar van 2001 wilde ik, als politiek redacteur van mijn krant, een stuk schrijven over het zojuist verschenen verkiezingsprogramma van de Partij van de Arbeid. Dat was rijkelijk vaag en stond vol met zinnen als: “Over tien jaar is de overheid van ons allemaal. (.) Die overheid werkt vooral samen en verstaat de kunst van het versterken van de kracht en creativiteit van de burgers zelf”. Wie het document las, kreeg niet zozeer de indruk van een politieke partij met eisen en programmapunten, maar meer van een groepering die meende de grote lijnen van maatschappelijke ontwikkeling in pacht te hebben.

Voor mijn artikel vervoegde ik me bij de voorzitter van de commissie die het partijprogramma had geschreven, Eberhard van der Laan, destijds nog advocaat, kantoor houdend aan de Keizersgracht in Amsterdam. Was het niet een beetje vreemd, een verkiezingsprogramma zonder programma?, opperde ik. Dat was Van der Laan, niet geheel onverwacht, geenszins met mij eens. Het was juist een uitstekend programma, meende hij, helemaal wat Nederland nodig had. Deze dialoog van doven hebben we nog een uurtje voorgezet: ik citeerde een gezwollen algemeenheid zonder betekenis uit de tekst, en Van der Laan legde dan uit wat de ragfijne bedoeling was, in een mondialiserende wereld van mondige burgers, en wat dies meer zij.

Zo gingen we door, niet ongezellig in zekere zin want Van der Laan was een aardige man. Het leidde alleen nergens toe, zodat ik tenslotte het pand verliet met het besluit dat artikel over het PvdA-verkiezingsprogramma maar niet te schrijven – waar geen nieuws is, is geen nieuws tenslotte en zó vreselijk belangrijk is zo’n verkiezingsprogramma nu ook weer niet. Dat laatste vonden ze bij de PvdA zelf ook trouwens: ik herinner me een lunch in verkiezingstijd, waar campagneleider Jacques Monasch uitlegde dat politieke standpunten uit de tijd waren; de verkiezingen werden in ‘suburbia’ beslist, betoogde hij, en in die contreien waren mensen niet politiek geïnteresseerd, maar verlangden van hun vertegenwoordigers vooral dat de publieke voorzieningen goed functioneerden.

Dat gevoel van vervreemding zou ik in die campagne nog vaak voelen. Bijvoorbeeld toen PvdA-lijsttrekker Ad Melkert – een slimme man met een goed ontwikkeld gevoel voor zwarte humor (dat hij tijdens de campagne niet mocht tonen) – in Paradiso de zogeheten Den Uyl-lezing hield. ‘Ad zal het uiterste van zijn tong laten zien’, had de partij-pr in het vooruitzicht gesteld. Maar wederom ging het slechts om drie kwartier nietszeggende algemeenheden – weer geen stukje, het was voor de verslaggever om gek van te worden.

Pas vorige week schoot me te binnen dat ik in deze beide gevallen wél een stukje had moeten schrijven, en de nietszeggende frasen breed had moeten uitmeten. Dat was bij lezing van ‘Dat hadden we nooit moeten doen’, een zowel zeer leesbare als een tikje ontstellende geschiedenis van Duco Hellema en Margriet van Lith, over ‘de PvdA en de neoliberale revolutie van de jaren negentig’. Zij beschrijven hoe in de jaren negentig de PvdA in razend tempo ideologisch wordt leeggezogen van alles wat nog zou kunnen wijzen op een socialistisch programma in de gebruikelijke zin des woords, en dan ook meteen grotendeels zijn arbeiders- en vakbondsaanhang verliest.

Daarvoor komt dan de bekende neoliberale riedel: terugdringen van de staatsbemoeienis in de economie, belastingverlaging, bezuinigingen en begrotingsdiscipline, verregaande versobering en verlaging van sociale uitkeringen, privatisering of tenminste ‘verzelfstandiging’ van allerlei organisaties en diensten die tot dan toe een overheidstaak waren, loonmatiging, aanvaarding van toenemende inkomensverschillen. Tot grote vreugde van partijen als de VVD en het CDA bleek de PvdA onder Wim Kok, drie kabinetten lang de transformatie van Nederland in neoliberale richting niet alleen te steunen maar ook actief op de weg te houden, van 1989 tot 2002.

Nederland is in die jaren sterk veranderd, maar gold misschien dus nog wel in sterker mate de PvdA. Het zou te sterk zijn uitgedrukt te zeggen dat dit ongemerkt verliep, maar in ieder geval zonder dat het in de partij tot diepgaande, fundamentele discussies over de koerswijziging kwam. Voor zover die er af en toe waren, belandden de stukken erover in een la. Belangrijke factor daarin was de persoon van politiek leider Wim Kok – nota bene afkomstig uit de vakbeweging. Hij hield niet van eindeloos ideologisch geleuter, er moest gehandeld en bestuurd worden.

Omdat er geen sprake is geweest van een duidelijk, bijvoorbeeld door een partijcongres bevestigd moment van ideologische omslag in de Nederlandse Sociaal-Democratie, is het in zekere zin moeilijk om te bepalen wanneer de PvdA de Rubicon van het neoliberalisme heeft overschreden. Hellema en Van Lith laten echter heel goed de geleidelijke omslag zien. Socialistische ideeën – de ‘ideologische veren’, om een bekende uitspraak van Kok te citeren – worden steeds meer weggezet als ‘ouderwets’ en Kamerleden die ze nog (een beetje) vertolken gelden steeds meer als zonderlinge types die de tekenen des tijds niet hebben verstaan.

De verandering gaat gepaard met een geleidelijke afbraak van de interne partijdemocratie. De PvdA wordt steeds sterker een partij van ‘professionals’ die de mond hebben van mondialisering, kenniseconomie en andere sleutelwoorden waarmee je kunt aangeven dat je helemaal bij de tijd bent. Dat de PvdA daarmee ook zijn traditionele, arbeiders-aanhang in de kou laat staan en op den duur verliest, is iets wat de dynamische kaders niet zo opvalt omdat arbeiders in hun wereldbeeld eigenlijk nauwelijks een rol spelen. De PvdA wordt in deze jaren een middenklasse-partij, maar voor die middenklasse is de partij, zoals bekend maar één van vele politieke opties. Voor de huidige onbeduidendheid van de PvdA in de Nederlandse politiek – met maar negen Kamerzetels – heeft de tijd van Kok duidelijk de basis gelegd.

Er waren natuurlijk in 1989 hele goede redenen voor de PvdA om weer regeringsverantwoordelijkheid te nemen en in Lubbers III plaats te nemen. Afgezien van de desastreuze, slechts enkele maanden durende deelname aan het kabinet Van Agt II, stond de PvdA al sinds de dagen van Joop den Uyl, sinds 1977 dus, buiten spel en zoiets was de PvdA – een grote partij met een brede basis die zich geroepen voelde bestuursverantwoordelijkheid te dragen onwaardig.

Wim Kok werd in Lubbers III minister van Financiën en mocht in die hoedanigheid ook meteen het vuile werk opknappen: bezuinigen en drastisch ingrijpen in de sociale zekerheid. De WAO-crisis eindigde in Koks overwinning maar ook met de vervreemding van de PvdA met de vakbeweging. In 1994 volgde een andere ideologische verschuiving: voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog was regeren zonder christen-democraten een optie. De ‘Paarse’ kabinetten Kok I en Kok II konden met recht gelden als politieke kinderen van een nieuwe tijd, en de afbraak van verzorgingsstaat en de neoliberale oriëntatie kwamen tot volle bloei.

De omslag in het sociaal-democratisch denken in neo-liberale richting was geen exclusief Nederlands verschijnsel. Tony Blair in Engeland, Gerhard Schröder in Duitsland en zelfs Bill Clinton zagen in Kok een geestverwant, of zelfs voorloper. Het woord ‘poldermodel’ kreeg internationale bekendheid, al dateerde het ‘Akkoord van Wassenaar’ – waarin de sociale partners loonmatiging in ruil voor arbeidstijdverkorting hadden afgesproken – al uit 1982.

Internationaal werd ter aanduiding van de ‘linkse’ variant van het neoliberalisme ook wel van de ‘Derde weg’ gesproken, en de Britse politicoloog Anthony Giddens schreef over dit veronderstelde nieuwe élan van de internationale Sociaal-Democratie even begeesterde als stomvervelende boeken. Kok wilde van zulk getheoretiseer echter niet veel hebben, en hij was ook grotendeels ongevoelig voor de lof die hem internationaal, als visionaire voorloper, werd toegezwaaid. Wel paste de invoering van de euro op 1 januari 2002 uitstekend in het wereldbeeld van globalisatie dat de professionals van de PvdA voor ogen stond. Nederland is tussen 1989 en 2002 – hoe je het ook bekijkt – sterk veranderd.

De afloop van dit alles is bekend. In de aanloop van de verkiezingen ging – tot stomme verbazing van de ‘professionals’ – een merkwaardige dandy met rechtse praatjes en nauwelijks een serieus te nemen programma, met een aanzienlijk deel van de traditionele, inmiddels van de partij vervreemde aanhang van de PvdA aan de haal. In mei 2002 verschrompelde de partij van de visionairen van 45 tot 23 zetels, en naar we nu weten was dat nog maar het begin van het electoraal verval. Aan de PvdA-avond in Paradiso waar een en ander bekend werd, bewaar ik levendige herinneringen: Kok moest in de coulissen langdurig inpraten op Melkert om hem ervan te overtuigen het politiek leiderschap op te geven. Daarna verschenen beiden samen op het podium, zuurzoet lachend, het einde van een tijdperk.

‘Dat hadden we nooit moeten doen’ is een aardige boektitel, opgetekend uit de mond van een PvdA’er met spijt. Hoe Nederland er uitgezien had zonder de neoliberale omslag van de PvdA is moeilijk voorstelbaar – ouderwetser misschien wel, of minder weerbaar in een internationale context, zoals Frankrijk of Italië de afgelopen jaren. De spijt, lijkt me, hoeft niet zozeer de toestand van het land te gelden, maar wel de Sociaal-Democratie. Decennia lang bestond er in Nederland een brede volkspartij, met redelijk progressieve en linkse ideeën, en met een forse aanhang in alle lagen van de maatschappij en een enorme bestuurservaring. Die is nu bijna weg.

Het is niet gezegd dat in de huidige Corona-crisis, met economische gevolgen die niemand nog kan overzien, belangrijke politieke leerstukken uit de Kok-tijd, zoals begrotingsdiscipline en het wegwerken van de staatsschuld, nog erg veel toekomst en zin hebben. Maar zo’n brede progressieve partij ter legitimering van het overheidsgezag in crisis-tijd – die hadden we best kunnen gebruiken.

Duco Hellema en Margriet van Lith: Dat hadden we nooit moeten doen. De PvdA en de neoliberale revolutie van de jaren negentig. Prometheus 2010.

Afbeeldingen: 1. Tijdens de Eurotop in Amsterdam in 1997 gaf Kok de andere regeringsleiders een fiets cadeau en gaf zelf het goede voorbeeld; 2. Kok staat Melkert bij als deze op de verkiezingsavond 2002 de halvering van de partij moet toegeven. (foto’s NOS)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: