
Cavalerie en gendarmes kwamen er aan te pas toen op 4 juni 1908 de schrijver Émile Zola, die al in 1902 was overleden, werd bijgezet in het Panthéon, de voormalige kerk waar – tot op heden – de Franse republiek haar grootste zonen (en tegenwoordig ook af en toe dochters) bijzet. De avond tevoren, toen het lichaam van Zola werd overgebracht van de begraafplaats Montmartre moesten er al militairen worden ingezet om de Rue Soufflot, die naar het Panthéon leidt, vrij te maken. Langs het gehele parcours hadden zich leden van extreem-rechtse en antisemitische bewegingen (dat was vaak hetzelfde) verzameld die lieten merken dat zij Zola zijn beslissende interventie in de politieke strijd om de kapitein Alfred Dreyfus nog niet waren vergeten – die was trouwens ook de aanleiding om Zola in het Panthéon op te nemen. Het regende antisemitische spreekkoren.
Zola’s voornaamste heldenfeit was de publicatie van een artikel onder de kop ‘J’accuse’ – ‘Ik beschuldig’ – in de krant Aurore op 13 januari 1898. Dat was op het moment dat vrijwel iedereen duidelijk was dat de kapitein Alfred Dreyfus, die van joodse origine was, in 1894 op valse gronden was veroordeeld voor spionage. Hij zat daarvoor jaren vast in eenzame opsluiting in een eilandje voor de kust van Frans Guyana. Naarmate de waarheid aan het licht kwam – de spion was een andere officier die daarvoor nooit is veroordeeld – volhardde de legerleiding, daarin gesteund door de rechtse antisemitische pers, in de straf voor Dreyfus. De eer van het leger was in het geding, heette het, en ook dat Dreyfus joods was, speelde een grote rol. Zola stelde een en ander aan de kaak en werd wegens ‘laster’ aan het adres van de strijdkrachten – het lijkt Poetins Rusland wel – tot één jaar cel veroordeeld, een straf waaraan de schrijver ontsnapte door in Engeland in ballingschap te gaan.
Het zou nog tot 1906 duren totdat Dreyfus definitief werd vrijgesproken en in zijn militaire rang werd hersteld, of liever gezegd bevorderd tot majoor. Dreyfus nam kort daarop ontslag omdat hij niet kon verkroppen dat zijn jaren van onschuldige gevangenschap niet werden meegeteld bij zijn carrière-verloop. Hij zou overigens in de Eerste Wereldoorlog weer dienstnamen. Juist deze maand heeft de Assemblée Nationale in Parijs besloten om Dreyfus postuum de rang van brigade-generaal toe te kennen, bij wijze van compensatie voor door de Franse staat aangedaan onrecht. Af en toe gaan er stemmen op om ook Dreyfus bij te zetten in het Panthéon, maar zo ver lijkt het niet te komen: slachtofferschap is immers geen verdienste, is de redenering.
Hoe de zaak Dreyfus in 1908 – en lang daarna – de Franse gemoederen in beweging bracht, bleek uit het feit dat er vanuit de ‘rotjood’ en ‘verrader’ schreeuwende menigte bij de bijzetting van Zola in het Panthéon een aanslag werd gepleegd op Dreyfus zelf door de obscure journalist Grigori. Twee schoten loste hij, één daarvan trof Dreyfus in zijn arm. Dreyfus’ broer Mathieu, die ook bij de affaire een grote rol had gespeeld, wist Grigori te overmeesteren. Maar deze, door de rechtse antisemitische pers vereerd als een Fransman die zijn plicht had willen doen, werd bij zijn proces door de jury vrijgesproken. Antisemitisme zou in Frankrijk nog decennia een belangrijk politiek gegeven zijn – vreemd eigenlijk als je bedenkt dat we hier spreken over het land waar de liberale democratie min of meer is uitgevonden.
Pas de laatste twintig jaar ongeveer lijkt de band tussen extreem-rechts en antisemitisme in Frankrijk minder geworden – net als in andere landen trouwens, zoals Nederland. Het is nu eerder extreem-links – in casu ‘La France insoumise’ van Jean-Luc Mélenchon – dat flirt met antisemitische thema’s en beeldtaal. Dat is niets nieuws trouwens: ook vroege socialisten als Charles Fournier, Pierre-Joseph Proudhon en onze eigen Domela Nieuwenhuis waren antisemiet. Of de semitofilie bij extreem-rechts – premier Netanyahu is een icoon van extreem-rechts geworden en in Frankrijk is Éric Zemmour een van de meest prominente stemmen op extreem-rechts – zal beklijven, moet nog worden afgewacht.
Het verhaal van Zola’s herbegrafenis komt voor in ‘Pompes funèbres’ van de Franse historicus Michel Winock, over ‘illustere’ doden in de beginjaren van de Derde republiek, 1871-1914. Het zijn uiterst roerige decennia, waarin de jonge republiek geen lang leven beschoren lijkt omdat een parlementaire meerderheid aanvankelijk geporteerd lijkt voor een monarchie in een of andere vorm. Pas in de tweede helft van de jaren tachtig vormt zich een duidelijke republikeinse meerderheid. In dit bijzonder leuke boek schildert Winock deze decennia aan de hand van een twintigtal prominente sterfgevallen.
Bij lezing blijkt dat je, voor wat betreft de politieke instelling van de overleden prominenten eigenlijk twee sleutelmomenten kunt onderscheiden: iemands houding in de Dreyfus-affaire en die ten opzichte van de Parijse Commune van 1871, een volksopstand die eindigde met de executie van tienduizenden ‘communards’ en de veroordeling van vele anderen. Naar huidige maatstaven zou je kunnen zeggen dat de beginnende Derde republiek – die overigens na wat verbouwingen voortleeft in de huidige, Vijfde – in een permanente staat van ‘cultuuroorlog’ verkeerde.
Sommige doden zijn welbekend, maar dan weet Winock vaak verrassende aspecten van de persoonlijkheid boven water te tillen. Neem de president Félix Faure, vrijwel uitsluitend nog bekend omdat hij op 16 februari bleef in een hartstilstand, juist terwijl een dame van lichte zeden hem in zijn bureau in het Élysée verblijdde met een fellatio. Hij was het, aan wie Zola zijn ‘J’accuse’ richtte en had de grootheid van geest om terug te komen op zijn eerdere onwil om de zaak te heropenen – een stap die door zijn voortijdig sneven helaas niet door hem tot een goed einde kon worden gebracht. Een soortgelijke rehabilitatie ondergaat in het boek president Sadi Carnot, in 1894 tijdens een bezoek aan Lyon doodgeschoten door de anarchist Caserio. (Politieke moordenaars hebben in Frankrijk kennelijk vaak geen voornaam). Naar aanleiding van deze moord komt er overigens een aanvulling op de wet op de persvrijheid uit 1881, waarbij het verontschuldigen van terrorisme strafbaar wordt gesteld.
Menigmaal wisselen prominenten met de jaren van politieke oriëntatie. Zoals de in 1905 overleden Louise Michel, een legendarische figuur uit de Commune, die in 1880 vrijkomt uit haar gevangenschap in Nieuw-Caledonië door een amnestie, maar in 1883 wegens betrokkenheid bij een op plundering van winkels uitgelopen demonstratie zes jaar krijgt. In later jaren flirt zij politiek met de volksmenner Georges Boulanger en ook in de Dreyfus-zaak staat zij aan de verkeerde kant van de geschiedenis. Dat laatste houdt vermoedelijk verband met de standpunten van haar grootste steun en toeverlaat: Henri Rochefort, ook een der communards van 1871, maar in later jaren bekeerd tot het meest extreem-rechtse nationalisme en antisemitisme, en persmagnaat bovendien. Zijn krant ‘l’Intransigeant’ is een van de meest rechtse en invloedrijkste persorganen rond 1900, samen met de ‘La libre parole’ van Édouard Drumont – de ‘uitvinder’van de moderne Franse antisemitische ideologie – en de ‘Action française’ van Charles Maurras . De heftigheid en agressiviteit waarmee het debat in deze bladen gevoerd wordt, laat zich nu nog maar moeilijk voorstellen – al komt een deel van de aanhang van Donald Trump in de VS in de richting.
Beroemdheden als Victor Hugo – wiens bijzetting in het Panthéon in 1885 miljoenen op de been brengt en onder andere bekend is geworden door grootscheepse seksuele uitspattingen in de buurt van de Champs Elysées in de nacht voor de begrafenis – worden door Winock niet vergeten. Jules Michelet, George Sand, Léon Gambetta, Ernest Renan, Jules Ferry en Charles Péguy – ze ontbreken niet, en vaak weet Winock nieuw en ongewoon licht te werpen op hun leven en werken. Maar er zijn ook relatief onbekenden onder de geportretteerden, wier persoon een interessant licht werpt op de behandelde periode: Louis Rossel, Mathilde Bonaparte of Hubertine Auclert .
Michel Winock: Pompes funèbres. Les morts illustres 1871-1914. Perrin 2024.
Afbeeldingen: 1. Arrestatie van een demonstrant tegen de ‘Panthéonisatie’ van Zola op de Rue Soufflot in 1908; 2. Arrestatie van de man die probeerde bij dezelfde gelegenheid Alfred Dreyfus te vermoorden; 3. Cavalerie en infanterie tijdens de ‘Panthéonisatie’ van Zola.



Plaats een reactie