
Er broeit een bescheiden veenbrand in de Nederlandse politiek: hoe verdraagt het discriminatieverbod in artikel 1 in de Grondwet, en dan met name het daarin sindsdien 2023 opgenomen element van ‘seksuele gerichtheid’, zich met artikel 23, waarin de vrijheid van onderwijs – ook voor scholen die aan kerken en religies zijn verbonden – is opgenomen? De VVD diende op 26 november een motie in, die de regering opdraagt uit te zoeken in hoeverre het bepaalde in artikel 1 boven artikel 23 kan gaan bij wat in Haags koeterwaals ‘de invulling van de burgerschaps-kerndoelen’ heet. In klare taal: of in het bijzonder onderwijs, islamitisch of christelijk, leerlingen en leerkrachten voor hun homoseksualiteit mogen uitkomen.
De christelijke politieke partijen ruiken hier onraad. Tijdens de verkiezingscampagne was de lijstrekker van het CDA al eens in moeilijkheden gekomen, toen hij op een vraag over soortgelijke materie ook al over de vrijheid van onderwijs begon, terwijl van hem verwacht werd dat hij voor homo’s zou opkomen. En toen de VVD deze week die motie indiende, kwam de Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP) met de staatsrechtelijke vraag hoe de VVD zich dat voorstelde – het ene Grondwetsartikel stellen over een andere.
Wat hier speelt, is niet zozeer homoseksualiteit als zodanig. Ik kan me vergissen, maar ik denk dat er in de kringen van de christelijke partijen nog maar weinigen zijn die gelijkgeslachtelijke liefde als een schande zien of deze als een zonde voor God willen bestrijden. De overwinning van de liberale waarden van tolerantie en gelijkberechtiging lijkt hier gelukkig vrijwel volkomen.
De huiver onder confessionelen betreft eerder het gedwongen opleggen van liberale normen in het christelijk onderwijs – precies het probleem dat bijna een eeuw de Nederlandse politiek beheerst heeft totdat in 1917 de zogeheten schoolstrijd definitief leek te worden beëindigd door de financiële gelijkstelling van openbaar en ‘bijzonder’ onderwijs, de zogeheten ‘pacificatie’. Dat die schoolstrijd nu, weer ruim een eeuw later, toch weer de kop opsteekt, lijkt veel te maken te hebben met het feit dat naast christelijke scholen nu ook islamitische scholen hun rechten opeisen.
Het fundamentele probleem daarbij is hetzelfde als vóór 1917: in hoeverre heeft de staat het recht om bepaalde religieuze en morele opvattingen in het onderwijs dwingend op te leggen, omdat deze verlicht en modern zijn. In de negentiende eeuw ging het daarbij om zaken als de belijdenis zoals die in 1619 te Dordt werd opgesteld, het calvinistisch zondebegrip of de onderwerping van de katholiek aan het pauselijk gezag in plaats van aan het Nederlandse wettig gezag – zaken waarvoor het landsbestuur geen plaats zag.
Nu gaat het om de vraag of een bepaalde ‘seksuele gerichtheid’ al of niet als toelaatbaar of te respecteren moet worden beschouwd. Ik denk dat maar weinig ingezetenen van Nederland van mening zijn dat dit niet zo moet zijn – als is het, in deze tijden van afkalvend democratisch bewustzijn en tolerantie de vraag of dat zo blijft. Maar in ieder geval is wie, zoals de voorstanders van bijzonder onderwijs dat vroeger noemden, ‘soevereiniteit in eigen kring’ voorstaat, beducht voor het opleggen van een moraal van staatswege, ook, of zelfs met name, wanneer het om seks gaat.
De beëindiging van de schoolstrijd in 1917 was een nederlaag voor de Nederlandse liberalen, die sinds de vestiging van het Koninkrijk in Nederlanden hadden gepoogd religie zoveel mogelijk los te koppelen van de staat. De Bataafse republiek had naar Frans voorbeeld de gelijkstelling van alle kerken en religies gebracht, en een einde gemaakt aan het calvinistische (gereformeerde, zei men) machtsmonopolie in de gewesten van de Republiek. Wat de calvinistische protestanten betrof, ontstond onder koning Willem I de zogeheten Nederlands Hervormde Kerk, die min of meer onder staatstoezicht stond en waar een betrekkelijk vrijzinnige theologie werd gehuldigd. Het openbare onderwijs – dat aanvankelijk het monopolie had – voedde, naast allerlei andere nuttige dingen, op tot ‘christelijke deugden’. Vager en minder dogmatisch kon je het bijna niet hebben.
Nederland was geenszins het enige land waar in de post-napoleontische tijd werd gepoogd het bestuur van de staat te seculariseren, en een eind te maken aan religieuze scherpslijperijen die in het verleden zo vaak tot maatschappelijke onrust en verdeeldheid hadden geleid. De van oorsprong Australische historicus Christopher Clark (1960), hoogleraar in Cambridge, laat in zijn jongste boek, ‘A scandal in Königsberg’ zien hoe een soortgelijk streven bestond in het koninkrijk Pruisen, en hoe dit in de hoofdstad van Oost-Pruisen – die tegenwoordig als Russische stad Kaliningrad heet – leidde tot een geruchtmakend schandaal en een proces.
Zoals er in het Koninkrijk der Nederlanden een ministerie van ‘Zaken van de Hervormde en andere erediensten’ (en na de vereniging met België nog een apart ministerie voor de katholieke eredienst) bestond, zo kende ook Pruisen een ministerie dat zich met geloofszaken bezig hield en meestal als ‘Kultusministerium’ werd aangeduid. Ook Pruisen had een soort informele staatskerk, de ‘Evangelische Kirche in Preussen’, die – met een beroep op verlichte idealen van tolerantie – geacht werd zowel de lutherse als de calvinistische protestanten in zich te verenigen. In het gecentraliseerde Pruisen werd de geloofsbeleving van de onderdanen flink in de gaten gehouden – provinciale autoriteiten moesten regelmatig verslag uitbrengen over sekten die de openbare orde in gevaar konden brengen.
Maar ja, Königsberg was ver weg – vijf à zes dagen met de koets vanaf Berlijn, totdat in 1857 de eerste spoorverbinding kwam. En weliswaar waren de theologen van de plaatselijke universiteit van vrijzinnige en rationalistische snit – niet voor niets was Königsberg de stad waar Emmanuel Kant (1724-1804) zijn hele leven had gewoond en gewandeld – maar dat wilde nog niet zeggen dat de gelovigen van de stad zich bij voorbaat conformeerden aan de redelijkheid die de verlichte bestuurders in Berlijn zo noodzakelijk vonden. Geloof was voor velen een zaak van leven en dood. Zondebesef of twijfel brachten bij menigeen heftige geloofscrises teweeg, en dan lag de hang naar bevrijdende woorden van een prediker voor de hand, ook als deze niet van staatswege gesanctioneerd waren.
Clark – eerder bekend van baanbrekend onderzoek naar de oorzaken van de Eerste wereldoorlog en de Europese revolutiegolf van 1848 – geeft in dit aardige boekje een smeuïg beeld van het kerkelijk leven in de Oost-Pruisische hoofdstad. Een religieuze dissident van betekenis was bijvoorbeeld Johann Heinrich Schönherr (1770-1826) die zich als student theologie niet kon verenigen met de geldende rationalistische maatstaven van de officiële kerk. In plaats daarvan lanceerde hij een theosofisch aandoende theorie van twee ‘Urwesen’, daarbij overigens in de Schrift aanwijzingen voor zijn stelling ontdekkend. Voor Schönherr bestond de schepping uit de ontmoeting van twee enorme, eivormige ‘Urwesen’, die de elementen vuur en water vormden.
Al het leven zou uit deze ontmoeting voortvloeien en ook de contemporaine ontmoeting tussen man en vrouw zou er als het ware een herhaling van zijn. Daarom was seks ook niet zondig – een stelling die niet weinig tot de populariteit van de eigenzinnige prediker Schönherr schijnt te hebben bijgedragen. Zijn aanhang bleef echter beperkt, en bestond vooral uit het eenvoudige volk in de voorsteden en rond de stad, waar Schönherr een soort hagepreken hield.
Schönherrs ideeën vonden ook gehoor bij meer tot het establishment behorende dominees in Königsstad, zoals Johann Wilhelm Ebel (1784-1861), die als hoofdprediker de Altstädtische Kirche onder zijn hoede had, en de wat minder vooraanstaande Georg Heinrich Diestel (1785-1854) van de kerk aan de Haberberg. Het was niet zozeer dat deze twee vanaf de kansel elke zondag de ontmoeting van eivormige elementen predikten, maar ze ontleenden aan Schönherr wel een menslievende benadering van theologische vraagstukken, die in het bijzonder bij het vrouwelijk deel van de evangelische gemeente – en dan in het bijzonder de welgestelden onder hen – in de smaak viel. Menige door intens zondebesef aan melancholie ten prooi gevallen dame van goeden huize werd door Johann Ebel op andere gedachten gebracht en hervond de levensvreugde. Ebel schijnt overigens een mooie man te zijn geweest, met lange haren en een scheiding in het midden – een soort Jim Morrison avant la lettre.
Op het Kultusministerium in Berlijn wisselden de autoritaire en de meer lankmoedige functionarissen elkaar af. Men had in repressieve zin de handen vol aan echte sekten – waaronder die van Schönherr, die op een gegeven moment ook een voorstander werd van openbare zelftuchtiging, liefst naakt. Het waren roerige jaren op religieus gebied. Enorme opwinding en kabaal ontstond toen de theoloog en schrijver David Friedrich Strauss (1808-1874) in 1835/6 zijn ‘Leben Jesu kritisch bearbeitet’ het licht deed zien, waarin de figuur van de Heiland werd gereduceerd tot een gewone rabbijn, wiens leven door de eeuwen heen met fabels en mooie verhalen opgesierd was. Clark vergelijkt de cultuuroorlog bij verschijning van dit boek met de ophef rond de ‘Satanic verses’ van Salman Rushdie in 1988.
In deze sfeer brak op een kwade dag ook het uur der wrake voor Ebel en Diestel aan. Een graaf kreeg ruzie over een erfenis met zijn zuster, die een volgeling van Ebel was. Beschuldigingen van beestachtige seksuele praktijken deden al vlug de ronde, waaronder de leugen dat Ebel sommige in onmin levende echtelieden zou hebben uitgenodigd tot gemeenschap onder zijn wakend oog. Een stroom van sensationele krantenartikelen en pamfletten kwam op gang en het hoofd van de provincie besloot tot een strafproces.
In dat proces viel een sleutelrol toe aan de arts Ludwig Wilhelm Sachs (1787-1848), die zich eerder tot Ebel had gewend omdat hij zich van jood tot christen wilde laten bekeren. Sachs was tevens schrijver van populair-wetenschappelijke boeken over geneeskunde die de tand des tijds niet hebben doorstaan. Verder was hij een onverschrokken bestrijder van masturbatie onder jongelingen – die hij soms dagenlang ondervroeg voordat de vreselijke werkelijkheid boven tafel kwam. Nu kwam hij met allerlei (volgens Clark) verzonnen verhalen over seksuele wanpraktijken in de gemeenten van Ebel en Diestel. Beiden werden in 1839 veroordeeld en uit het ambt gezet.
Het was een schandaal zonder winnaars. Destijds was de betrokken autoriteiten meteen al duidelijk dat er vermoedelijk niets van aan was, van al die orgieën. Als het de bedoeling van de staat was geweest om in de evangelische kerk een gematigd rationalisme ingang te doen vinden, was er door het proces evenmin iets bereikt. Ook de gelovigen van Königsberg bleven onbevredigd achter: de kans op een door menslievendheid en empathie voor de positie van vrouwen gekenmerkt kerkelijk leven was verkeken. De historicus Clark is overigens niet wars van een beetje speculatie: hij ziet in de persoon Ebel een vroeg voorbeeld van een ‘queer’ persoon.
Wie nu denkt dat in het moderne Nederland, dat er zo prat op gaat een baaierd van tolerantie te zijn, repressieve inmenging door de staat in het geloofsleven nooit kon voorkomen, heeft het mis. Toen in 1834 vanuit het Groningse Ulrum een orthodoxe beweging op gang kwam die zich verzette tegen de vrijzinnige Hervormde ‘staatskerk’ en die binnen enkele jaren 130 gemeenten omvatte, stuurde de overheid op deze ‘Afscheiding’ ijskoud de politie af, gebruik makend van een Napoleontische wetsbepaling die vergaderingen van meer dan twintig mensen aan vergunning onderwierp. Een deel der Afgescheidenen besloot naar de Verenigde Staten te emigreren. De échte religieuze tolerantie van overheidswege zou nog decennia op zich laten wachten. En nog, bleek deze week in de Tweede kamer, staan er vragen over open.
Christopher Clark: A scandal in Königsberg. 1835-1842. Allen Lane, 2025.
Afbeelding: De ‘Altstädtische Kirche’ in Königsberg, kopergravure uit 1820.

Plaats een reactie