De gek als spiegel

Met bus 27 van de RATP onderweg naar de tentoonstelling ‘Figures du fou’ in het Louvre overkomt me iets wat je misschien toepasselijk zou kunnen noemen. Een zwerversachtige man stapt in en doet net alsof hij een Franse OV-kaart, de zogeheten ‘Navigo’, voor de scanner houdt. Dan gaat hij zitten. Hij is sterk vervuild, en zijn krulharen lijken al een eeuwigheid niet gewassen. Maar hij lijkt ook psychisch gestoord – oftewel wat je in mindere omfloerste termen een gek zou kunnen noemen. Hij voert onophoudelijk een geluidloos gesprek met iemand die er niet is, en raakt voortdurend met zijn rechterduim zijn neus aan. Er gaat iets aandoenlijks van hem uit, en als hij niet zo vreselijk zou stinken, zou je in de verleiding kunnen komen een praatje met hem aan te knopen. Maar niemand in de bus doet dat en iedereen negeert de man, die na een paar haltes weer uitstapt.

Gekken, zotten, geestelijk gehandicapten – hoe je ze ook wilt noemen – ze blijven mensen tot wie je je, als ‘normale’ burger maar met moeite kunt verhouden: ze wekken een mengeling van medelijden, vrees en fascinatie op die in verschillende perioden van de geschiedenis verschillende vormen heeft aangenomen. De tentoonstelling in het Louvre laat dat prachtig zien. In middeleeuwse handschriften en op middeleeuwse schilderijen en prenten wemelt het van de rare mannetjes die kennelijk voor zot moeten doorgaan. Aanvankelijk is de gek vooral iemand die zo dom en verward is dat hij Gods almacht ontkent, maar in de veertiende en vijftiende eeuw krijgt de gek andere functies. Hij wordt dan bijvoorbeeld degene die de gekte van de vleselijke begeerte aan de kaak stelt. Of, zoals de heilige Franciscus van Assisi, een fanaticus van de armoede in een steeds stedelijker en materialistischer samenleving.

De gek heeft, met andere woorden, tot in de zestiende eeuw vaak een opbouwende plaats in de samenleving: als commentator of als entertainer aan een koninklijk hof bijvoorbeeld, als hofnar dus. Men onderscheidt te dien einde ‘natuurlijke gekken’ van ‘kunstmatige gekken’. De functionele gek beschikt over tal van steeds terugkerende attributen: een narrenpak met ezelskoppen, een hanenkam (die staat voor seksuele energie), een staf, een bril met idioot grote glazen. Goede diensten bewijst de nar ook bij sommige dagen in de religieuze kalender, zoals de Vastenavond, wanneer hij bijdraagt aan de tijdelijke opschorting van machtsverhoudingen en normen van zedelijkheid.

Ofschoon de filosoof Michel Foucault (1926-1984) in de tentoonstelling in het geheel niet genoemd wordt, is het duidelijk dat de expositie-makers weinig op hebben met diens roemruchte ‘Folie et déraison. Histoire de la folie à l’âge Classique’ uit 1961, waarin de befaamde denker poogt aan te tonen dat er voor de Romantiek eigenlijk geen onderscheid werd gemaakt tussen de rede en de gekte. Eerder wordt in het Louvre de gekte uitgebreid tot een veel breder terrein. Zo gelden hier de zotternijen op de schilderijen van Jhieronimus Bosch en Pieter Bruegel de Oude hier als maatschappijkritiek.

In de tweede helft van de zestiende eeuw is er, met de overwinning van de Rede, geen plaats meer voor zotten en narren, menen de tentoonstellingsmakers. De gekken verdwijnen uit beeld, om pas in de achttiende eeuw en de Romantiek terug te keren, deels als onderdeel van een nostalgische hang naar de Middeleeuwen. Op die manier wordt de gek, ondanks de fascinatie die de geesteszieke ook omringt, voor het eerst ook iemand die voor genezing in aanmerking komt. De psychiatrie werd geboren. En net als die man in bus 27 of bij de in hedendaagse nieuwsberichten gesignaleerde epidemie van psychische aandoeningen onder jongeren, weet de gek of psychisch gestoorde nog altijd een mengeling van afschuw en fascinatie op te roepen.

Figures du fou. Du Moyen Âge aux Romantiques. In het Louvre in Parijs tot 3 februari 2025. Meer info HIER.

Élisabeth Antoine-König et Pierre-Yves Le Pogam: Figures du fou. Carnet d’Expo. Gallimard 2024

Zie ook een documentaire bij de expositie op de site van Arte: Le temps des fous.

Afbeeldingen: 1. ‘Portrait de fou regardant à travers ses doigts’ (1548, onbekende meester, Phoebus stichting); 2. ‘Het Narrenschip’ van Jhieronimus Bosch (rond 1500, Louvre); 3. Gustave Courbet: ‘Portrait de l’artiste’ of ‘Le fou de peur’ (1844-1848, Nasjonalmuseet te Oslo).

Plaats een reactie

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑