
Een goed zedenschandaal wil nog wel eens bijdragen aan de populariteit van iets of iemand. Tenminste – dat was in het Parijs van de Bel Époque zo, en in Nederland ook nog in de jaren 1960, denk maar aan Jan Cremer. Nu lijkt dat veranderd en word je op grond van een zedenschandaal eerder naar de mestvaalt van de geschiedenis verwezen. Maar goed, in 1893 was dat anders. Senator voor het leven René Bérenger (1830-1915) spande een rechtszaak aan naar aanleiding van het tweede ‘Bal des Quat’z’Arts’, het bal van de Académie des Beaux-Arts in Parijs. Bérenger was daar zelf niet bij geweest, maar hem was ter ore gekomen dat er in de balzaal een naakte vrouw te zien was geweest, het gevierde schildersmodel Sarah Brown, en naast haar nog enkele opmerkelijk luchtig geklede dames. Dat het model daarbij gepoogd had een historisch correcte vertolking van de figuur Cleopatra ten beste te geven, vermocht de senator niet te vermurwen.
Bérenger was geen vreemde op het gebied van bestrijding der openbare zedeloosheid. Hij was de stichter van de ‘Société centrale de protestation contre la license des rues’ – kennelijk een ernstig probleem in die dagen. De bewaker van der zeden kreeg in dit geval de rechter aan zijn zijde: Brown en haar vriendinnen werd een boete opgelegd. Het ‘Bal des Quat’z’Arts’ kon hierna niet meer stuk: het werd een traditie die tot 1966 tot stand zou houden en nog vaak voor rumoer zou zorgen, al was het maar omdat de naaktheid van de festiviteit soms niet tot de balzaal beperkt bleef. (Tekst gaat door onder de afbeelding).

De rechtszaak deed in 1893 heel wat kranteninkt vloeien en leidde ook tot nuttige jurisprudentie: er moest van de rechter onderscheid worden gemaakt tussen ‘nudité chaste’ (dat wil zeggen ‘kuise naaktheid’, zoals in de kunst) en ‘nudité obscène’, die slechts lage lusten zou bespelen. Het spreekt vanzelf dat de organisatoren van het bal, een comité van studenten van de sinds 1816 als instituut van staat bestaande Académie des Beaux-Arts, zichzelf tot die tweede naaktheid niet in staat achtten: kunstenaars brengen immers uitsluitend kunst voort. En zo bestond het bal tot 1966. Het ging pas in de studentenagitatie rond 1968 ten onder, toen ook Franse kunststudenten zichzelf te serieus gingen nemen voor dit soort jool. Voor de zekerheid lieten de organisatoren tot die tijd op de affiches en uitnodigingen de waarschuwing afdrukken dat zij niet verantwoordelijk gehouden konden worden voor naaktheid op de openbare weg.
De studenten en genodigden – oud-studenten en natuurlijk veel jongedames met ruime opvattingen – plachten zich in cortège door de straten van Parijs naar de balzaal te begeven – in de beginjaren was dat de Moulin Rouge, later ook andere zalen. Zij deden dat vanaf de diverse ateliers die samen de Académie uitmaakten en zich bezig hielden met de vier destijds aan de Académie onderwezen kunsten: schilderkunst, beeldhouwen, architectuur en ‘gravure’. Het Bal des Quat’z’Arts was een gekostumeerd bal, ieder jaar met een ander thema, en zich verkleden was, naast natuurlijk een uitnodiging, een absolute voorwaarde om er binnen te komen. De gekozen thema’s waren meestal aan de Oudheid ontleend, wat een goed excuus was voor lichte kledij en lichaamsbeschildering: Kermis in Byzantium (1904), Romeinse decadentie (1905), Carthago op het hoogtepunt (1906), het Griekenland van Homeros (1914, met Paard van Troje), de intocht van Cyrus in Babylon (1925), de plundering van Byzantium door de Turken (1939), enzovoorts.
Zulke bals – al dan niet gekostumeerd – waren geen bijzonderheid bij Parijse instellingen van hoger onderwijs in de negentiende eeuw. Maar meestal waren ze verbonden aan de datum van afstuderen van een lichting studenten. Bij de Academie der schone kunsten kon dat evenwel niet, omdat al die verschillende ateliers hun eigen onderwijsagenda hadden en er ook in formele zin in het geheel niet werd afgestudeerd. Dat het toch van zo’n bal is gekomen was de verdienste van initiatiefnemer Henri Guillaume (1868-1929), later een gerenommeerd architect en ook de ontwerper van het Watteau-monument in de Jardin du Luxembourg.
Aan het bal is nu voor het eerst een serieuze publicatie gewijd: ‘Quat’Z’Arts. L’art en fête à l’école des Beaux-arts’ van Isabelle Conte. Het boek munt vooral uit door het opduikelen van het drukwerk waarmee het bal werd voorbereid. Daarbij valt op dat het grafisch ontwerp tussen 1892 en 1966 nauwelijks een ontwikkeling lijkt door te maken: steeds weer zien we dezelfde, vaak oriëntalistische motieven opduiken, met ook dezelfde zwaar seksueel geladen symboliek. Vanaf 1903 krijgen mannen en vrouwen een andere uitnodigingskaart – zonder een invitatie is het bal niet te betreden want aan ‘betaalde’ toegang doet het Quat’Z’Arts niet.
Ook de tekst van de uitnodigingen maakt nauwelijks een geheim van de erotische lading van het feest. In 1946 – thema: terugkeer Griekse helden na de val van Troje – heet het in de uitnodigingskaart voor de dames: “Belle et savoureuse Troyenne, viens le 28 juin couvrir d’hommages et troublantes caresses les valeureux vainqueurs de tes mâles aux membres mous et désabusés’. Wat zich in de balzaal precies allemaal afspeelde blijft een tikje onduidelijk: de diverse ateliers beschikten over een eigen loge en ook vaak over een eigen praalwagen of draagbaar platform dat in de zaal werd rondgedragen. Foto’s bestaan er niet van, wel schriftelijke beschrijvingen die de zwaar erotisch geladen atmosfeer beschrijven, waaraan de naaktheid van de modellen in niet geringe mate bijdroeg. (Tekst gaat verder onder afbeeldingen).








De toegang tot het bal werd streng bewaakt door een zwart geschminkte ordedienst die ‘La garde noire’ werd genoemd en die aan de ingang de tenues van de genodigden beoordeelde en zo nodig de toegang weigerde. Op de ateliers was men al maanden bezig geweest met het ontwerpen van de kostuums, loges en praalwagens. In de loop der jaren ontwikkelde zich de gewoonte om vanuit het atelier waar men zich verkleed had zich door de stad naar de feestzaal te begeven, daarbij de eerzame burgerij provocerend door als een schaars geklede groep gevaarlijke barbaren caféterrassen en restaurants onveilig te maken.
Op den duur ontwikkelde zich dat tot een jaarlijks terugkerend evenement waarvoor diezelfde burgerij tafeltjes ging reserveren. Voor en rond 1900 speelde dit alles zich vooral rond de kunstenaarswijk Montmartre af, later verplaatste de pret zich vaker naar Montparnasse, op de andere oever van de Seine. Van deze cortèges bestaan wel foto’s, onder andere van de bekende Franse fotograaf van Hongaarse afkomst Brassaï (Guyla Halász, 1899-1984), die voorbereidende schermutselingen van het bal in 1930 heeft waargenomen. (Tekst gaat verder onder afbeeldingen).



Maar de meeste bewaard gebleven foto’s zijn van na het bal. Om een uur of vijf ’s ochtends begaven de feestvierders zich andermaal in hun dan inmiddels vaak wat gehavende kostuums, en met door transpiratie en huidcontact uitgelopen lichaamsbeschildering door de dan nog lege straten van de stad. Het was gewoonte om een bad te nemen in de fonteinen van het Place de la Concorde en een laatste groepsfoto te laten maken op de binnenplaats van de Académie des Beaux-Arts, aan de Quai de Conti. Van zulke foto’s zijn er tientallen bewaard gebleven, meestal uit eind jaren twintig en begin jaren dertig.
Wie van ons, kijkend naar deze vermoeid ogende wellustige studenten, niet door afgunst wordt bevangen, weet niet wat een leuk feestje kan zijn. (Tekst gaat door onder afbeeldingen).









Isabelle Conte: Quat’Z’Arts. L’art en fête à l’école des beaux-arts. AAM Éditions, Brussel, 2023.
Afbeeldingen: 1. Bal des Quat’z’Arts van Louis Abel-Truchet (1857-1918), (1903; La gazette Drouot); 2. Sarah Brown (1870-1897) als Cleopatra in 1893, fotograaf onbekend; 3 t/m 10. Diverse affiches en uitnodigingen voor het bal; 11 t/m 13. foto’s van Brassaï uit 1930, met o.a. ‘La garde noire’; 14 t/m 19; Foto’s na het bal, op de binnenplaats van de Académie.

Plaats een reactie